Financiële controle in het gemeenterecht
Einde inhoudsopgave
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/2.2.1.2:2.2.1.2 De reglementen van 1815 — 1819
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/2.2.1.2
2.2.1.2 De reglementen van 1815 — 1819
Documentgegevens:
dr. W. van der Woude, datum 21-09-2011
- Datum
21-09-2011
- Auteur
dr. W. van der Woude
- Vakgebied(en)
Overheidsfinanciën (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De reglementen zijn uiteindelijk uniformer geworden dan de grondwetten van 1814 en 1815 deden vermoeden. De reglementen op het bestuur in de steden kwamen tot stand in 1815 en vertoonden (met name door de inmenging van de Raad van State die een in 94 `poincten' vervat model vaststelde waarvan nauwelijks kon worden afgeweken) amper onderlinge verschillen; de reglementen ten aanzien van het bestuur op het platteland, tot stand gekomen in de periode 1816 — 1819, waren iets diverser.
Het stadsbestuur kwam te berusten bij de raad, waarvan de leden voor het leven werden benoemd door de kiezerscolleges.1 De kiezers, die een aantal jaren in de stad gewoond moesten hebben en aan hoge welstandseisen moesten voldoen, werden voor de duur van drie jaar benoemd door de inwoners van de gemeente die, zoals de grondwet aangaf, een in de reglementen bepaalde som in de `beschreven middelen betaalden. Het dagelijks bestuur en het gedeelte van het bestuur dat niet nadrukkelijk aan de raad was opgedragen, lag bij twee tot vier door de Koning uit de raad benoemde "burgemeesteren". De raad nomineerde ingeval van een burgemeestersvacature een drietal van haar leden.
De plattelandsreglementen2 vertoonden een wat grotere diversiteit, maar grosso modo kwam de inrichting van het bestuur op het volgende neer. De gemeente werd bestuurd door een door de Koning benoemde schout en een gemeenteraad, waarvan de leden werden benoemd door de Staten. Deze raadsleden werden niet voor het leven benoemd. In de meeste provincies werd de schout bijgestaan door zogenaamde assessoren (meestal twee), die zelf lid waren van de gemeenteraad en op voordracht daarvan door de Staten werden benoemd. In de heerlijkheden, die voor een groot gedeelte waren hersteld,3 had de heer bij diverse benoemingen (gemeenteraadsleden, assessoren, maar ook ontvangers en secretarissen) een voordrachtsrecht.