Einde inhoudsopgave
Invloed van schuldeisers in insolventieprocedures (IVOR nr. 129) 2023/5.6.2
5.6.2 Enkele procedurele aspecten
mr. H.J. de Kloe, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. H.J. de Kloe
- JCDI
JCDI:ADS708330:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt wel analoog toegepast. Ter discussie staat of die analoge toepassing in beginsel wel (‘ja, tenzij’) of in beginsel niet (‘nee, tenzij’) moet plaatsvinden. Zie over deze discussie en verdere verwijzingen Engberts, GS Faillissementswet, art. 362 Fw, aant. 5 (en 5.1 over de jurisprudentie op dit punt) (laatst bijgewerkt: 19 februari 2022) en Heems & Van Dijken 2021, par. 15.2.1.
Conclusie A-G Wuisman voor HR 28 maart 2014, RvdW 2014/524, par. 2.4.1 en 2.4.2.
HR 20 januari 2006, NJ 2006/74 (Bennink Bolt/Huizing q.q. c.s.), r.o. 3.4.2.
Groot 2020, p. 176-177.
Vergelijk Verstijlen, WPNR 2015, afl. 7074, par. 7.
In het kader van artikel 69 Fw wordt het begrip ‘maatwerk’ ook gebruikt in Rechtbank Oost-Brabant 12 december 2018, JOR 2019/111, r.o. 5.3.2.
Vergelijk in het kader van artikel 67 Fw de conclusie van A-G Langemeijer voor HR 6 november 1998, NJ 1999/117 (Friesland Bank/Kroeze), par. 3.2.
Voor een voorbeeld, zie HR 6 november 1998, NJ 1999/117 (Friesland Bank/Kroeze).
HR 13 juni 1928, NJ 1928, p. 1379. Voor kritiek hierop, zie Wessels Insolventierecht IV 2020/4076.
Aldus in het kader van een procedure op grond van artikel 58 Fw de conclusie van A-G Timmerman voor HR 19 februari 2016, NJ 2016/139 (Crescendo Belgium), par. 2.6. In par. 2.3 stelt A-G Timmerman ook dat de procedure op grond van artikel 58 Fw vergelijkbaar is met de artikel 69-procedure. Van Galen denkt hier anders over omdat de rechter-commissaris niet als onafhankelijke en onpartijdige rechter kan worden beschouwd, R.J. van Galen, annotatie onder Rechtbank Oost-Brabant 12 december 2018, JOR 2019/111, par. 1.
HR 19 februari 2016, NJ 2016/139 (Crescendo Belgium), r.o. 3.4.1 en 3.4.2.
Vriesendorp, Justitiële verkenningen 2000, afl. 2, p. 63. Zie ook Rechtbank Oost-Brabant 12 december 2018, JOR 2019/111, r.o. 5.6.1.
Als gezegd is de artikel 69-procedure eenvoudig, snel, informeel en (daardoor) met weinig waarborgen omgeven. De derde titel van het eerste boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is niet van toepassing op verzoeken uit de Faillissementswet (art. 362 lid 2 Fw).1 Omdat de schakelbepaling van artikel 284 lid 1 Rv hier onderdeel van uitmaakt, is ook het bewijsrecht uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet van toepassing. Daaruit volgt dat de rechter-commissaris geen strikte toepassing hoeft te geven aan de uitwerking van het beginsel van hoor en wederhoor in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.2 De Hoge Raad heeft daarom ook geoordeeld dat de rechter-commissaris geen gelegenheid hoeft te geven voor re- en dupliek.3 Uit artikel 69 lid 2 Fw volgt wel dat de curator gehoord moet worden voordat de rechter-commissaris beslist op het verzoek. Andere belanghebbenden hoeven niet te worden gehoord.4 Toch kan de beslissing van de rechter-commissaris aan legitimiteit winnen als de rechter-commissaris ook andere belanghebbenden hoort.5 Daarbij is het mijns inziens van belang dat maatwerk6 mogelijk blijft.7 Overigens moeten belanghebbenden in hoger beroep wel opgeroepen worden op grond van artikel 67,8 zij het niet op straffe van nietigheid.9
Op de artikel 69-procedure zijn de elementaire beginselen van procesrecht wel van toepassing.10 Zo mag de rechter-commissaris zijn beslissing niet ten nadele van een van de partijen baseren op bescheiden of andere gegevens waarover die partij zich niet voldoende heeft kunnen uitlaten.11 De rechter-commissaris kan zich al helemaal niet baseren op informatie waar degene die het artikel 69-verzoek indient geen toegang toe heeft.12