Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/7.4.3
7.4.3 Hoofdelijkheid in het Nederlandse recht tot 1992
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648746:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie artikel 2020 OBW. Hetzelfde gold voor kwijtschelding, zie artikel 1476 OBW.
Van Boom 1999, p. 10. Van Boom onderbouwt zijn standpunt uitvoerig, met verwijzingen naar Diephuis X (1886), p. 147-148; Van Weel (1863), p. 137-139; J. Limburg, W. 6138, p. 4; Veegens e.a. 1934, p. 60; H. Drion, VA 1961, p. 38; J. Kortmann, AAe 1996, p. 7; Van Hugenpoth tot den Beerenclaauw 1890, p. 40; Loeff 1891, p. 70-71; Asser-Van Goudoever 1913, p. 72; Asser-Losecaat Vermeer 1939, p. 86; Hofmann-Van Opstall 1959, p. 212; Asser-Rutten 1981, p. 86-87; Völlmar 1952, p. 117; Schoordijk 1984, p. 485 en Kerr Wylie 1923, p. 73-74.
HR 3 mei 1901, W. 7601 (Jansen van Oist/Ariese).
Van Boom 1999, p. 11.
Van Boom 1999, p. 11 e.v.; Asser/Rutten 1981 en Schoordijk 1984, p. 485.
Van Boom 1999, p. 13.
Asser/Losecaat Vermeer 1939, p. 93; Völlmar 1952, p. 119 en Schoordijk 1979, p. 78.
HR 30 april 1936, NJ 1936/970 en HR 16 november 1939, NJ 1940/76.
Aldus treffend verwoord door Van Boom 1999, p. 17.
De onduidelijkheid ten aanzien van de hoofdelijkheid, die mogelijk onbewust werd geïntroduceerd door de Romeinen, werd overgenomen door de Fransen. De onduidelijkheid heeft vervolgens ook in Nederland geheerst. Artikel 1316 van het BW dat in het jaar 1838 werd ingevoerd, maakt niet duidelijk of sprake is van hoofdelijkheid met als uitgangspunt correaliteit dan wel solidariteit.
Correaliteit, de sterke lotsverbondenheid van de verschillende schuldenaren die optreedt wanneer zij zijn verbonden met betrekking tot eenzelfde vorderingsrecht, wordt ook wel aangeduid als uniteit. Daar tegenover staat solidariteit, wat ook wel wordt aangeduid als pluraliteit. Aangenomen wordt dat hoofdelijkheid onder het Oud Burgerlijk Wetboek (OBW) een unitair karakter had. Er was een sterke lotsverbondenheid tussen de hoofdelijk verboden schuldenaren. Onder het OBW was sprake van een sterke lotsverbondenheid van de schuldenaren. Als de vordering werd gestuit, werkte deze stuiting jegens allen.1 Er was wel discussie over de vraag of de wettelijke variant daadwerkelijk een unitair karakter had. Maar de uniteitsleer was dominant. Van Boom vat de discussie die bestond ten tijde van het OBW als volgt samen:2
“Als in Frankrijk bestond in Nederland onenigheid over de vraag of hoofdelijkheid betrof één enkele verbintenis danwel evenzovele verbintenissen als er debiteuren waren. In de negentiende eeuw waren er schrijvers die meenden dat de hoofdelijkheid van art. 1316 BW één enkele verbintenis met meerdere debiteuren betrof. In onze eeuw hebben de meeste schrijvers zich gekeerd tegen deze opvatting. De twist over uniteit of pluraliteit vond uiteraard zijn aanleiding in de tweeslachtigheid van de regeling van de hoofdelijkheid in het oude BW. Die tweeslachtigheid werd door Van Goudoever aldus getypeerd:
‘Het is alsof de wet nu eens de verbintenis beschouwt als een band, waarmede sommige personen op zoodanige wijze aan één ander persoon verbonden zijn, dat het doorsnijden van één dier verbindingen, op welk punt ook, het geheele samenstel doet uiteen vallen; dan weder is het alsof de aanhechting in dier voege plaats heeft, dat het wegvallen van één dier verbindingen wel niet geheel zonder invloed is op de overige, maar dat toch de band tusschen de overblijvende partijen, ofschoon eenigszins geschonden, is blijven bestaan.’
De hoofdelijkheid van het oud BW hinkt met andere woorden op twee (en mogelijk zelfs meer) gedachten. Dat op zich zou mijns inziens reeds voldoende grond zijn om aan te nemen dat nooit sprake kan zijn van werkelijke uniteit. Hoe dat ook zij, de uniteitsleer werd niet de heersende. Hooguit werd gemeend dat hoofdelijkheid unitaire trekjes had.”
In 1901 heeft de Hoge Raad een arrest3 gewezen waaruit wordt afgeleid dat de Hoge Raad bedoeld zou hebben dat bij hoofdelijkheid sprake is van pluraliteit.4 Ondubbelzinnig is het arrest hierover echter niet. Na het arrest bleef er discussie bestaan over de vraag of hoofdelijkheid onder het OBW leidde tot pluraliteit of uniteit.5
In de praktijk ontwikkelde zich na het arrest een tweede vorm van hoofdelijkheid. Naast de wettelijke (correale) variant, waarbij sprake was van één vordering en meerdere schuldenaren werd een buitenwettelijke (solidaire) variant ontwikkeld waarbij sprake was van evenveel vorderingsrechten als schuldenaren:
“Na het arrest Jansen van Oist/Ariese, waaruit hiervoor reeds werd geciteerd, maakte – als in Frankrijk en België – ook in Nederland de idee zich meester van de doctrine dat naast de gesloten rangen van de wettelijk geregelde ‘correale’ hoofdelijkheid er een ander soort ‘hoofdelijkheid’ van meer ‘solidaire’ aard bestond.”6
Naast de constatering dat hoofdelijkheid, zoals die voor 1992 in de wet was geregeld, een unitair karakter had (en er in geval van hoofdelijkheid dus sprake was van één vorderingsrecht en meerdere schuldeisers en niet van evenveel vorderingsrechten als schuldeisers) kan tevens worden geconstateerd dat er bij de invulling van hoofdelijkheid voor 1992 ruimte was voor flexibiliteit. De hoofdelijkheid zoals geregeld in de wet, diende volgens de heersende opvatting alleen te worden toegepast op situaties waarin dat wenselijk was.7 Een legitimatie voor de restrictieve toepassing van de hoofdelijkheid werd gevonden in art. 1318 oud BW. De opvatting dat de wettelijke hoofdelijkheid restrictief diende te worden toepast, was tevens terug te zien in de rechtspraak.8 Duidelijk was dat de praktijk zich verzette tegen een rigide toepassing van de regels van hoofdelijkheid en dat flexibiliteit noodzakelijk was om ongewenste resultaten te voorkomen:
“het bedenksel van de toevallig samenlopende verbintenissen diende het redelijk geachte resultaat, maar in wezen was het rebellie tegen de wettelijke regeling van de hoofdelijkheid”.9