Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/4.2.1
4.2.1 Inleiding
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS495036:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
In de literatuur is ook gedebatteerd over de functies van artikel 6:212. Zo menen sommige schrijvers dat artikel 6:212 de functie heeft een sanctie te geven bij “unclean hands”. Daarmee bedoelen zij dat een vordering tot afdracht van een verrijking kan ontstaan als deze verrijking door laakbaar gedrag is veroorzaakt (zie Vranken 1998, p. 1496, Van Boom 2002, p. 108, vgl. Wissink 2002, p. 68 en Meijer 2007, p. 79-80). Andere schrijvers menen dat de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking een zingevende functie heeft. Daarmee wordt bedoeld dat artikel 6:212 bij de uitleg van het wettelijke systeem en individuele wetsbepalingen een rol kan spelen (zie Vranken 1998, p. 1496, Hartkamp 2001, p. 330; Wissink 2002, p. 55-57). Elk van de genoemde schrijvers geeft aan deze functies een eigen uitwerking. Zij beogen echter niet criteria te ontwikkelen aan de hand waarvan kan worden bepaald of in een concreet geval een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking ontstaat. Ik ga hier niet nader in op de mogelijke functies van artikel 6:212, aangezien ik ‘slechts’ probeer criteria te ontwikkelen.
In de literatuur zijn verschillende voorstellen gedaan voor een omlijning van de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking. Ik bespreek deze voorstellen hieronder.1 Achtereenvolgens komen aan de orde: subsidiariteit (par. 4.2.2), pogingen tot omlijning aan de hand van het vereiste ‘ongerechtvaardigd’ (par. 4.2.3) en pogingen tot omlijning waarin als eerste moet worden vastgesteld dat de verrijking wordt genoten ten koste van een ander (par. 4.2.4).