Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/2.2.3.2
2.2.3.2 Beoordeling van informatie als eerste stap van toetsing aan de norm wanbeleid
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652510:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 27 september 2000 (r.o. 4.2), NJ 2000/653; JOR 2000/217, m.nt. M. Brink (Gucci).
HR 18 april 2003 (r.o. 3.13, 3.21), NJ 2003/286, m.nt. J.M.M. Maeijer; JOR 2003/110, m.nt. J.M. Blanco Fernández (RNA).
OK 9 januari 2004 (r.o. 3.4 e.v.), NJ 2004/168; JOR 2004/72, m.nt. M. Brink (Laurus).
OK 18 juli 2002, JOR 2002/191 (Willem III).
SER-advies 1988, p. 34; Uniken Venema 1995, p. 43.
Kamerstukken II 1967/68, 9596, 3, p. 6; Kamerstukken II 1968/69, 9595, 9596, 6, p. 14; Handelingen II 1969/70, 61, p. 2910; HR 10 januari 1990 (r.o. 7.2-7.6), NJ 1990/466, m.nt. J.M.M. Maeijer; JOR 2021/288, m.nt. P.D. Olden (Ogem). De formule ‘strijd met elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap’ werd overigens eerder al gebezigd in OK 27 maart 1974 (r.o. 4), kenbaar uit HR 19 maart 1975, NJ 1976/267, m.nt. B. Wachter (HVA); OK 21 juni 1979 (r.o. 2), NJ 1980/71, m.nt. J.M.M. Maeijer (onder NJ 1980/73) (Batco). Vgl. ook Löwensteyn 1968, p. 71.
Zie bijv. OK 21 juni 1979 (r.o. 6), NJ 1980/71, m.nt. J.M.M. Maeijer (onder NJ 1980/73) (Batco); OK 26 mei 1983 (r.o. 4), NJ 1984/481, m.nt. J.M.M. Maeijer; JOR 2022/56, m.nt. A.F.J.A. Leijten (Linders/Hofstee); OK 7 december 1989 (r.o. 4.1.5), NJ 1990/242 (Bredero). Zie ook Joosten 1989, p. 62, p. 72; Mok 2004, p. 70 en p. 78; Mok 2006, p. 409; Assink 2007/27.a; Buijn & Storm 2013, p. 1068; Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood 2022/122. Anders nog Van der Sangen 2004, p. 86. Vgl. ook Willems 2004a, p. 437-438 die de elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap aanduidt als regels van corporate governance.
Zie bijv. OK 21 januari 2002 (r.o. 3.46), JOR 2002/28, m.nt. M. Brink (HBG); OK 2 september 2004 (r.o. 3.38), JOR 2004/271, m.nt. M. Brink (Getronics), welke beschikking overigens een eerste fase beschikking betrof. Vgl. verder bijv. OK 8 oktober 1987 (r.o. 7), NJ 1989/270, m.nt. J.M.M. Maeijer (Van der Klis); OK 7 december 1989 (r.o. 4.10.3.2), NJ 1990/242 (Bredero); OK 14 december 2005 (r.o. 3.6), JOR 2006/7 (Versatel). Kritisch hierover is Raaijmakers 2003, p. 1378-1379; Pitlo/Raaijmakers 2017, p. 686. Vgl. ook Damen & Van der Zanden 2002, p. 249.
Zie bijv. HR 18 april 2003 (r.o. 3.26), NJ 2003/286, m.nt. J.M.M. Maeijer; JOR 2003/110, m.nt. J.M. Blanco Fernández (RNA); OK 19 juli 2012 (r.o. 3.27; 3.63-3.65), JOR 2013/7, m.nt. M.W. Josephus Jitta (Cancun); OK 17 oktober 2019 (r.o. 4.20), JOR 2020/32, m.nt. P.H.M. Broere (Nijhuis Fabel). Vgl. ook OK 24 maart 2005 (r.o. 3.2), ARO 2005/53 (Cordial). Zie voor kritiek hierop bijv. Assink 2013, p. 259; Borrius 2016, p. 67; Van Solinge 2017, p. 497-498.
HR 10 januari 1990 (r.o. 7.3), NJ 1990/466, m.nt. J.M.M. Maeijer; JOR 2021/288, m.nt. P.D. Olden (Ogem); Mok 2004, p. 79; Assink 2006, p. 309; Assink 2007/26.b en 28.a; Assink/Slagter 2013, p. 1760. Anders nog Raaijmakers (onder 2) in zijn annotatie bij HR 10 januari 1990, AA 1990, p. 858 (Ogem); Raaijmakers (onder 6) in zijn annotatie bij OK 21 januari 2002, AA 2002, p. 433 (HBG); Raaijmakers 2003, p. 1378; Van der Sangen 2004, p. 86 en p. 88; Pitlo/Raaijmakers 2017, p. 686 e.v.
Assink 2006, p. 309; Assink 2007/4.b en 28.a; Assink/Slagter 2013, p. 1759. Zie ook Maeijer (onder 3) in zijn annotatie bij OK 21 juni 1979, NJ 1980/71 (onder NJ 1980/73) (Batco); Van der Heijden 1984, p. 1389; SER-advies 1988, p. 34-35; Slagter 1984, p. 44-45; Joosten 1989, p. 63, p. 72; Raaijmakers (onder 2) in zijn annotatie bij HR 10 januari 1990, AA 1990, p. 858 (Ogem); Van Leeuwen 1990, p. 24; Kamerstukken II 1991/92, 22400, 3, p. 8; Uniken Venema 1995, p. 43, p. 79-80; Wiarda/Koopmans 1999, p. 98-99; Smit 2002, p. 46-47; Raaijmakers 2003, p. 1378; Timmerman 2003, p. 556-558; Wezeman 2007, p. 95-98; Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/791; Buijn & Storm 2013, p. 1068; Bulten (onder 4) in haar annotatie bij OK 5 april 2012, JOR 2013/41 (Fortis); Hermans 2017, p. 230-231; Pitlo/Raaijmakers 2017, p. 686.
Timmerman 2006a, p. 336; Assink 2007/4.b. In de parlementaire geschiedenis worden bijv. genoemd de verplichting aandeelhoudersvergaderingen te houden (art. 2:108/218 BW) en de verplichting te voldoen aan de boekhoudplicht en jaarrekeningplicht (art. 2:10 BW; art. 2:101/210 BW), zie Kamerstukken II 2010/11, 32887, 3, p. 21.
Wezeman 2007, p. 97; Mendel & Oostwouder 2013, p. 93; Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood 2022/122. Assink & Kroeze 2010, p. 24; Assink/Slagter 2013, p. 1674 e.v., met verwijzingen naar jurisprudentie, merken op dat een minder terughoudende toets wordt aangelegd ten aanzien van de voorbereidende aspecten van het ondernemingsbeleid. Vgl. ook De Bie Leuveling Tjeenk 2018, p. 421.
Assink 2007/4.b; Kamerstukken II 2010/11, 32887, 3, p. 20. Zie bijv. OK 17 februari 2009 (r.o. 3.5), ARO 2009/44 (Lycos Europe); OK 16 maart 2009 (r.o. 3.6), ARO 2009/56 (Nedelko Holding); OK 29 mei 2017 (r.o. 3.19), JOR 2017/261, m.nt. C.D.J. Bulten (AkzoNobel), waarover ook Assink & Kroeze 2010, p. 24-26; Assink/Slagter 2013, p. 1674 e.v.
Vgl. Hermans 2017, p. 233.
Of sprake is van een onjuist beleid is aan de Ondernemingskamer, bij de beoordeling van een verzoek tot verhaal van de kosten van het onderzoek op grond van art. 2:354 BW, waarover ook par. 7.9.3.2. Anders Van der Vlis 2000, p. 319, die hier wel een rol voor de onderzoeker lijkt te zien.
Vgl. ook Bartman (onder 3) in zijn annotatie bij HR 21 februari 2003, Ondernemingsrecht 2003/17 (HBG); Bartman 2003, p. 467; Bartman in zijn annotatie bij OK 18 januari 2006, Ondernemingsrecht 2006/59 (Laurus), die pleit voor de introductie van het dictum ‘onzorgvuldig beleid’, lichter dan wanbeleid, zonder de mogelijkheid tot het treffen van voorzieningen.
Kamerstukken II 2010/11, 32887, 6, p. 30; HR 4 april 2014 (r.o. 4.4), NJ 2014/286, m.nt. P. van Schilfgaarde (Cancun), onder verwijzing naar HR 18 april 2003 (r.o. 3.13; 3.21), NJ 2003/286, m.nt. J.M.M. Maeijer; JOR 2003/110, m.nt. J.M. Blanco Fernández (RNA). Zie bijv. OK 22 september 2003 (r.o. 3.5), JOR 2003/280 (IHD Schiphol Service).
OK 7 december 1989 (r.o. 4.1.4), NJ 1990/242 (Bredero). Zie ook Broere 2019b, p. 695.
Zo ook Van der Vlis 2000, p. 319; Hermans 2003, p. 125-126; Geerts 2004, p. 146; Timmerman & Thierry 2004, p. 219; Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe 2-II* 2009/776; Beurskens 2011, p. 116; Bulten (onder 3) in haar annotatie bij OK 25 april 2012, JOR 2013/6 (Butôt); Deelen 2016, p. 481; Van der Zanden & Van der Sangen 2016, p. 87; Hermans 2017, p. 226 e.v. Anders Thierry 2002, p. 430; Hepkema 2012, p. 733.
Leidraad, bepalingen 7.1 en 7.4. Onderzoekers expliciteren dit onderscheid ook zo nu en dan, zie bijv. Onderzoeksverslag Fortis, p. 37 (onder 84); Onderzoeksverslag HBG, p. 34 (onder 7.2); Onderzoeksverslag Xeikon, p. 17 (onder 49).
Leidraad, bepaling 7.4.
Van der Zanden & Van der Sangen 2016, p. 83-84.
Vgl. Hermans 2017, p. 231.
Vgl. Leidraad, bepaling 7.4.
Zie bijv. Onderzoeksverslag HBG, p. 33-34 (onder 7.1.5).
Zie bijv. Onderzoeksverslag Xeikon, p. 122 (onder 312).
Hermans 2017, p. 230.
OK 5 april 2012 (r.o. 4.2), JOR 2013/41, m.nt. C.D.J. Bulten (Fortis), bevestigd in HR 6 december 2013 (r.o. 4.3.2-4.3.3), NJ 2014/167, m.nt. P. van Schilfgaarde; JOR 2014/65, m.nt. M. Holtzer (Fortis).
OK 5 april 2012 (r.o. 6.62 e.v.), JOR 2013/41, m.nt. C.D.J. Bulten (Fortis), waarin de Ondernemingskamer o.m. de Richtlijn Marktmisbruik en de daarop gebaseerde regels in de Wft betrok bij haar beoordeling op het verzoek tot de vaststelling van wanbeleid; OK 1 juni 2012 (r.o. 3.6), ARO 2012/84 (De Orthopedische Schoenmakerij), waarin ook het Besluit Zorgverzekering, de Regeling Zorgverzekering en de voorwaarden van de met verzekeraars gesloten zorgovereenkomsten een rol speelden.
Vgl. ook OK 14 januari 1993 (r.o. 5), NJ 1993/460 (KMZM); HR 1 maart 2002 (r.o. 3.4; 3.6), NJ 2002/296, m.nt. J.M.M. Maeijer; JOR 2002/79, m.nt. F.J.P. van den Ingh (Zwagerman); OK 25 maart 2005 (r.o. 3.3), JOR 2005/178 (Karst Beheer); OK 29 november 2005 (r.o. 3.7), ARO 2005/210 (Dyna Music Systems).
OK 2 november 2015 (r.o. 3.5), JOR 2016/61, m.nt. P. van Schilfgaarde (Meavita).
HR 13 juli 2007 (r.o. 4.4), NJ 2007/434, m.nt. J.M.M. Maeijer; JOR 2007/178, m.nt. M.P. Nieuwe Weme (ABN Amro); HR 9 juli 2010 (r.o. 4.4.2), NJ 2010/544, m.nt. P. van Schilfgaarde; JOR 2010/228, m.nt. M.J. van Ginneken (ASMI).
Zie bijv. OK 20 mei 1999 (r.o. 3.8), NJ 2000/199; JOR 2000/72, m.nt. J.M. Blanco Fernández (Versatel); OK 3 maart 2010 (r.o. 3.3; 3.9-3.10), JOR 2010/153, m.nt. G. van Solinge (Océ); HR 9 juli 2010 (r.o. 4.4.2), NJ 2010/544, m.nt. P. van Schilfgaarde; JOR 2010/228, m.nt. M.J. van Ginneken (ASMI). Vgl. ook OK 7 maart 2003 (r.o. 3.9), JOR 2003/107, m.nt. A.F.J.A. Leijten (Willem III).
De Bie Leuveling Tjeenk 2011, p. 227.
Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood 2022/122. Zie ook Boukema, GS Rechtspersonen, art. 2:355 BW, aant. 2.1 (2002).
Zo ook Van Ginneken 2006, p. 529.
Zie hierover bijv. Kemp 2015, p. 303 e.v.; Olaerts 2017; Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/124, met verwijzingen.
AAS, bepaling 2.1, toelichting onder 1, welke toelichting mijns inziens ook dienstbaar is ter uitleg van Leidraad, bepaling 2.1. Zie ook Broere 2019b, p. 690.
Hermans 2017, p. 230. Vgl. ook Blanco Fernández 2019.
De Ondernemingskamer moet op basis van het onderzoeksverslag (inclusief bijlagen) oordelen op een verzoek tot de vaststelling van wanbeleid.1 Zij mag daarnaast acht slaan op hetgeen voorts in de procedure wordt gesteld en blijkt.2 Daarbij kan de Ondernemingskamer bij de beoordeling van het verzoek tot de vaststelling van wanbeleid ook getuigen horen.3 In Willem III gelastte de Ondernemingskamer ter verkrijging van nadere inlichtingen en het beproeven van een minnelijke regeling een comparitie van partijen, alvorens op het verzoek tot de vaststelling van wanbeleid te oordelen.4 Onduidelijk is overigens waar de Ondernemingskamer deze laatste bevoegdheid op stoelde.
De onderzoeker licht de Ondernemingskamer in zijn onderzoeksverslag voor over het gevoerde beleid en de gang van zaken van de rechtspersoon. Getoetst worden zowel de inhoud van het gevoerde beleid als de wijze waarop het beleid tot stand komt.5 Niet iedere beleidsfout kan als wanbeleid worden aangemerkt. Uit Ogem volgt dat voor wanbeleid nodig is dat de fout van voldoende ernst is om die kwalificatie te rechtvaardigen. Het moet volgens de Hoge Raad gaan om onzorgvuldig of laakbaar handelen van een zo ernstig karakter dat moet worden geoordeeld dat is gehandeld in strijd met elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap. Daarbij kan ook een enkele gedraging wanbeleid opleveren, met name wanneer die gedraging tot voor de onderneming zeer nadelige gevolgen heeft geleid. Voor wanbeleid is niet vereist dat schade daarvan het gevolg is. Wanbeleid kan verder op zowel sociaal, commercieel als financieel gebied voorkomen.6 De formule ‘strijd met elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap’ kan worden gezien als een nadere aanduiding van het begrip wanbeleid.7 Soms bezigt de Ondernemingskamer ook wel variaties op deze formule, zoals ‘strijd met beginselen van behoorlijk ondernemingsbestuur’,8 of wordt het begrip wanbeleid geplaatst in de sleutel van het ernstig verwijt.9
De in Ogem door de Ondernemingskamer aangelegde en door de Hoge Raad goedgekeurde toets valt uiteen in twee stappen. Eerst dient de Ondernemingskamer te toetsen of sprake is van onzorgvuldig of laakbaar gedrag. Vervolgens moet zij toetsen of dat gedrag ook voldoende ernstig is dat het strijd met elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap, wanbeleid, oplevert.10
Als uitgangspunt dient de Ondernemingskamer bij de genoemde tweede stap terughoudend, marginaal, te toetsen. Bij de eerste stap is een marginale toetsing slechts aan de orde als de rechtspersoon ten aanzien van een bepaalde norm beleidsvrijheid toekomt.11 Beleidsvrijheid is echter geen vaste grootheid en is in sommige gevallen afwezig, waar het bestuur zich moet houden aan de verplichtingen die wet en statuten hem opleggen.12 De gevolgde werkwijze en het proces van besluitvorming moeten in ieder geval integraal worden getoetst.13 Waar echter de inhoud van het gevoerde ondernemingsbeleid en de daarbij gemaakte zakelijke beleidsafweging en belangenafweging worden getoetst, bestaat beleidsvrijheid en past dus een terughoudender toetsing.14
De tweetrapsraket uit Ogem leent zich goed om de taak van de onderzoeker verder af te bakenen. Enkel bij de eerste stap van deze toets zie ik een rol voor de onderzoeker.15 De onderzoeker dient te toetsen of sprake is van onzorgvuldig of laakbaar gedrag en doet verslag hiervan – adviseert hierover – aan de Ondernemingskamer. Het oordeel of sprake is van onzorgvuldig of laakbaar gedrag houdt mijns inziens niet een oordeel in of bepaald beleid juist of onjuist is. Dat oordeel is niet aan de onderzoeker.16 De Ondernemingskamer kan vervolgens het door de onderzoeker beoordeelde gedrag op verzoek toetsen aan de elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap en wanbeleid vaststellen.17 De beoordeling van het beleid door de onderzoeker bindt de Ondernemingskamer daarbij overigens niet. Het staat de Ondernemingskamer vrij om anders te oordelen dan de onderzoeker.18 In Bredero overwoog de Ondernemingskamer wel dat aan het oordeel van de onderzoeker groot gewicht toekomt wegens de specifieke kennis en deskundigheid die hebben geleid tot zijn benoeming als onderzoeker.19
De onderzoeker heeft dus niet enkel tot taak de door hem geselecteerde informatie vast te stellen en te interpreteren, maar moet deze eveneens beoordelen.20 Die beoordeling – normatieve beschouwingen – moet hij waar mogelijk scheiden van zijn weergave van feitelijke bevindingen, zo volgt uit de Leidraad.21 De beoordeling door de onderzoeker moet bovendien plaatsvinden in het licht van de in de onderzochte periode geldende normen en opvattingen.22 Het te hanteren normatieve kader verschilt hierom per onderzoek(speriode). Van der Zanden en Van der Sangen menen dat de onderzoeker zich voor de start van het onderzoek moet uitlaten over zijn toe te passen normatieve kader en de te gebruiken onderzoeksmethode. Het te hanteren normatieve kader is volgens Van der Zanden en Van der Sangen namelijk van belang voor de richting en diepgang van het onderzoek.23 Ik vraag mij af of een schets van het normatieve kader bij de start van het onderzoek in de praktijk steeds nuttig is. In ieder geval vereist de Leidraad niet dat het normatieve kader onderdeel vormt van het plan van aanpak, waarover par. 2.5.3. Het normatieve kader wordt scherper aan de hand van verricht onderzoek. In die zin zijn het normatieve kader en het onderzoek communicerende vaten.24 Ik meen dat de onderzoeker beter het hierna geschetste normatieve kader als uitgangspunt kan nemen, om dit vervolgens gedurende het onderzoek in te kleuren naar de in de betrokken onderzoeksperiode geldende normen en opvattingen (binnen de grenzen van zijn onderzoeksopdracht).25 Het gebruikte normatieve kader moet de onderzoeker vervolgens wel beschrijven en verantwoorden in zijn onderzoeksverslag.26
De onderzoeker moet het beleid en de gang van zaken van de rechtspersoon in ieder geval steeds toetsen aan het geldend recht en de voor de rechtspersoon geldende statuten en reglementen.27 Aan welk voor de rechtspersoon geldend recht moet worden getoetst is afhankelijk van de aard van het onderzoek. Veelal zal het gaan om een toetsing aan de hand van de regels die gelden voor de totstandkoming van besluiten.28 Daarnaast kunnen ook civielrechtelijke, strafrechtelijke of bestuursrechtelijke normen een rol spelen.29 Zo speelden in Fortis effectenrechtelijke regels een rol bij de beoordeling van het verzoek tot de vaststelling van wanbeleid en werd bij het onderzoek naar De Orthopedische Schoenmakerij betrokken of de rechtspersoon gehandeld had in strijd met de Zorgverzekeringswet.30
Ook hetgeen door de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW wordt gevorderd behoort onderdeel uit te maken van het normatieve kader van de onderzoeker.31 In dat kader moet de onderzoeker op grond van art. 3:12 BW rekening houden met algemeen erkende rechtsbeginselen, de in Nederland levende rechtsovertuigingen en de maatschappelijke en persoonlijke belangen die bij het gegeven geval zijn betrokken.32 Daarbij kan ook toetsing plaatsvinden aan de Nederlandse Corporate Governance Code, die immers een uiting vormt van de in Nederland heersende algemene rechtsovertuiging.33 Geregeld betrekt de Ondernemingskamer normen van corporate governance bij de beoordeling van eerste en tweede fase verzoeken,34 zonder daaraan evenwel een doorslaggevende rol toe te kennen.35
Van Schilfgaarde c.s. merken op dat voor de beantwoording van de vraag of sprake is van wanbeleid onder meer moet worden getoetst aan de doeleinden van de rechtspersoon:
‘Wie bij de vennootschap dat doel uitsluitend relateert aan de belangen van de aandeelhouders komt tot een engere omschrijving dan degene die meent dat de belangen van de werknemers evenzeer moeten worden verdisconteerd.’36
Met Van Schilfgaarde c.s. meen ik dat een beoordeling van het gevoerde beleid en de feitelijke gang van zaken niet zonder beoordeling van de doeleinden van de rechtspersoon kan plaatsvinden. Voor ‘de doeleinden van de rechtspersoon’ kan hier naar mijn mening ook ‘het belang van de rechtspersoon’ of ‘het vennootschappelijk belang’ worden gelezen, voor zover het handelen van bestuurders en commissarissen wordt beoordeeld.37 Men kan zich afvragen of die norm ook geldt voor anderen, zoals individuele aandeelhouders en de algemene vergadering.38
Of is gehandeld in overeenstemming met de doeleinden van de rechtspersoon, in overeenstemming met het vennootschappelijk belang, is een toets die prima past binnen de in Ogem onderscheiden eerste toets of sprake is van onzorgvuldig of laakbaar gedrag. De onderzoeker mag een en ander naar mijn mening ook bij zijn onderzoek betrekken. Omdat het bestuur en de raad van commissarissen hier beleidsvrijheid toekomt, moet de onderzoeker daarbij wel een terughoudende toetsing aanleggen.
Afhankelijk van de onderzoeksopdracht kan het onderzoek het beleid en het functioneren van de rechtspersoon als zodanig betreffen, of daarnaast zien op het beleid en het functioneren van de door de rechtspersoon in stand gehouden onderneming.39 Hermans leidt uit de formule ‘strijd met elementaire beginselen van behoorlijk ondernemerschap’ af dat de onderzoeker ook moet toetsen aan de norm ‘behoorlijk ondernemerschap’, met name als het beleid van de door de rechtspersoon in stand gehouden onderneming wordt getoetst.40 Mijns inziens past deze zienswijze minder goed in het toetsingskader uit Ogem. De onderzoeker dient enkel te toetsen of sprake is van onzorgvuldig of laakbaar gedrag, aan de hand van het normatieve kader. De Ondernemingskamer beoordeelt het ‘advies’ van de onderzoeker, en toetst vervolgens of het onzorgvuldig of laakbaar gedrag dermate ernstig is dat het strijd met elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap oplevert. Aan de beantwoording van die laatste vraag komt de onderzoeker niet toe. Het past in dat kader dan ook niet dat de onderzoeker bij de beoordeling of bepaald gedrag onzorgvuldig of laakbaar is, tevens toetst aan de norm van behoorlijk ondernemerschap.