Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/8.3.4
8.3.4 Objectieve norm en beleid jegens de verkochte dochtervennootschap
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS197010:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
In de praktijk is de grens tussen ‘beleid ten aanzien van de dochter’ en de in de vorige alinea’s besproken handelingen of factoren die de waarde van de aandelen in de dochter beïnvloeden, niet altijd scherp.
Bevoegdheden van de moeder betreffen bijvoorbeeld benoeming en ontslag van bestuurders, commissarissen en andere functionarissen van dochters; zeggenschap over (bepaalde) bestuursbesluiten van dochters; zeggenschap over aspecten van de dagelijkse bedrijfsvoering van dochters en de financiën van dochters.
Voor een voorbeeld van financieel beleid van een moeder jegens haar dochters, zie OK 23 januari 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:209, ARO 2017/34 (Kaal Masten). Dat beleid jegens de dochters was geen grond voor twijfel aan het beleid van de moeder.
8.3.3.
Vgl. nr. 72.
[282] Een bijzonder facet van beleid vraagt de aandacht, namelijk het beleid van de moeder ten aanzien van de (klein)dochter. Met specifiek op de dochter gericht beleid bepaalt de moeder (mede) de gang van zaken van die dochter.1 De moeder oefent invloed uit op grond van haar wettelijke en statutaire bevoegdheden.2 Bevoegdheden van die laatste categorie kunnen verstrekkend zijn. Het beleid van de moeder jegens de dochter kan de waarde van de dochter beïnvloeden. Zeker bij het financieel beleid jegens de dochter ligt dat voor de hand.3
[283] Zojuist is beschreven dat de vermijd-waardedaling-norm, die voortvloeit uit de conformiteitseis, een herkenbaar doel heeft: de koper dient een zaak te ontvangen die beantwoordt aan de overeenkomst.4 Daarentegen blijft het doel van een vermijd-twijfel-norm ten aanzien van onderdelen van het beleid die de waarde van de dochter beïnvloeden diffuus. Dat laatste geldt ook voor beleid jegens de dochter. Ik meen daarom dat in beginsel evenmin een objectieve norm kan worden aangenomen, die strekt tot het voorkomen van twijfel aan beleid dat specifiek op de dochter is gericht.
[284] Een enquête bij de moeder in verband met twijfel aan het beleid jegens de dochter kan echter beslag leggen op (tijd, bedrijfsvoering, et cetera van) de dochter. Ook kan de enkele omstandigheid dat een enquête wordt bevolen in zo’n geval de reputatie van de dochter raken.5 Dan wordt een rechtstreeks verband tussen enerzijds de twijfel of de enquête en anderzijds het belang van de koper zichtbaar. In zulke gevallen is een objectieve norm aannemelijk, die er toe strekt dat de verkopende rechtspersoon geen twijfel laat ontstaan aan zijn beleid jegens de dochter.