Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/5.2.3.4
5.2.3.4 De territoriale dekking volgens de Wam
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS397207:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ter illustratie: de Europese Commissie liet bij beschikking van 29 november 2005 (2005/849/EC, Pb. L 315/16) weten dat de controle ten aanzien van de WA-motorrijtuigenverzekering van voertuigen uit Andorra aan de grenzen van de EU per 1 januari 2006 achterwege zou moeten blijven. Andorra wordt daarmee erkend als derde land in de zin van art. 8, lid 2 eerste alinea van de Richtlijn. Dat brengt mee dat de verplichte Nederlandse Wam-dekking ook Andorra moet omvatten. De AMvB op grond van art. 3, lid 3 Wam is pas met KB 11 april 2006, Stb. 2006, 200 d.d. 25 april 2006 (met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006) aangepast. Het Nederlands Bureau heeft daarop - evenmin als de andere Bureaus van de EER - niet gewacht en reeds in juni 2005 een overeenkomst met het Andorraanse Bureau gesloten, die afschaffing van de grenscontroles mogelijk maakte en die overeenkomst trad, ongeacht of nationale wetgevingen zouden zijn aangepast, op 1 januari 2006 in werking.
Zie hiervoor, par. 5232.
Zie voor de vraag of de - onjuiste - omzetting van art. 24 van de Richtlijn in de Wam tot een andere conclusie moet leiden par. 4.8.72. In de praktijk plegen (sommige) Nederlandse verzekeraars (maar vermoedelijk ook verzekeraars in andere lidstaten) een aantal landen niet te dekken. Vaak gaat het daarbij om landen van het voormalige Oostblok, zoals Rusland, Moldavië of Albanië. Dat gaf in het verleden nog wel eens aanleiding tot ergernis bij de Bureaus in de betrokken landen, die meenden niet volwaardig te worden behandeld. Soms bestond ook de opvatting, dat aansluiting bij het groenekaartstelsel de verzekeraars in andere landen verplicht de dekking tot die landen uit te breiden. Dat is dus onjuist. Mijn indruk is dat deze opvattingen tegenwoordig minder voorkomen, wellicht door betere voorlichting van de zijde van de Council of Bureaux aan het nieuwe lid.
In de praktijk is deze kwestie - wat Nederland betreft - vooral van belang op het gedeeltelijk Nederlandse, gedeeltelijk Franse eiland St. Maarten/St. Martin. Op het Franse deel van het eiland is het EU-Verdrag (en dus de Richtlijn) wel van toepassing, op het Nederlandse deel niet.
Art. 3 lid 2 Wam bepaalt dat de verzekering de schade moet dekken die aan personen of zaken wordt toegebracht door feiten die zijn voorgevallen op het grondgebied waar de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van toepassing is. Daaraan voegt lid 3 in de eerste volzin toe dat de verzekering voorts moet omvatten de schade die wordt toegebracht door feiten, voorgevallen in bij AMvB aangewezen landen.
De Benelux-Overeenkomst en de daarop gebaseerde Gemeenschappelijke bepalingen, art. 3§ 2, schrijven nog slechts dekking in de landen van de Benelux voor en hebben dus in dit opzicht hun praktische betekenis verloren.
Wat de landen betreft die de Nederlandse motorrijtuigverzekering moet dekken, zoekt de Wam (zij het soms met enige vertraging ten gevolge van het nationale wetgevingsproces1 ) volledig aansluiting bij de landen die op grond van art. 8 lid 2, eerste alinea van de Richtlijn voor wat betreft binnenkomend verkeer met lidstaten gelijk zijn gesteld. Er zij nogmaals op gewezen dat de Richtlijn daartoe strikt genomen niet verplicht.2 In de op art. 3 lid 3 Wam gebaseerde AMvB wordt de dekking verplicht gesteld in de lidstaten van de EU, de landen van de EER en de overige derde landen die op grond van art. 8 lid 2, eerste alinea van de Richtlijn met de lidstaten zijn gelijk gesteld.
Daarmee voldoet de Nederlandse Wam aan de Richtlijn. Wel kan een vraagteken worden geplaatst bij de wat omslachtige wijze waarop de geografische dekking in de Wam vorm heeft gekregen. De materie van de eerste volzin van het derde lid van art. 3 zou beter kunnen worden samengevoegd met het tweede lid van art. 2 Wam. De AMvB bedoeld in het derde lid somt immers niet alleen de derde landen als bedoeld in art. 8 lid 1, tweede alinea van de Richtlijn op, maar ook de landen van de EER. Zij past bovendien beter in het tweede lid. Het vervolg van het derde lid gaat over de minimumdekking die moet worden geboden bij ongevallen in het buitenland, als uitvloeisel van art. 14 onder b) van de Richtlijn en dat betreft een geheel ander onderwerp.
Het valt op dat de Wam bepaalt dat de verzekering moet dekken de personen- en zaakschade die in de hiervoor bedoelde landen wordt toegebracht. Uit art. 3 lid 5 blijkt echter dat de dekking onder omstandigheden ruimer moet zijn: de verzekering moet de burgerrechtelijke aansprakelijkheid dekken zoals die uit de toepasselijke wet voortvloeit. Als de toepasselijke wetgeving ook andere schade dan personen- of zaakschade onder verplichte dekking laat vallen, dan zal de Nederlandse Wam-polis ook die dekking moeten verlenen. Zie hierna paragraaf 5.2.4.
Nederlandse verzekeraars zijn, nu de Wam alleen tot dekking verplicht in de lidstaten van de EER alsmede in de door de EU erkende derde landen, volledig vrij om te beslissen of zij dekking geven in bij het groenekaartstelsel aangesloten landen, die niet tot de EER behoren of op grond van art. 8 lid 2, eerste alinea als derde land zijn aangewezen.3
Op deze plaats dient ook aandacht te worden geschonken aan art. 1 onderdeel 4 van de 5e Richtlijn, dat de woorden "of op het niet-Europese grondgebied van een lidstaat" in art. 6 en 7 lid 1 van de le Richtlijn (thans 7 en 8 van de Richtlijn) heeft geschrapt. De le Richtlijn bepaalde dat voertuigen, gewoonlijk gestald op het niet-Europese grondgebied van een der lidstaten, moesten zijn voorzien van een geldige groene kaart. Deze bepaling moest worden geschrapt met de wijziging in 2003 van art. 299 van het toenmalige EG-verdrag. Op grond van het huidige art. 349 jo. 355 EU-Verdrag is het Verdrag mede van toepassing op bepaalde overzeese gebiedsdelen van een aantal lidstaten. De consequentie daarvan is dat voertuigen die gewoonlijk zijn gestald op het overzeese grondgebied van een der lidstaten, zonder grenscontrole tot het grondgebied van de overige lidstaten moeten worden toegelaten.
Het schrappen van deze woorden brengt enerzijds mee, dat de dekking die verzekeraars moeten bieden zich ook tot die niet-Europese gebiedsdelen moet uitstrekken, anderzijds bieden de Bureaus van de betreffende lidstaten ook garantie voor voertuigen die gewoonlijk op die niet-Europese grondgebieden zijn gestald.
Voor Nederland is van belang dat de Nederlandse Antillen en Aruba niet kwalificeren als niet-Europees grondgebied van de Staat der Nederlanden in de zin van de art. 6 en 7 van de le Richtlijn. Zij worden niet genoemd in art. 349 jo. 355 EU-Verdrag; de Antillen en Aruba zijn vermeld op de lijst van Bijlage II bij het Verdrag en vormen, aldus art. 355 lid 2, het onderwerp van de bijzondere associatieregeling als omschreven in het vierde deel van het EU-Verdrag (de art. 198e.v.). Het vrije verkeer van personen en goederen vormt geen deel van een dergelijke associatieverhouding. De Richtlijn wordt dus niet toegepast ten aanzien van ongevallen veroorzaakt door Antilliaanse en Arubaanse motorrijtuigen in de overige lidstaten, noch voor wat betreft ongevallen op de Nederlandse Antillen en Aruba.4