Einde inhoudsopgave
Personentoetsingen in de financiële sector (O&R nr. 127) 2021/7.4.1
7.4.1 Nationale toetsingen: beoordeling, besluitvorming en de rechterlijke toets
mr. drs. I. Palm-Steyerberg, datum 01-03-2021
- Datum
01-03-2021
- Auteur
mr. drs. I. Palm-Steyerberg
- JCDI
JCDI:ADS268575:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover hoofdstuk 2, par. 2.2.1.
Beoordelingsruimte betreft de vraag hoe nauwkeurig de wetgever heeft bepaald of de beschikkingsbevoegdheid kan worden gebruikt en de condities heeft omschreven waaronder een bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid moet of mag gebruiken (Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male, Hoofdstukken van bestuursrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2014, p. 147).
R. Stijnen, ‘(Her)toetsing van geschiktheid en betrouwbaarheid’, in: D. R. Doorenbos & M.J.C. Somsen (red.), Onderneming en sanctierecht. Handhaving van financieel toezichtrecht, in het bijzonder onder de Wft en de Pw (Serie Onderneming en Recht, deel 76), Deventer: Wolters Kluwer 2013, p. 347. De rechter stelt bij zijn beoordeling voorop dat bij de vaststelling of de betrouwbaarheid buiten twijfel staat de toezichthouder beoordelingsruimte toekomt, zie bijvoorbeeld CBb 15 oktober 2019, ECLI:NL:CBB:2019:498, r.o. 6.3 met verwijzing naar CBb 22 februari 2017, ECLI:CBB:2017:47 en CBb 19 maart 2013, ECLI:NL:CBB:2013:CA0275.
Of een bestuursorgaan over beoordelingsruimte beschikt kan worden afgeleid uit de in de wettekst gehanteerde terminologie, zoals de zinsnede “naar het oordeel van” of het gebruik van subjectief vage normen, en uit de parlementaire geschiedenis. Zie Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male, Hoofdstukken van Bestuursrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2014, p. 148-149 en P.J. Huisman & N. Jak, “Beslissingsruimte: handvatten voor de rechterlijke toetsingsintensiteit,” NTB 2019/20, afl. 5, par. 2.1 en 3.4. In de regelgeving rondom personentoetsingen wordt gebruik gemaakt van dergelijke vage normen (zoals “betrouwbaarheid buiten twijfel” en “geschikt”), en uit de tekst van de wet en de bijbehorende wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever het aan de toezichthouders heeft gelaten om zich een oordeel te vormen over de vraag of aan deze eisen is voldaan. De toezichthouder “beoordeelt” en “toetst” de betrouwbaarheid en de geschiktheid van beleidsbepalers en commissarissen van financiële ondernemingen (Kamerstukken II, 2010/11, 32 786, nr. 3 p. 4-13), en “stelt vast” of de betrouwbaarheid buiten twijfel staat (zie art. 3:9, derde lid, en art. 5, eerste lid, Bpr Wft en art. 4:10, derde lid en art. 12, eerste lid, BGfo Wft). Wijzigingen, zoals bestuurderswisselingen, moeten bij de toezichthouder worden gemeld en daarbij dienen gegevens te worden overgelegd op basis waarvan de toezichthouder redelijkerwijs “kan beoordelen” of aan de eisen van betrouwbaarheid en geschiktheid is voldaan (art. 32aa, eerste en tweede lid en art. 33, derde lid, sub a, Bpr Wft). Art. 8 Wtt 2018 bevat een vergelijkbare meldingsplicht. Het gaat hierbij onder meer om de identiteit van bestuurders en toezichthouders waarvan DNB eerst de geschiktheid en betrouwbaarheid “moet hebben kunnen beoordelen”, (Kamerstukken II, 2017/18, 34 910, nr. 3, p. 40).
Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male, Hoofdstukken van bestuursrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2014, p. 147.
Jaarverslag Raad van State 2017, p. 61.
Aantallen toetsingen van bestuurders, houders van gekwalificeerde deelnemingen en tweede echelon tezamen en percentages positieve beslissingen betroffen in de periode 2013-2017: 1.178 (86%), 1.737 (90%), 2.026 (94%), 1.621 (96%), en 1.360 (96%). Bron: ZBO-verantwoording DNB 2017, p. 54.
De AFM kent vergelijkbare cijfers, met percentages van 1.126 (96%) in 2013 en 1.516 (95%) in 2014, zie de brief van DNB en AFM van 25 juni 2015, Kamerstukken II, 2014/15, 32 648, nr. 9. In 2017 werden 1.480 toetsingen uitgevoerd (inclusief de accountantstoetsingen) waarvan 96% positief (zie Jaarverslag AFM 2017, p. 76).
Een dergelijke afwijzing is een besluit in de zin van art. 1:3 Awb, zie CBb 19 december 2000, ECLI:NL:CBB:AA9187, JOR 2001/66 m.nt. C.M. Grundmann-van de Krol. Vgl. art. 95, tweede lid en 103, tweede lid BGfo Wft.
Het voldoen aan de geschiktheids- en betrouwbaarheidsvereisten zijn standaardvereisten voor het verkrijgen van een vergunning uit hoofde van de Wft, Wtt 2018, Pw of Wvb. Art. 2:31 Wft bepaalt bijvoorbeeld: “De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in art. 2:27, eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge (a) art. 3:8 met betrekking tot de geschiktheid van de in dat artikel bedoelde personen; (b) art. 3:9 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel genoemde personen, (c) […]”.
Art 1:104, eerste lid, aanhef en onder d Wft. Zie bijvoorbeeld Rb. Rotterdam 24 maart 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BQ4969.
Art. 1:75, eerste lid Wft. De aanwijzing bevat een binnen redelijke termijn te volgen gedragslijn, die door de toezichthouder is bepaald, en kan bijvoorbeeld behelzen dat de financiële onderneming bestuurders moet ontslaan of bepaalde activiteiten moet staken (Kamerstukken II, 2003/04, 29 708, nr. 3, p. 42).
Art. 1:80, onder a, Wft en de bijbehorende bijlage. Stijnen plaatst hier, gezien het lex certa-beginsel, overigens vraagtekens bij, zie R. Stijnen, ‘(Her)toetsing van geschiktheid en betrouwbaarheid’, in: D.R. Doorenbos & M.J.C. Somsen (red.), Onderneming en sanctierecht. Handhaving van financieel toezichtrecht, in het bijzonder onder de Wft en de Pw (Serie Onderneming en Recht, deel 76), Deventer: Wolters Kluwer 2013, p. 360-361. Zie hierover ook Hoofdstuk 1, par. 1.4.1.
Het betreft “kan-bepalingen”, dat wil zeggen wettelijke bepalingen die het bestuur de keuze bieden om iets wel of niet te doen.
Handhavingsbeleid van de Autoriteit Financiële Markten en De Nederlandsche Bank van 10 juli 2008 (Stcrt. 2008, 132), geactualiseerd op 13 oktober 2020 (Stcrt. 2020, 56540).
Art. 3:4, eerste lid, Awb.
Art. 3:4, tweede lid, Awb.
Vergelijk Kamerstukken II, 2011/12, 31 980, nr. 55, p. 34: ”Een onbetrouwbare bestuurder of commissaris zal zijn functie niet mogen aanvaarden of, indien het om een nieuw antecedent gaat, zijn functie moeten neerleggen.” Op dezelfde wijze interpreteer ik ook de “Delta Lloyd-uitspraak”: “Van DNB mag gelet op het grote belang dat de wetgever hecht aan betrouwbare beleidsbepalers in de financiële sector, worden verwacht dat zij, als zij meent dat de betrouwbaarheid van een beleidsbepaler van een onder toezicht staande instelling niet buiten twijfel staat, er in beginsel niet op grond van een belangenafweging van afziet dienovereenkomstig te besluiten” (Rb. Rotterdam 31 juli 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:5634, r.o. 6.2). Ik ga er van uit dat de rechtbank hier doelt op de belangenafweging in het kader van de te nemen handhavingsmaatregel. De rechtbank lijkt deze belangenafweging (gebaseerd op art. 3:4 Awb) enerzijds en de belangenafweging die in de oordeelsvorming ligt besloten (gebaseerd op art. 9 Bpr Wft) anderzijds echter niet duidelijk van elkaar te scheiden. Zie over deze belangenafweging nader hoofdstuk 2, par. 2.5.1.
Anders: S. Daniels & A. de Moor-van Vugt, ‘De Delta Lloyd uitspraken’, TvT 2016, afl. 7, p. 70.
CBb 22 februari 2017, ECLI:NL:RBROT:2015:3894 en ECLI:NL:CBB:2017:46, r.o. 12.2, JOR 2017/133 m.nt. S.M.C. Nuijten.
Opgemerkt zij dat punitieve sancties door de bestuursrechter niet terughoudend maar volledig, integraal worden getoetst.
Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male, Hoofdstukken van bestuursrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2014, p. 148/149.
Zie CBb 12 september 2006, ECLI:NL:CBB:2006:AY7979 (VPV), r.o. 3.3 (“Weliswaar heeft AFM in het kader van de toetsing van de betrouwbaarheid van bestuurders en/of beleidsbepalers een door de rechter te eerbiedigen beoordelingsruimte, doch een dergelijke marginale toets geldt niet voor het door AFM te verrichten onderzoek naar de relevante feiten.”). Zie bijvoorbeeld ook P.J. Huisman & N. Jak, ‘Beslissingsruimte: handvatten voor de rechterlijke toetsingsintensiteit’, NTB 2019/20, afl. 5, par. 2.1 en A.P. Klap, ‘Rechter en bestuur: communicerende vaten of concurrerende machten?’, NTB 2007/27, afl. 6, par. 4.
Art. 3:2, 3:4, tweede lid, 3:46 en 7:12, eerste lid Awb.
Zie hierover H.E. Bröring & E.M. van Vorselen, , ‘Lex certa en het financieel bestuursrecht’, JBplus 2013, afl. 3, p. 102-128.
Zie M. Schreuder-Vlasblom, Rechtsbescherming en bestuurlijke voorprocedure, Serie Recht en Praktijk, Staats- en bestuursrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 179-187 en R. Kegge, ‘Indringende(re) toetsing door de bestuursrechter’, JBPlus 2018, afl. 4. Kegge constateert dat de Afdeling vooralsnog vooral ruimte ziet voor een indringendere toetsing bij zaken met een groot maatschappelijk belang.
R. Ortlep & W. Zorg, ‘Van marginale rechterlijke toetsing naar toetsing op maat: einde van een geconditioneerde respons?’, AA 2018, afl. 1, p. 20-25. Zij verwijzen onder meer naar Hirsch Ballin, die een meer genuanceerde benadering van de rechterlijke toetsing bepleit waarbij de aard van de rechtsverhouding en het gewicht van de voor belanghebbenden op het spel staande belangen dicteren hoe indringend de rechterlijke toetsing moet zijn (E.H.M. Hirsch Ballin, “Dynamiek in de bestuursrechtspraak”, in: E.M.H. Hirsch Ballin, R. Ortlep & A. Tollenaar, Rechtsontwikkeling door de bestuursrechter (VAR-reeks 154), Den Haag: BJu 2015, p. 7-58). Barkhuysen noemt dit “een in zekere zin revolutionair pleidooi”, dat navolging verdient, zie T. Barkhuysen, ‘Een revolutie in het bestuursrecht?’, NJB 2015, afl. 24, p. 1583.
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3156, r.o.18.
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 april 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI1842, geannoteerd door L.J. A. Damen in AA oktober 2009, p. 660-665 (“Bos bijt met Landsbankí in het IJslandse ijs”).
De term “marginale toets” is vervangen door het begrip “terughoudende toets”, zie het eerder genoemde jaarverslag van de Raad van State 2017, p. 61. Marginale toetsing zou een te vrijblijvende opstelling van de rechter suggereren. De betekenis van het begrip is echter hetzelfde gebleven.
Vergelijk ook de Bibob-uitspraak van de Afdeling van 25 april 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW3870). Bibob-besluiten vertonen enige gelijkenis met personentoetsingen, zie hoofdstuk 1, par. 1.8.2. De Afdeling overwoog dat de burgemeester, gelet op de deskundigheid van het Bureau Bibob, in beginsel van het advies mag uitgaan. “Dit neemt niet weg dat het bestuursorgaan zich ervan moet vergewissen, dat het advies en het daartoe ingestelde onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat de feiten de conclusies kunnen dragen. Dat is bijvoorbeeld niet het geval, indien de feiten voor de conclusies te weinig of te weinig directe aanwijzingen bieden of omdat ze in verschillende richtingen wijzen, onderling tegenstrijdig zijn of niet stroken met hetgeen overigens bekend is.” De Afdeling concludeert dat het besluit op dit punt ondeugdelijk is gemotiveerd.
R. Stijnen, ‘De betrouwbaarheidstoetsing van bestuurders van financiële instellingen door de AFM en DNB’, FR 2007, afl. 1/2, p. 13-26 en R. Stijnen, ‘Strafrechtelijke en bestuursrechtelijke aansprakelijkheid van bestuurders. Ontwikkelingen bezien vanuit de financiële toezichtwetgeving’, NJB 2008/169, afl. 4, p. 204-212.
G.P. Roth en M. van Eersel, ‘Procederen tegen beslissingen van de toezichthouders’, FR 2007, afl. 5, p. 148-151.
CBb 12 april 2007, ECLI:NL:CBB:2007:BA2940.
CBb 28 april 2006, ECLI:NL:CBB:2006:AW5471.
Rb. Rotterdam 31 juli 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:5634. De rechtbank plaatst deze toets in het kader van de begrijpelijkheid van de motivering.
Zo wordt het geschiktheidsonderzoek mede uitgevoerd op basis van ook in de betrouwbaarheidsregelgeving genoemde antecedenten, zie art. 1.6.2 sub (b) en sub (e) Beleidsregel geschiktheid. Hetzelfde feit kan dus relevantie hebben voor zowel de betrouwbaarheid als de geschiktheid. Ook bevat de Beleidsregel geschiktheid diverse elementen van betrouwbaarheid. Zie bijvoorbeeld art. 1.2.1, waar gesproken wordt over het naleven van algemeen aanvaarde sociale, ethische en professionele normen, waaronder het tijdig, juist en duidelijk informeren van de toezichthouder, en de competenties Authenticiteit, Onafhankelijkheid en Verantwoordelijkheid. Dergelijke elementen vertonen een overlap met eigenschappen die relevant worden geacht voor de betrouwbaarheid. Ook een begrip als “professioneel gedrag” kan zowel zien op geschiktheids- als betrouwbaarheidskenmerken. Zie ook hoofdstuk 2, par. 2.2.2.
Zie M. Schreuder-Vlasblom, Rechtsbescherming en bestuurlijke voorprocedure (Serie Recht en Praktijk, Staats- en bestuursrecht), Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 179-187.
ECLI:NL:RBROT:2015:1850, JOR 2015/110 m.n. S.M.C. Nuijten.
De beslissing om over te gaan tot (her-)toetsing is op zichzelf geen besluit in de zin van de Awb, zodat de bestuursrechter niet bevoegd is, zie ook r.o. 4.7 van de uitspraak.
Beoordeling en beoordelingsruimte
DNB en de AFM zullen de tijdens het toetsingsonderzoek verzamelde feiten en omstandigheden beoordelen in het licht van de vereiste betrouwbaarheid en geschiktheid. Dit betekent dat onderzocht wordt in hoeverre het feit of het antecedent ook daadwerkelijk iets zegt over iemands betrouwbaarheid of geschiktheid. Bij deze beoordeling houdt de toezichthouder rekening met onder meer de zwaarte en ouderdom van het feit en de mate van betrokkenheid en de houding van de beleidsbepaler (“wegingsfactoren”).1 Bij de weging van de feiten en de kwalificatie van de feiten in het licht van de vereiste geschiktheid en betrouwbaarheid, beschikken de toezichthouders over een ruime mate van beoordelingsruimte.2 Het betreft, in de woorden van Stijnen, een exclusieve beoordelingsbevoegdheid ter zake van de waardering van de feiten.3 De wetgever heeft nadrukkelijk beoogd om de toezichthouders deze beoordelingsruimte toe te kennen.4 De ruimte die financiële instellingen zelf toekomt voor het inkleuren van de (open) norm, is daarmee aanzienlijk verkleind.
Dit wil echter niet zeggen dat betrokkenen zijn overgeleverd aan willekeur. Om rechtmatig te kunnen besluiten zal de toezichthouder zich aan een reeks regels en rechtsbeginselen hebben te houden, zoals de hiervoor genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur.5 De nakoming hiervan kan door de bestuursrechter indringend worden getoetst (zie hierna). Tegen deze achtergrond heeft de Afdeling bestuursrechtspraak de term beoordelingsvrijheid vervangen door beoordelingsruimte: “Geen enkel gebruik van een publiekrechtelijke bevoegdheid is geheel vrij, maar steeds gebonden aan de regels van het recht.”6
Besluitvorming en beleidsruimte
In de meeste gevallen leidt het onderzoek van de toezichthouders tot de conclusie dat wordt voldaan aan de geschiktheids- en betrouwbaarheidseisen. Zo varieerde het percentage positieve beslissingen bij DNB de afgelopen vijf jaar tussen de 86% en de 96%.7 De AFM rapporteert vergelijkbare cijfers.8
Is het toetsingsoordeel echter negatief, dan kan dat bij een aanvangstoetsing resulteren in een besluit tot afwijzing van een voorgedragen kandidaat-beleidsbepaler9 of de weigering om een vergunning te verlenen.10 Een negatieve hertoetsing kan leiden tot het intrekken van de vergunning11 (bijvoorbeeld in eenmanszaken) of, in de meeste gevallen, tot een “aanwijzing tot heenzending”.12 In dit laatste geval verplicht de toezichthouder de instelling om binnen een redelijke “heenzendingstermijn” een bepaalde gedragslijn te volgen, meestal inhoudende dat de betrokken beleidsbepaler het beleid van de instelling niet meer kan bepalen of mede bepalen.13 Daarnaast bestaat onder meer de mogelijkheid om de instelling een last onder dwangsom op te leggen wegens het niet hebben van geschikte of betrouwbare beleidsbepalers,14 een openbare waarschuwing te geven15 of de instelling te beboeten.16 De mogelijkheid om een functieverbod17 op te leggen komt aan de orde in paragraaf 7.7.5. Bovenstaande instrumenten kwalificeren als een besluit in de zin van de Awb en vat ik samen onder het begrip “toetsingsbesluiten”. Hieronder kunnen overigens ook positieve besluiten worden begrepen.
Bij de keuze van het (handhavings-)instrument hebben de toezichthouders beleidsruimte.18 Bij de afweging maken zij gebruik van het door hen opgestelde Handhavingsbeleid.19 Aan het gekozen (handhavings-)instrument behoort een belangenafweging ten grondslag te liggen.20 De gevolgen van het besluit mogen voorts niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen (evenredigheidsbeginsel).21 Zo kan bijvoorbeeld het intrekken van een vergunning als onevenredig worden beschouwd, als met een aanwijzing tot heenzending hetzelfde effect kan worden bereikt. Staat een negatief betrouwbaarheidsoordeel eenmaal vast, dan zullen de belangen die met de toetsing zijn gediend in zijn algemeenheid zwaarder wegen dan die van de betrokken instelling en beleidsbepaler. Het belang van integere en betrouwbare beleidsbepalers is van dermate groot gewicht dat het moeilijk voorstelbaar is dat een dergelijke beleidsbepaler zijn functie in de financiële sector desondanks zou kunnen blijven vervullen.22 Geheel onmogelijk acht ik dit echter niet.23 Zo oordeelde het CBb in 2017 dat, hoewel het negatieve betrouwbaarheidsoordeel terecht was, in plaats van een aanwijzing tot heenzending “hooguit een minder verstrekkende aanwijzing” mocht worden opgelegd.24 Het betreft hier mijns inziens een (uitzonderlijke) toepassing van de evenredigheidstoets.
Beoordelings-en beleidsruimte: de rechterlijke toets
Daar waar het bestuur beoordelings- en beleidsruimte heeft, past de rechter in beginsel een terughoudende toets toe.25 Dit volgt enerzijds uit het staatsrechtelijke principe dat de rechter niet op de stoel van het bestuursorgaan hoort plaats te nemen en anderzijds uit de door de wetgever beoogde taakverdeling tussen de rechter en het specifiek- deskundige bestuur (in dit geval: de financiële toezichthouders). De rechter moet weliswaar het oordeel van het bestuur toetsen, maar mag niet los daarvan zijn eigen oordeel vormen en dat in de plaats stellen van het bestuur. De rechter mag pas overgaan tot vernietiging van het omstreden besluit als hij de opvatting van het bestuursorgaan over de toepasselijkheidscondities kennelijk onredelijk oordeelt, als hij meent dat het bestuursorgaan in redelijkheid niet tot zijn oordeel heeft kunnen komen.26 Ingeval van beoordelingsruimte toetst de rechter de feitenkwalificatie door het bestuursorgaan terughoudend. Dit geldt echter niet voor het vaststellen van de feiten. De feitenvaststelling behoort in beginsel integraal door de rechter te worden getoetst.27 De rechter dient eveneens “vol” te toetsen aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en aan rechtsnormen zoals evenredigheid, zorgvuldigheid en de plicht tot draagkrachtige motivering.28 Naarmate er minder sprake is van een evidente overtreding van een open norm, worden aan deze motivering hogere eisen gesteld.29
De bestuursrechtspraak is de laatste jaren sterk in ontwikkeling en tendeert daarbij naar een meer indringende toetsing van besluiten, ook wanneer sprake is van beoordelings- en beleidsruimte van het betreffende bestuursorgaan. Zeker in gevallen wanneer de besluiten diep ingrijpen in het leven van burgers en/of inbreuk maken op hun grondrechten mag de toetsing van de uitleg van de norm indringender zijn.30 Ortleb & Zorg spreken in dit verband van “toetsing op maat”.31
Zo overwoog de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de Groningen-gasuitspraak dat nu de grondrechten op leven (veiligheid), privacy (aantasting van het leefklimaat) en het ongestoord genot van het eigendom aan de orde zijn, aan de motivering van het besluit door de minister hoge eisen moeten worden gesteld.32 Interessant is ook de uitspraak van de Afdeling van 22 april 2009.33 Annotator Damen merkt op dat het in deze zaak ging om een discretionaire bevoegdheid van de regering, mét beleidsvrijheid, en dat de bestuursrechter dus gehouden was tot een toetsing “met grote terughoudendheid”. Desondanks stelde de Afdeling zware motiveringseisen aan het besluit, en oordeelde dat hier niet aan werd voldaan. Voor de Afdeling stond daarbij centraal dat de rechtszekerheid in het geding was inzake de toegang tot de rechter, “welke rechtszekerheid essentieel is in een democratische rechtsstaat en ten grondslag ligt aan de ingeroepen verdrags en grondwetsbepalingen.” Terecht stelt Damen zich daarom de vraag of hier nog wel sprake is van een marginale toetsing.34
Ook bij personentoetsingen, waarbij enerzijds sprake is van beoordelings- en beleidsruimte bij de toezichthouders maar anderzijds de besluiten voor betrokkenen zeer ingrijpend kunnen zijn, is deze tendens zichtbaar.35 In het bijzonder hebben de toets aan de eisen van een zorgvuldige voorbereiding en een deugdelijke motivering geleid tot een aanzienlijke nuancering van de “terughoudende” rechterlijke toets. Hierop hebben bijvoorbeeld Stijnen36 en Roth en Van Eersel37 eerder al gewezen, onder meer naar aanleiding van de uitspraken inzake Quinta38 en VPV.39
Ook in de Delta Lloyd-uitspraak uit 2015 past de rechtbank een in mijn ogen indringender toets toe.40 De toezichthouders beschikken over beoordelingsruimte bij het wegen van de feiten. Onderdeel hiervan is, mijns inziens, ook de afweging om de feiten in de sleutel te plaatsen van ofwel de geschiktheid, dan wel de betrouwbaarheid, iets wat niet altijd voor zich spreekt nu deze begrippen elkaar op diverse punten overlappen.41 Een negatief betrouwbaarheidsoordeel kan daarbij, gezien de verstrekkende gevolgen ervan, als “zwaarder” worden beschouwd dan een negatief geschiktheidsoordeel dat immers in beginsel slechts ziet op de functie in kwestie (zie paragraaf 6.4.1). Dat DNB de geschiktheid van de betrokken beleidsbepaler onvoldoende achtte, maar op grond van de uit te voeren belangenafweging de betrouwbaarheid van de beleidsbepaler nog steeds buiten twijfel vond staan, kon niet op veel begrip rekenen. De rechtbank oordeelde dat “wat daarvan [ook] zij”, als DNB meent dat de betrouwbaarheid van een beleidsbepaler van een onder toezicht staande instelling niet langer buiten twijfel staat, zij er, gelet op het grote belang dat de wetgever hecht aan betrouwbare beleidsbepalers in de financiële sector, in beginsel niet op grond van een belangenafweging van mag afzien dienovereenkomstig te besluiten. Tot slot was de rechtbank kritisch over de heenzendingstermijn, een punt waarop de toezichthouders beleidsruimte toekomt. Deze heenzendingstermijn was door DNB, in het belang van betrokkenen en de continuïteit van de onderneming, gesteld op bijna 1,5 jaar. Gezien echter de door DNB gestelde ernst van de ongeschiktheid van de betrokken beleidsbepaler, viel naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijze niet in te zien waarom een dergelijk lange heenzendingstermijn in het belang zou zijn van de onderneming.
In de rechtspraak over personentoetsingen is vooralsnog niet aangevoerd dat de toetsingsbesluiten een inbreuk zouden maken op de fundamentele vrijheden zoals neergelegd in het Handvest (waaronder in het bijzonder art. 15 en 16). Verwacht mag echter worden dat deze Europese grondrechten voor de Nederlandse bestuursrechter des te meer reden kunnen vormen voor een verdergaande, indringende toets.
Een en ander dient overigens niet te worden verward met de terughoudendheid die de burgerlijk rechter toepast, wanneer het gaat om de beoordeling van feitelijke handelingen voorafgaand aan het nemen van het bestuursrechtelijke besluit. Dergelijke feitelijke handelingen en voorbereidingshandelingen worden door de Nederlandse bestuursrechter in het algemeen toegerekend aan het besluit, waartegen bestuursrechtelijke rechtsbescherming open staat.42 In deze zin kan ook de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam van 16 maart 2015 worden begrepen.43 In deze zaak kwam een commissaris bij de burgerlijke rechter op tegen de feitelijke beslissing van de toezichthouder om een hertoetsingsonderzoek uit te voeren.44 De voorzieningenrechter beperkte zich tot een terughoudende redelijkheidstoets voor wat betreft het oordeel van de toezichthouder dat er sprake was van een “redelijke aanleiding” om tot hertoetsing over te gaan, nu de commissaris in kwestie nog op zou kunnen komen tegen een door de toezichthouder later (eventueel) te nemen besluit. Wel blijkt uit de uitspraak dat de burgerlijk rechter, net als de bestuursrechter, een “volle” toets uitvoert ten aanzien van zowel de feiten als de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder in dit geval in het bijzonder het vertrouwensbeginsel.