Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.6.5:2.6.5 Poging, voorbereiding en deelneming
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.6.5
2.6.5 Poging, voorbereiding en deelneming
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859101:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Bijzondere Commissie heeft tijdens het wetgevingsproces voorgesteld in het artikel tot uitdrukking te brengen dat ook het doen plaatsvinden of uitlokken van de handelingen tot onwaardigheid leidt.1 Zoals in paragraaf 2.6 naar voren is gekomen, is deze suggestie niet gevolgd. De verduidelijking dat verduisteren niet het strafrechtelijke begrip aanduidt, is niet nodig geacht, omdat de memorie van antwoord voldoende toelichting zou verschaffen.2 Hiermee wordt de onduidelijkheid echter onvoldoende weggenomen. De Bijzondere Commissie had de toevoeging immers niet enkel toegespitst op het verduisteren, maar ook op het vernietigen en vervalsen. Minister Polak merkt in de memorie van antwoord op dat hij de wet wenst te verduidelijken in de geest als door de Bijzondere Commissie aangegeven.3 Uit de parlementaire stukken kan nu onvoldoende duidelijk worden afgeleid of het doen plegen en uitlokken onder de bepaling moet worden verstaan en zo ja of deze gedragingen enkel gelden bij het verduisteren van een uiterste wil of tevens bij het vernietigen en vervalsen daarvan.
Ik pleit ervoor de bepaling uit te breiden en tevens te verduidelijken door op te nemen dat de poging tot evenals de deelneming aan de genoemde handelingen tot onwaardigheid leidt. De deelnemingshandelingen zijn dus niet beperkt tot doen plegen en uitlokking, zoals door de Bijzondere Commissie voorgesteld. Daaronder valt ook medeplegen en medeplichtigheid. Tijdens de parlementaire behandeling is gesteld dat medeplichtigheid aan het verduisteren, vernietigen of vervalsen van een uiterste wil zich moeilijk laat denken.4 Uitgesloten is het echter niet. Hetzelfde geldt voor medeplegen. Voorbereiding van een van deze handelingen is daarentegen wel minder goed voorstelbaar. Gelet op het voorgaande verdient het daarom aanbeveling artikel 4:3 lid 1 sub e BW als volgt te wijzigen:
hij die opzettelijk de uiterste wil van de erflater5 heeft verduisterd of vernietigd, dan wel de uiterste wil of een uiterste wilsbeschikking heeft vervalst of valselijk opmaakt, dan wel een poging tot of deelneming aan een dergelijk feit.
De invulling van de begrippen ‘poging tot’ en ‘deelneming’ is naar mijn mening, evenals bij de vierde onwaardigheidsgrond, niet beperkt tot een strafrechtelijke uitleg. Het gaat er ook hier om dat een persoon op ongeoorloofde wijze een bijdrage heeft geleverd aan een dergelijk feit of een begin heeft gemaakt aan een dergelijk feit.