Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/7.5.2
7.5.2 Toepassing van de convergentiecriteria
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS454082:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Handelingen II 1997/98, 74, p. 5488-5489.
Handelingen II 1997/98, 74, p. 5505.
Handelingen II 1997/98, 74, p. 5489.
Zie bijvoorbeeld: Handelingen II 1997/98, 74, p. 5490, 5503, 5531.
Handelingen II 1997/98, 74, p. 5511.
Handelingen II 1997/98, 75, p. 5644.
Handelingen II 1997/98, 74, p. 5541.
Handelingen II 1997/98, 74, p. 5538.
Zie bijvoorbeeld: Handelingen II 1997/98, 74, p. 5523.
Handelingen II 1997/98, 74, p. 5497.
Kamerstukken II 1997/98, 25107, 14; Handelingen II 1997/98, 74, p. 5537; Handelingen II 1997/98, 75, p. 5644.
Handelingen II 1997/98, 74, p. 5539.
Een belangrijker punt tijdens dit debat, dat ook al bij de parlementaire behandeling van het Stabiliteits- en Groeipact naar voren kwam, was de vraag hoe de convergentiecriteria moesten worden toegepast. Veelgehoorde kritiek tijdens het debat was dat de criteria in de toepassing versoepeld waren, waardoor landen aan de EMU zouden deelnemen die daar in de ogen van sommige Kamerleden nog verre van klaar voor waren. Zo stelde GPV-Kamerlid Van Middelkoop:
‘Zelden heeft in een debat de vertrouwensvraag zo centraal gestaan als vandaag. Is er vertrouwen in de noodzaak of wenselijkheid van toetreding van een elftal landen tot de derde fase EMU? Is er vertrouwen in de soliditeit van het financieel boekhouden in landen als Italië, Frankrijk, België? Is er vertrouwen in de kracht van de argumenten van de regering op grond waarvan zij onze instemming vraagt met het voornemen per 1 januari 1999 de finale monetaire stap te nemen, leidend tot de definitieve teloorgang van de gulden?’1
Ook VVD-fractievoorzitter Bolkestein liet er namens een van de coalitiepartijen geen misverstand over bestaan: ‘De criteria zijn […] niet zo strikt toegepast als mijn fractie had gewild […].’2
Kamerleden hadden, naast kritiek op de toepassing van de convergentiecriteria, ook bezwaren tegen de manier waarop sommige landen aan de gestelde criteria voldaan hadden, bijvoorbeeld door het nemen van eenmalige maatregelen. De vraag was daarom hoe duurzaam de vervulling van de criteria was. In de woorden van Van Middelkoop: ‘Een aantal landen heeft zich in de gekste bochten gewrongen om dit jaar met bevredigende cijfers te komen.’3 Met name de prestaties van Italië riepen in dit kader scepsis op. Dit leidde voor verschillende Kamerleden tot de conclusie dat de EMU toch vooral als een politiek project moest worden gezien en pas daarna op de financiële motieven moest worden beoordeeld.4
De regering nam over bovengenoemde kritiek een helder standpunt in:
‘Alle sprekers zijn ingegaan op de toepassing van de criteria. Het misverstand mag niet ontstaan dat de criteria niet correct worden toegepast. In het Verdrag van Maastricht was bewust enige flexibiliteit in de formuleringen van de criteria aangebracht. Er zijn allerlei gradaties aan te brengen. Men kan spreken van strikt, strikter en striktst en van flexibel, flexibeler en flexibelst. Wij kunnen er echter van uitgaan dat deze criteria op correcte wijze worden toegepast.’5
Toch bleken niet alle Kamerleden overtuigd door de standpunten van de regering. Een motie werd ingediend, om te voorkomen dat de regering zou instemmen met deelname van Italië aan de EMU.6 Die kreeg echter niet de steun van de meerderheid van de Tweede Kamer.7 Toch gaf ook de regering toe dat pas laat duidelijk werd welke landen zich zouden kwalificeren voor de start van de laatste fase van de EMU.8 Of de economische prestaties van de lidstaten ook op lange termijn houdbaar zouden zijn, moest daarom nog worden bezien. Zo stelde minister van Financiën Zalm over Italië, na het benadrukken van de positieve economische ontwikkelingen in dat land:
‘Niettemin is de conclusie van de Nederlandse regering, dat louter op basis van de resultaten tot 1997 het duurzaamheidsetiket er nog niet op geplakt kan worden. Duurzaam is natuurlijk per definitie een uitdrukking die toekomstgericht is. Hebben wij het over duurzaam, dan moet de situatie die bereikt is blijven.’9
Door de twijfels over de juiste interpretatie van de convergentiecriteria klonk tijdens het debat ook de roep om uitstel van de start van de derde fase van de EMU.10 Zelfs een van de coalitiepartijen stond hier positief tegenover. Zo stelde VVD-fractievoorzitter Bolkestein: ‘Mijn voorkeur zou nog steeds naar een paar jaar uitstel zijn gegaan, maar het is helaas onmogelijk. Wij staan voor een voldongen feit.’11 Doordat de aanvang van de derde fase in het Verdrag van Maastricht was geregeld en daarmee al was ingestemd, was het volgens sommigen niet langer mogelijk om de komst van de euro uit te stellen. Weliswaar werd nog een motie ingediend om uitstel te bewerkstelligen, maar die werd verworpen nadat de regering de motie ‘niet alleen ongewenst maar ook onuitvoerbaar’ noemde.12 Minister Zalm benadrukte in dit kader dat ‘het Nederlandse kabinet nooit heeft besloten dat wij uitstel wensen, noch zijn er namens de Nederlandse regering voorstellen gedaan terzake’.13