Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van toetsing van wetgeving (SteR nr. 1) 2010/II.4.4.3.2
II.4.4.3.2 Eerdere toetsingsuitspraken bij de civiele rechter
Joost Sillen, datum 01-07-2010
- Datum
01-07-2010
- Auteur
Joost Sillen
- JCDI
JCDI:ADS585979:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Paragraaf 4.4.3.1.
Zie echter de tekst bij nt. 529.
Dat in de bestuursrechtelijke procedure een ambt van de Staat en in de civiele procedure de Staat zelf partij is, maakt daarvoor niet uit (HR 17 december 2004, NJ 2005, 152, m.nt. TK; JB 2005, 32, m.nt. RJNS; AB 2005, 399, m.nt. FvO (OZB/Staat), r.o. 3.3.2).
Op bestuursrechterlijke verbindendverklaringen tussen dezelfde partijen is van toepassing: HR 17 december 2004, NJ 2005, 152, m.nt. TK; JB 2005, 32, m.nt. RJNS; AB 2005, 399, m.nt. FvO (OZB/Staat), r.o. 3.3.1. Op bestuursrechterlijke onverbindendverklaringen is van toepassing HR 18 februari 2005, AB 2005, 400, m.nt. FvO; JBPr 2005, 35, m.nt. C.N.J. Kortmann (Ziekte van Aujeszky), r.o. 3.5.
HR 18 februari 2005, AB 2005, 400, m.nt. FvO; JBPr 2005, 35, m.nt. C.N.J. Kortmann (Ziekte van Aujeszky), r.o. 3.5 (cursivering van mij, JS).
Vgl. Schutgens 2006, p. 101.
Die opvatting is opmerkelijk, omdat de Hoge Raad enkele jaren eerder nog van oordeel was, dat hij niet gebonden is aan de overeenstemmende of niet betwiste rechtsopvattingen van partijen over het objectieve recht (HR 6 februari 1998, NJ 1998, 569, m.nt. DWFV (BMW/Blok), r.o. 3.3).
Net zoals de bestuurs- en de strafrechter met dezelfde wettelijke voorschriften kunnen worden geconfronteerd, kan het ook voorkomen, dat de bestuursrechter en de civiele rechter hetzelfde voorschrift beoordelen. Ook voor die gevallen heeft de Hoge Raad taakverdelingsregels geformuleerd. Hij maakt daarbij een onderscheid tussen het geval, dat dezelfde partijen betrokken zijn bij de civiele procedure en het geval, dat een ander daarbij betrokken is. De civiele kamer van de Hoge Raad maakt – anders dan zijn strafkamer1 – geen onderscheid tussen belastende en ontlastende toetsingsuitspraken, maar tussen onverbindendverklaringen en verbindendverklaringen.2
i. Dezelfde partijen procederen bij de civiele rechter
Wanneer dezelfde personen in de civiele procedure partij zijn als in de bestuursrechtelijke procedure, geldt, dat de civiele rechter toetsingsuitspraken van de hoogste bestuursrechter moet overnemen.3 Daarbij is niet van belang of hij het voorschrift verbindend of onverbindendheid heeft geacht.4
ii. Een derde beroept zich op de bestuusrechterlijke toetsingsuitspraak
Welke regels van toepassing zijn als een ander zich bij de civiele rechter beroept op een onherroepelijke toetsingsuitspraak van de hoogste bestuursrechter, heeft de Hoge Raad beslist in Ziekte van Aujeszky.
‘Indien een bestuursorgaan dat die regeling heeft uitgevaardigd of met de uitvoering daarvan is belast in een bestuursrechtelijke procedure als partij betrokken was, en een burger, ongeacht of hij al dan niet partij was in de bestuursrechtelijke procedure, zich beroept op de in die procedure uitgesproken onverbindendheid van de regeling, is de rechtspersoon waarvan het bestuursorgaan deel uitmaakt in een daarna volgend civielrechtelijk geding daaraan gebonden in die zin dat deze zich niet op het standpunt kan stellen dat de regeling in de civielrechtelijke procedure voor verbindend moet worden gehouden. [...] Dit uitgangspunt voorkomt [...] dat de burgerlijke rechter en de bestuursrechter tot verschillende oordelen over dezelfde vraag komen. Dit moet uit een oogpunt van rechtsbescherming van de burger weliswaar worden aanvaard indien de bestuursrechter in een procedure waarin deze burger niet was betrokken, een regeling wel verbindend heeft geacht [...].’5
Als een derde zich beroept op een door de hoogste bestuursrechter uitgesproken onverbindendverklaring in een procedure waarbij dezelfde overheid partij is, dan staat ook voor civiele rechter de onrechtmatigheid van dat voorschrift vast. Meent de hoogste bestuursrechter echter, dat het aangevallen voorschrift wel verbindt, dan is de burgerlijke rechter bevoegd het voorschrift zelf te toetsen.
De Hoge Raad maakt in het geval, dat derden een beroep doen op een bestuursrechterlijke toetsingsuitspraak dus onderscheid tussen verbindend- en onverbindendverklaringen. Het onderscheid tussen bezwarende en ontlastende toetsingsuitspraken, zoals dat voor de strafrechter geldt, maakt de civiele kamer van de Hoge Raad niet expliciet. Toch is dat onderscheid ook voor de civiele rechter van belang in het geval, dat de bestuursrechter een wettelijk voorschrift onverbindend heeft verklaard.6 De wijze waarop volgens Ziekte van Aujeszky de binding van de civiele rechter aan de bestuursrechterlijke toetsingsuitspraak tot stand komt, is daarvoor bepalend:
In OZB/Staat beoordeelt de Hoge Raad een reeds door de bestuursrechter verbindend geacht voorschrift niet opnieuw, omdat hij hertoetsing zelf onwenselijk vindt. In Ziekte van Aujeszky – dat handelt over bestuursrechterlijke onverbindendverklaringen – echter bindt de civiele rechter niet zichzelf aan de bestuursrechterlijke toetsingsuitspraak, zoals in OZB/Staat, maar wordt hij daaraan – zo lijkt het – door een regel van quasi-bewijsrecht gebonden: als de burger zich beroept op een door de hoogste bestuursrechter uitgesproken onverbindendverklaring en de overheid die partij was bij die procedure, zich bij de civiele rechter niet op het standpunt mag stellen dat het voorschrift wel verbindt, staat voor de civiele rechter vast, dat het voorschrift niet verbindt. Kennelijk is de Hoge Raad van oordeel, dat hij aan de stelling dat het voorschrift niet verbindt, gebonden is, omdat de wederpartij – de overheid – haar niet betwist.7
Doordat binding aan de bestuursrechterlijke onverbindendverklaring op deze wijze tot stand komt, kan de burger ervoor kiezen of de civiele rechter zich conformeert aan de onverbindendverklaring van de bestuursrechter: het is immers aan hem om zich op die verklaring te beroepen. Het ligt niet voor de hand, dat hij daarvoor kiest, als de onverbindendverklaring voor hem belastend is.