Einde inhoudsopgave
De ex-werknemer (MSR nr. 83) 2023/6.6.1
6.6.1 De opkomst van de gepensioneerde
Vincent Gerlach, datum 10-11-2022
- Datum
10-11-2022
- Auteur
Vincent Gerlach
- JCDI
JCDI:ADS687272:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het door elkaar gebruiken van die woorden leidde nogal eens tot spraakverwarring, zie Kamerstukken I 2010/11, 31537, E, p. 14.
Zo ook: Rb. (pres.) Utrecht 1 mei 1986, KG 1986/257 (Belangengroep Pensioengerechtigden PGGM/PGGM): ‘In verband hiermede lijkt vooralsnog geïnstitutionaliseerde invloed van de gepensioneerden alleen mogelijk via de werknemers- (of werkgevers)organisaties’.
Kamerstukken II 1979/80, 15539, nr. 9, p. 3; E. Lutjens, Pensioenvoorzieningen voor werknemers, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1989, p. 379; G.R. Boshuizen, ‘Bestuurssamenstelling van pensioenfondsen’, P&P 1996/4, p. 14. Dit betrof artikel 29 PSW, zie nu artikel 100 lid 5 Pw. De beleidsregels van de toenmalige Verzekeringskamer hieromtrent worden geciteerd in E. Lutjens, De PSW: Wetshistorisch overzicht en commentaar, Deventer: Kluwer 1998, p. 89.
E. Lutjens, Pensioenvoorzieningen voor werknemers, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1989, p. 377-378; E. Lutjens, ‘Medezeggenschap bij pensioenfondsen’, S&V 1990, p. 9; P.M. Tulfer, Pensioenen, Deventer: Kluwer 1986, p. 40-41; G.A.M. Kramer, ‘Drie jaar medezeggenschap bij pensioenfondsen’, TPV 1993/4, p. 70; C.J. Kraaiveld, ‘Medezeggenschap bij pensioenfondsen’, TVVS 1990/5, p. 114.
H.G. Hagelen, ‘Pariteit in het bestuur van een ondernemingspensioenfonds’, Vb 1953, p. 234, meende dat de wet niet verlangde dat gepensioneerden benoembaar waren en vond dat ook niet wenselijk; G.R. Boshuizen, ‘Bestuurssamenstelling van pensioenfondsen’, P&P 1996/4, p. 8, stelde dat het Ministerie van SZW tot 1985 het standpunt innam dat gepensioneerden geen bestuurslid konden zijn.
Handelingen II 6 september 1972, 4127.
Aanhangsel Handelingen II 1967/68, 540.
SER-advies van 24 april 1987, Advies ex-deelnemers pensioenfondsen, nummer 1987/09.
Kamerstukken II 1987/88, 19008, nr. 11, p. 8. Ook R.M. Beltzer, ‘Zeggenschap van gepensioneerden’, SMA 2001/10, p. 473, stelt dat de sociale partners er nu eenmaal belang bij hebben de macht in eigen handen te houden.
A.T.J.M. Jacobs, Pensioenrecht, de sociaalrechtelijke en sociaalpolitieke aspecten, Deventer: Kluwer 2007, p. 167. Nypels noemde het later een historische vergissing te veronderstellen dat gepensioneerden hiermee genoegen zouden nemen, aldus zijn naschrift bij R. ten Wolde, ‘Deelnemersraad heeft langste tijd gehad’, PM 2003/12.
Deze verplichting leidde nog wel tot de vraag of het voldoende was om alleen het verbod op deelname door gepensioneerden af te schaffen, of dat ook het verbod op deelname door slapers moest worden afgeschaft. G.R. Boshuizen, ‘De gewezen deelnemer aan de pensioenregeling’, TPV oktober 1995, p. 92 en P.M. Tulfer, Pensioenen, fondsen en verzekeraars, Deventer: Kluwer 1997, p. 296-297, meenden dat laatste. Volgens Tulfer verzette de strekking van de wet zich er wel tegen dat slapers die waardeoverdracht hadden gepleegd tot bestuurslid zouden worden benoemd. Dit standpunt is later bevestigd in de parlementaire geschiedenis van de Pw: Kamerstukken II 2005/06, 30413, nr. 3, p. 169.
E. Lutjens, ‘Medezeggenschap bij pensioenfondsen’, S&V 1990, p. 9; F.H.W. Brouwer, ‘Medezeggenschap bij pensioenfondsen en -regelingen’, TPV juni 2001/3, p. 66; later ook Kamerstukken II 2007/08, 31537, nr. 3, p. 3. Voormalig minister Donner stelde echter: ‘Het is een misverstand dat evenwichtige belangenbehartiging zeggenschap voor iedereen impliceert’, Kamerstukken II 2009/10, 28294, nr. 37, p. 10. Vergelijk ook de overwegingen van Hof Amsterdam (OK) 18 september 2014, PJ 2014/158 (Deelnemersraad Pensioenfonds Dupont Nederland/Pensioenfonds Dupont Nederland).
Zo was het volgens Tulfer dus niet mogelijk dat een vereniging van gepensioneerden een zelfstandige bestuurszetel kreeg bij een bedrijfstakpensioenfonds: P.M. Tulfer, Pensioenen, fondsen en verzekeraars, Deventer: Kluwer 1997, p. 294. E. Lutjens en B. Wessels, Aanvullend pensioen, civiel- en sociaalverzekeringsrechtelijke hoofdzaken van aanvullende pensioenen in het bedrijfsleven, Deventer: Kluwer 1991, p. 39, wezen erop dat voor een eigen zetel voor gepensioneerden ontheffing nodig was op grond van artikel 29 PSW.
Nee aldus P.M. Tulfer, Pensioenen, fondsen en verzekeraars, Deventer: Kluwer 1997, p. 294 en p. 300; ja aldus E. Lutjens, ‘Medezeggenschap bij pensioenfondsen’, S&V 1990, p. 9.
Onder meer E. Lutjens, Pensioenvoorzieningen voor werknemers, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1989, p. 392; S. de Laat, ‘De medezeggenschap voor gepensioneerden in pensioenfondsen’, SR 1988/4, p. 115. A.J. Molendijk, ‘De positie van de werknemer op pensioengebied’, in: E.P. de Jong en B. Wessels, Pensioen is pensioen, opstellen aangeboden aan mr. J.W. Janssen, Alphen aan den Rijn: Samson Uitgeverij 1987, p. 70, pleitte als ‘eerste stap om ex-deelnemers inspraak te geven’ voor het openbaar maken van deelnemersvergaderingen.
C.Æ. Uniken Venema, ‘Pensioen- en spaarfondsen in de stichtingsvorm; de deelnemers en de uitkeringen van dergelijke stichtingen’, in: J.H. Christiaanse e.a. (red.), Tot vermaak van Slagter, feestbundel aangeboden aan prof. Mr. W.J. Slagter, ter gelegenheid van zijn 65e verjaardag, Kluwer: Deventer 1988, p. 338-339.
W.A. van Zelst, Pensioen- en spaarfondsenwet, Deventer: Uitgeverij Fed 1995, p. 45. R. ten Wolde, ‘De vergadering van deelnemers, een vergeten orgaan’, P&P 2002/6, p. 11, noemt deze niet wettelijke medezeggenschapsorganen, die vaak ook reüniedoeleinden dienden van voormalige collega’s, dan ook enigszins gekscherend ‘fondseigen folklore’.
Kamerstukken II 1987/88, 19008, nr. 24, p. 7. Volgens G. Kramer, ‘Drie jaar medezeggenschap bij pensioenfondsen’, TPV 1993/4, p. 71, konden ook de overkoepelende ouderenorganisaties een verzoek tot instelling indienen. Uit de parlementaire geschiedenis bleek niettemin dat er wel enige beperkingen werden gesteld aan welke verenigingen een verzoek mochten indienen: Kamerstukken II 1988/89, 19008, nr. 27, p. 7. Zie verder P.M. Tulfer, Pensioenen, fondsen en verzekeraars, Deventer: Kluwer 1997, p. 302 en E. Lutjens, ‘Medezeggenschap bij pensioenfondsen’, S&V 1990, p. 10-11.
Het was expliciet geen verplichting: Handelingen II 17 maart 1988, p. 59-3183.
Opvallend was dat de pensioengerechtigde nagelaten betrekkingen wel om oprichting konden vragen, maar niet konden plaatsnemen in de deelnemersraad: C.J. Kraaiveld, ‘Medezeggenschap bij pensioenfondsen’, TVVS 1990/5, p. 116.
Kamerstukken II 1988/89, 19008, nr. 253c, p. 7. De kort gedingrechter in Amsterdam achtte het in die tijd bij een ondernemingspensioenfonds niet in strijd met de wet dat verenigingen van gepensioneerden met meer leden dan de werknemersverenigingen, desondanks verhoudingsgewijs minder leden van de deelnemersraad mochten aanwijzen: Rb. Amsterdam (pres.) 21 februari 1991, niet gepubliceerd (Vereniging van Gepensioneerden KLM/Pensioenfonds KLM), kenbaar uit E. Lutjens, ‘Rechtspraak inzake pensioenen civiel- en arbeidsrecht’, TPV juli/augustus 1991, p. 69-70. G.A.M. Kramer, ‘Drie jaar medezeggenschap bij pensioenfondsen’, TPV 1993/4, p. 72, meende dat dit onjuist was en naar evenredigheid zou moeten geschieden.
De vormgeving van de (mede)zeggenschap van ex-werknemers bij pensioenfondsen valt het beste te begrijpen door de historische ontwikkeling te bezien. De (mede)zeggenschap bij pensioenfondsen is namelijk oorspronkelijk vormgegeven door middel van vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers in een paritair bestuur. Bij ondernemingspensioenfondsen kon daarbij ten gunste van de werknemers worden afgeweken van de pariteit. Gezien het feit dat het hier mede-beslissen betreft, kan de werknemersparticipatie in het bestuur worden betiteld als zeggenschap, maar vaak kwalificeerde men die zeggenschap toch als een vorm van medezeggenschap. De begrippen werden vroeger dan ook door elkaar heen gebruikt.1 Voor ex-werknemers bestond geen zelfstandig recht op bestuursdeelname; de werknemers(verenigingen) werden ook geacht hun vertegenwoordigers te zijn.2 Wel voorzag de wet in de mogelijkheid ontheffing te verlenen van de plicht tot paritaire samenstelling van het bestuur, wat met name zag op de situatie dat de werkgever(s) en werknemers waren opgehouden te bestaan, iets wat bijvoorbeeld gebeurde in de mijnbouw.3 Ook verbood de wet het niet dat ex-werknemers konden worden benoemd als onderdeel van de werknemersgeleding.4 Hoewel daarover vroeger enig verschil van mening bestond,5 gaf de wetgever later wel met zoveel woorden aan dat de wet die ruimte bood.6
Hoewel de medezeggenschap van ex-werknemers niet aan de orde lijkt te zijn gekomen bij de totstandkoming van de PSW, blijkt uit overleg over de AOW dat de wetgever er fundamentele bezwaren tegen zag.7 In 1968 gaven de samenwerkende organisaties van gepensioneerden in de overheidssector te kennen een eigen vertegenwoordiging te willen in de raad van toezicht van het ABP.8 Op dat moment kwam het echter niet verder dan een toezegging dat vertegenwoordigers bepaalde vergaderingen mochten bijwonen en meende toenmalig staatssecretaris Van Veen dat vertegenwoordiging door gepensioneerden eigenlijk niet paste bij de structuur van het ABP.9 In 1973 werd zonder succes getracht met het (verworpen) amendement Goudsmit (D66) een vertegenwoordiging door verscheidene gepensioneerdenorganisaties mogelijk te maken in de raad van toezicht van het ABP en het Spoorwegenpensioenfonds.10 Zo’n tien jaar later, in 1984, volgde een motie van D66-Kamerlid Nypels van vergelijkbare strekking, die door de regering werd ontraden en vervolgens ook werd verworpen.11
In 1985 bracht de Nederlandse Federatie voor Bejaardenbeleid de problematiek opnieuw onder de aandacht met een rapport en vond een gewillig oor bij hetzelfde Kamerlid Nypels.12 Deze ging over tot indiening van het wetsvoorstel Vertegenwoordiging gepensioneerden in pensioenfondsbesturen, nadat de staatssecretaris aangaf in het rapport geen aanleiding te zien tot een wetswijziging te komen.13 Volgens de staatssecretaris bood de wet al ruimte voor eventuele vertegenwoordiging door gepensioneerden.
Nypels verzette zich tegen deze gedachte omdat gepensioneerden voor hun eventuele vertegenwoordiging afhankelijk waren van medewerking door werknemers en werkgevers, wat in de praktijk erin resulteerde dat zij vrijwel nergens vertegenwoordigd waren. Het wetsvoorstel beoogde daarom gepensioneerden bij ondernemings- en bedrijfstakpensioenfondsen een afdwingbaar recht te geven op bestuursdeelname. Ook voorzag het voorstel in benoeming van gepensioneerden in de raad van toezicht van het ABP en Spoorwegenpensioenfonds. Om praktische redenen werd ervan afgezien slapers een recht op bestuursdeelname toe te kennen, aangezien deze groep geen bijzondere belangenorganisaties had en verblijfplaatsen vaak onbekend waren.14 Wel werd de mogelijkheid gecreëerd dat zij in het bestuur konden plaatsnemen.
In het advies over het wetsvoorstel was de Raad van State met name kritisch over de argumentatie om slapers de mogelijkheid te geven in besturen plaats te nemen. De afwezigheid van specifieke belangenorganisaties voor deze groep vond de Raad een belangrijke indicatie dat de behoefte aan vertegenwoordiging kennelijk niet groot was.15 De SER keerde zich tegen het volledige wetsvoorstel wegens fundamentele bezwaren tegen zeggenschap door ex-werknemers (zoals benoemd in paragraaf 6.2).16 De SER zag ook geen reden om, als alternatief, via medezeggenschap (een deelnemersraad) te voorzien in waarborging van belangen van ex-werknemers; kort gezegd vanwege een gebrek aan behoefte daaraan en de ruimte die de wet al bood aan partijen. Nypels deelde die kritiek niet en zag het vooral als weerstand van de gevestigde partijen tegen het afstaan van macht aan een nieuw opgekomen groep.17 Desondanks werd de wet tijdens het wetgevingstraject ingrijpend gewijzigd en bleek er geen Kamermeerderheid voor een recht op bestuursvertegenwoordiging door gepensioneerden. Wel bleek er een meerderheid voor het schrappen van bepalingen in statuten en reglementen die het bestuurslidmaatschap voor ex-werknemers verhinderden, de invoering van een recht op instelling van deelnemersraden waarin gepensioneerden konden participeren en de invoering van een klachtrecht voor die deelnemersraden.18 Daarnaast werd de verplichting ingevoerd dat pensioenfondsbesturen hun taak zo dienden uit te oefenen dat alle belanghebbenden zich door het bestuur op een evenwichtige wijze vertegenwoordigd konden voelen, het huidige artikel 105 lid 2 Pw. Gelet op de veranderde kern van het wetsvoorstel werd de naam dan ook veranderd in de Wet regeling medezeggenschap bij pensioenfondsen. Deze trad in werking op 1 maart 1990.
Jacobs sprak van een ‘surrogaat’ en dat was het ook.19 De verplichting voor pensioenfondsbesturen om te zorgen dat alle belanghebbenden zich op een evenwichtige wijze vertegenwoordigd kunnen voelen was gebaseerd op het amendement Paulis/Alders, welke Kamerleden meenden dat deze verplichting een oplossing langs andere weg was voor de afwezigheid van zeggenschap door gepensioneerden.20 Bestuursdeelname door gewezen deelnemers werd beschouwd als iets waartoe partijen vrijwillig dienden te komen, en de plicht tot het afschaffen van bepalingen in statuten en reglementen die dat verhinderden beoogde slechts het niet onmogelijk te maken.21 Je kunt je echter afvragen of belangenbehartiging van gepensioneerden door het bestuur daadwerkelijk mogelijk is zonder hun vertegenwoordiging daarin.22 Indien bestuursdeelname door gepensioneerden mogelijk werd gemaakt (passief kiesrecht), werden zij beschouwd als vertegenwoordigers van de werknemers(verenigingen).23 Ten aanzien van het actieve kiesrecht kende de PSW geen voorschriften. Die keuze was niet geheel gelukkig, omdat dit tot discussie leidde of de wet wel toeliet dat (verenigingen van) gepensioneerden werknemersvertegenwoordigers benoemden.24
Ook de deelnemersraad werd als minder verstrekkend gezien dan verplichte bestuursdeelname en daarom verenigbaar met de fundamentele bezwaren tegen een dergelijke deelname.25 In de praktijk waren al vóór de inwerkingtreding van de Wet regeling medezeggenschap bij pensioenfondsen diverse medezeggenschapsorganen ontstaan bij pensioenfondsen die onder meerdere namen bekend stonden, zoals de ledenraad, deelnemersraad, pensioenraad of vergadering van deelnemers.26 Bevoegdheden27 en samenstelling liepen zeer uiteen, waaronder het eventuele recht van ex-werknemers om in deze organen te mogen plaatsnemen, stemmen of spreken.28 Met inwerkingtreding van de wet kreeg de deelnemersraad een wettelijke grondslag met bepaalde adviesbevoegdheden, waaronder ten aanzien van wijzigingen van statuten en reglementen, waarvan de systematiek was geënt op de WOR.29 Een van de bijzonderheden was dat bij het besluit van het bestuur in hoeverre een advies zou worden opgevolgd, ook rekening moest worden gehouden met minderheidsadviezen. Dit diende de positie van ex-werknemers te versterken. De deelnemersraad kreeg daarnaast een klachtrecht bij de Verzekeringskamer indien de deelnemersraad meende dat het bestuur niet alle belangen evenwichtig had behartigd. Ook een minderheid van de deelnemersraad van ten minste 10% had dat klachtrecht, waardoor de ex-werknemers als specifieke geleding er ook gebruik van zouden kunnen maken. Oprichting werd bij ondernemingspensioenfondsen verplicht indien verzocht door ten minste 5% van de deelnemers, gewezen deelnemers en hun pensioengerechtigde nagelaten betrekkingen, en bij bedrijfstakpensioenfondsen indien verzocht door verenigingen die een dergelijk ledenaantal hadden. Die verenigingen konden zowel werknemersverenigingen zijn als verenigingen van gepensioneerden. Deze verenigingen konden bij ondernemingspensioenfondsen ook namens hun leden een verzoek doen tot instelling.30 Omdat gepensioneerden nu eenmaal geen deelnemers meer zijn, was de benaming ‘deelnemersraad’ overigens wel enigszins curieus.31
Bij bedrijfstakpensioenfondsen dienden de verenigingen naar evenredigheid van hun ledenaantallen binnen de deelnemersraad te zijn vertegenwoordigd, bij ondernemingspensioenfondsen dienden de werknemers en gepensioneerden naar evenredigheid te zijn vertegenwoordigd (met de mogelijkheid32 dat ook slapers konden plaatsnemen).33 De wijze waarop leden werden aangewezen, diende in de statuten en reglementen van het pensioenfonds te staan; meerdere opties waren mogelijk, zoals aanwijzing door werknemersverenigingen en verenigingen van gepensioneerden, of algemene verkiezingen.34