Totdat het tegendeel is bewezen
Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VI.7.3:VI.7.3 Naming en shaming
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VI.7.3
VI.7.3 Naming en shaming
Documentgegevens:
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS602087:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Doorenbos 2007, p. 91-94. Het HvJ heeft de openbaarmaking in de media van de hoogte van een mededingingsboete ooit met de onschuldpresumptie in strijd geacht. Dat betrof evenwel een bijzonder geval, waarin de informatie was gelekt nog voordat deze openbaar was, zie HvJ 18 september 2003, C-338/00 P (Volkswagen/EC).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De rechtspraak over dadelijke tenuitvoerlegging is ook van belang voor wat in de literatuur wel wordt aangeduid als naming and shaming, de punitieve openbaarmaking van een veroordeling of boetebesluit. Doorenbos meent dat artikel 6 lid 2 EVRM zich daartegen verzet.1 De openbaarmaking is zonder meer een uitlating die neerkomt op bejegening als schuldige. Dat is echter niet het springende punt. Het betreft immers een zelfstandige sanctie, die volgt op de procedurele vaststelling van schuld. Die vaststelling kan weliswaar geschieden door een bestuursorgaan, maar dat staat ook aan de verenigbaarheid van veel andere bestuurlijke sancties met de onschuldpresumptie niet in de weg. De vraag is derhalve vooral of die openbaarmaking ook daadwerkelijk plaats mag vinden voordat de schuldvaststelling onherroepelijk is geworden. Gelet op de in de vorige subparagraaf besproken rechtspraak beschouwt het EHRM het vermoedelijk als een proportionaliteitskwestie. De effectiviteit van de sanctie is bij directe executie gebaat, maar de schade die de betrokkene lijdt zal dikwijls niet volledig herstelbaar zijn. Beide zijn in de Straatsburgse rechtspraak relevante gezichtspunten. Het Hof heeft zich over dergelijke publicatie nog niet uitgelaten. De strijdigheid ervan met het artikel 6 lid 2 EVRM is daarom twijfelachtig.