Het nationale budgetrecht en Europese integratie
Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/3.2.3:3.2.3 Recht van initiatief
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/3.2.3
3.2.3 Recht van initiatief
Documentgegevens:
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS458894:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vellenga 1986, p. 186. Zie ook: Bovend'Eert & Kummeling 2017, p. 357.
Tegenbegrotingen ChristenUnie, D66, GroenLinks, PvdA en SP doorgerekend, CPB, 21 september 2011, https://www.cpb.nl/artikel/tegenbegrotingen-christenunie-d66-groenlinkspvda-en-sp-doorgerekend.
Warmelink 1993, p. 71.
Borman 2015, p. 149. In voetnoot 13 stelt Borman dat in de praktijk van dit initiatiefrecht, op één voorbeeld na, nooit gebruik is gemaakt. Zie over dit voorbeeld ook: Broeksteeg 2009, p. 340.
Zie par. 2.9.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Tweede Kamer heeft geen recht van initiatief bij begrotingsvoorstellen. Het recht van initiatief ligt op grond van artikel 105, tweede lid, Gw bij de regering. Desalniettemin proberen fracties van oppositiepartijen om op alternatieve wijze de inhoud van de begroting te beïnvloeden, namelijk door zelf met een tegenbegroting te komen. Hierin geeft die fractie weer welke keuzes er volgens haar gemaakt moeten worden en voor welke posten meer of juist minder geld dient te worden uitgetrokken. De eerste keer dat een fractie een tegenbegroting indiende, was in 1965 door de VVD, onder de naam plan-Joekes.1 De VVD wilde daarmee de overheidsuitgaven van het kabinet-Cals terugdringen, een onderwerp waarop dit kabinet ongeveer een jaar later viel.
Hoewel een tegenbegroting destijds nog een noviteit was, gaat tegenwoordig vrijwel geen enkele oppositiepartij meer de algemene beschouwingen en de begrotingsbehandelingen in zonder een dergelijk alternatief. Zo hadden in september 2011 tijdens kabinet-Rutte I van alle oppositiepartijen slechts de SGP- en de PvdD-fracties geen tegenbegroting opgesteld. Tevens hadden al deze partijen hun tegenbegroting laten doorrekenen door het CPB, om op die manier sterker te kunnen ageren tegen de plannen van het kabinet.2 Desondanks hebben tegenbegrotingen meestal geen financiële gevolgen, tenzij een fractie haar plannen omzet in een amendement en hier voldoende steun voor weet te vinden. Een tegenbegroting moet echter met name gezien worden als een middel voor de oppositie om zich af te zetten tegen de plannen van het kabinet.
Het recht van initiatief bestaat voor de Tweede Kamer wel ten aanzien van suppletoire begrotingswetten.3 Daarbij gelden immers de regels van het reguliere wetgevingstraject, waardoor de Tweede Kamer op grond van artikel 82, eerste lid, Gw wetsvoorstellen kan indienen. Suppletoire begrotingsvoorstellen vanuit de Tweede Kamer komen echter vrijwel nooit voor.4 Zulke voorstellen zijn in de praktijk vrijwel steeds afkomstig van de minister van Financiën, die ze tegelijkertijd met de Voorjaars- of Najaarsnota namens de regering bij de Tweede Kamer indient.5