Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/5.4.1.5
5.4.1.5 Nuttige onduidelijkheid
mr. mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715521:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld: Dupont 1979, p. 87.
Altena 2016, p. 39 en 141; Hörnle 2014, p. 135; Brouwer 1999, p. 193. Zie ook: Ashworth & Horder 2013, p. 79.
Brouwer 1999, p. 193 en 205; Duff 1998, p. 246, voetnoot 7.
Westen 2007, p. 237.
Brouwer 1999, p. 193.
Glazebrook 1969, p. 35, voetnoot 36. Zie in vergelijkbare zin: Waldron 1994, p. 535-536. Glazebrook zelf is het daar overigens (begrijpelijkerwijs) nadrukkelijk niet mee eens. Eveneens zeer kritisch: Van Kempen 2022, p. 394.
Altena 2019, p. 17-18; Altena 2016, p. 140; Claes 2004, p. 399. De grote straftoemetingsvrijheid van de rechter, die vanuit liberaal en communitaristisch oogpunt problematisch is, valt bijvoorbeeld goed te begrijpen vanuit functionalistisch oogpunt (Kelk 1987, p. 259).
Ashworth 1991, p. 439-440.
Altena 2016, p. 140.
Altena 2016, p. 140.
Reijntjes 1977, p. 423. Zie ook §2.4.4.
Uit het voorgaande lijkt te volgen dat willekeurig, onvoorzienbaar en onberekenbaar ingrijpen per definitie niet doelmatig kan zijn.1 Dat standpunt is echter iets te stellig. Een zekere mate aan rechtsonzekerheid zou volgens sommige auteurs juist nuttig kunnen zijn, in het bijzonder als het gaat om preventie.2 Als twijfel en onduidelijkheid over de grenzen van aansprakelijkheid voor risico van de burger komen, kan dat er volgens hen voor zorgen dat burgers extra voorzichtig handelen.3 Het zou hen er zelfs van kunnen weerhouden gedragingen te verrichten die zich nog maar in de periferie van het strafbare feit bevinden.4 Gebrekkige kennis over de grenzen van een strafbepaling kan op die manier paradoxaal genoeg een betere naleving tot gevolg hebben en in die zin voor een effectiever en efficiënter strafrecht zorgen.5 Het door liberalen (terecht) zo verfoeide chilling effect heeft vanuit dit perspectief dus ook een praktische kant die men vanuit functionalistisch oogpunt als voordelig kan beschouwen. Glazebrook citeert ter illustratie Stephen, die zelfs de stelling inneemt dat het onwenselijk is om de grens tussen (de in Engeland straffeloze) voorbereiding en poging scherp af te bakenen:
“There is more harm than good in telling people precisely how far they may go without risking punishment in the pursuit of an unlawful object.”6
Het spreekt voor zich dat uit het bovenstaande citaat een visie op de verhouding tussen staat en burger en de functie van het strafrecht blijkt die bepaald niet iedereen – ook niet alle functionalisten onderling – zal delen. Het doel van het citaat is echter vooral om te laten zien dat er ook een keerzijde bestaat aan het streven naar meer duidelijkheid, waarvoor juristen vaak minder oog hebben. Het werpt de provocatieve stelling op dat vage normen rechtsgoederen onder omstandigheden wellicht beter kunnen beschermen dan duidelijke normen. In vergelijkbare zin wijst ook de wetgever op het gevaar dat al te scherp afgebakende wetgeving eenvoudig mazen kan bevatten.7 Vage normen zijn doorgaans inderdaad flexibeler, waardoor ze ook minder snel verouderen.8 Scherper afgebakende wetgeving moet daarentegen steeds door de wetgever worden aangepast aan gewijzigde omstandigheden en veranderde opvattingen.9 Dat kost veel tijd en geld.10 Dat wil uiteraard niet zeggen dat vanuit functionalistisch oogpunt naar onduidelijke wetgeving moet worden gestreefd, maar wel dat steeds een belangenafweging moet plaatsvinden tussen voorzienbaarheid en bijvoorbeeld flexibiliteit en toekomstbestendigheid.11 In veel gevallen zal het belang van voorzienbaarheid voorgaan, maar in uitzonderlijke gevallen is het niet ondenkbaar dat voor sommigen het belang van flexibiliteit uiteindelijk zwaarder zal wegen. Dat zou volgens sommige auteurs met name het geval zijn bij delicten zoals samenspanning, waarbij meerdere deelnemers zijn betrokken en waar dus een grotere dreiging van zou uitgaan.12