Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/6.3.1
6.3.1 Literatuur
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS297970:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Wessels 1989, p. 37; Sterk 1994, p. 262-264; Klaassen 1991, p. 89-90; Lubach 2005, p. 290, 299-300; Tjong Tjin Tai in zijn NJ-noot onder het Loretta-arrest; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015/230; Spier e.a. 2015/130; Bauw 2015, p. 16.
Spier e.a. 2015/130; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015/199 en 230.
Wessels 1989, p. 33-38, 46-59. Zie ook Vranken 1988, p. 253, die ervan spreekt dat in art. 6:181 ten onrechte de beroepsuitoefening niet is genoemd. Vgl. over de verwatering van het onderscheid tussen bedrijf en beroep ook de NJ-noot van Wachter onder HR 2 april 1982, NJ 1983/429, m.nt. Wachter (NCB/KvK), alsmede Mohr en Meijers 2013, p. 74-79.
Lubach 2005, p. 290, 299-300. Zo ook Keijzer en Oldenhuis, TVP 2011, p. 99.
Lubach 2005, p. 308. Zie ook Sterk 1994, p. 262-264.
Bauw 2015, p. 16, 80.
Annotatie Loretta-arrest, NJ 2011/405, sub 3d.
Uit de literatuur blijkt eenstemmigheid over het feit dat de term ‘bedrijf’ in de zin van art. 6:181 een ruime uitleg toekomt.1 Men is het er voorts over eens dat, in lijn met de wetsgeschiedenis, ook het ‘beroep met bedrijfsmatige trekken’ en het ‘overheidsbedrijf’ onder het bedrijfsbegrip van art. 6:181 vallen. De vingerwijzingen in de totstandkomingsgeschiedenis, dat een winstoogmerk noch de rechtsvorm in dit verband beslissend is, zijn daarbij door de literatuur opgepakt. Wat de diverse commentaren verder laten zien is dat, eveneens in lijn met de wetsgeschiedenis, het bedrijfsbegrip van art. 6:181 veelal tezamen wordt besproken met dat van art. 6:171. Hierbij wordt in relatie tot zowel art. 6:171 als art. 6:181 gewezen op ‘overzichtelijkheid’ of de ‘eenheidsgedachte’: de benadeelde moet steeds op eenvoudige wijze kunnen vaststellen wie hij tot schadevergoeding kan aanspreken. Of de schade nu is veroorzaakt door een fout van een persoon die bij de betreffende activiteiten is ingeschakeld (art. 6:171 en ook 170) of door het falen van daarbij gebruikte zaken (art. 6:181), de benadeelde moet in het ‘bedrijf’ steeds hetzelfde, centrale aanspreekpunt vinden. Deze gedachte, zo wordt wel aangenomen, gaat niet enkel op voor het ‘bedrijf’ in traditionele zin maar heeft onder omstandigheden – breder – eveneens gelding voor bepaalde beroepsbeoefenaren en ook de overheid. Tot zover sluiten de meningen in de literatuur over de interpretatie van het bedrijfsbegrip van art. 6:181 in algemene zin aardig op elkaar aan. Wanneer het aankomt op een nadere afbakening van het bedrijfsbegrip van art. 6:181, lopen de meningen echter uiteen.
Waar een aantal auteurs meent dat het vrije beroep (in tegenstelling tot het beroep met bedrijfsmatige trekken) en ook de klassieke overheid (in tegenstelling tot het overheidsbedrijf) buiten het bedrijfsbegrip van art. 6:181 (en ook art. 6:171) vallen,2 houden sommigen er een ruimere opvatting op na. Zo heeft Wessels, die het bedrijfsbegrip van art. 6:181 eveneens in samenhang met dat van art. 6:171 bespreekt, al vóór de invoering in 1992 van afd. 6.3.2 BW het maken van een onderscheid tussen beroep en bedrijf sterk bekritiseerd. Zijns inziens gaan de argumenten uit de wetsgeschiedenis voor aansprakelijkheid van een ‘bedrijf’ (eenheidsgedachte, profijtbeginsel, schadespreiding) net zo goed op ingeval een ‘beroep’ wordt uitgeoefend.3 Lubach zit, zij het vooral in het kader van art. 6:171, ook op dit spoor. Hij meent dat het onderscheid tussen beroep en bedrijf in de door de wetgever bedoelde zin is vervaagd en als ‘achterhaald’ heeft te gelden.4 Lubach meent bovendien dat de overheid in het algemeen – en dus niet enkel het overheidsbedrijf – eveneens onder het ‘bedrijfsbegrip’ van art. 6:171 en ook art. 6:181 begrepen kan worden. Ook de overheid beweegt zich volgens Lubach namelijk als ‘een eenheid’ in het maatschappelijk verkeer.5 Over de positie van het vrije beroep en de klassieke overheid – hoe deze zich ook precies mogen onderscheiden van respectievelijk het beroep met bedrijfsmatige trekken en het overheidsbedrijf – bestaat in relatie tot art. 6:181 dus geen eenstemmigheid. Eens lijkt men het in de literatuur weer wel te zijn over de in relatie tot art. 6:181 veelal afzonderlijke genoemde eigensoortige organisaties als ziekenhuizen, onderwijsinstellingen, (‘grote’) stichtingen en verenigingen en (andere) non-profit organisaties: omdat een winstoogmerk niet beslissend wordt geacht en evenmin de rechtsvorm waarin de activiteiten zijn ondergebracht, worden zij doorgaans geacht een ‘bedrijf’ te kunnen uitoefenen in de zin van art. 6:181 (en art. 6:171).6 Afzonderlijke vermelding verdient nog Tjong Tjin Tai, die blijkens zijn NJ-noot onder het Loretta-arrest, onder verwijzing naar de al genoemde oratie van Wessels, eveneens van mening is dat het onderscheid tussen beroep en bedrijf ‘tegenwoordig’ niet veel steun meer lijkt te genieten. Tjong Tjin Tai acht het verdedigbaar dat ‘bedrijf’ in de zin van art. 6:181 ook omvat wat men vroeger wel als ‘beroep’ aanmerkte. Hij voegt daaraan nog toe dat ‘bedrijf’ zijns inziens daarbij dan tegenover ‘consument’ of ‘particulier’ staat.7 Hiermee lijkt Tjong Tjin Tai van alle auteurs de meest ruime uitleg van het bedrijfsbegrip van art. 6:181 voor te staan: ‘bedrijfsmatig’ handelen zou niet enkel ook beroepsmatig handelen omvatten, maar – breder – in feite neerkomen op ieder ‘niet-particulier’ handelen. Daaronder lijkt dan ook integraal de overheid begrepen te kunnen worden.