Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/4.4.3:4.4.3 Het ontstaan van de niet-ontvankelijkheidsverklaring vanwege vervolgingsbeletselen
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/4.4.3
4.4.3 Het ontstaan van de niet-ontvankelijkheidsverklaring vanwege vervolgingsbeletselen
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946109:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De mogelijkheid om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren heeft tegenwoordig een prominente rol in de rechtspraktijk, maar dat is niet steeds zo geweest. Zo bevatte het Wetboek van Strafvordering uit 1838 geen wetsartikel dat expliciet de mogelijkheid bood om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging. In 1840 oordeelde de Hoge Raad desondanks dat vanwege verjaring van een strafbaar feit het openbaar ministerie wel degelijk niet-ontvankelijk diende te worden verklaard.1 De mogelijkheid daartoe is pas bij de herziening van het Wetboek van Strafvordering in 1886 wettelijk verankerd in (het toenmalige) art. 216 lid 3 Sv.2 De wetgever heeft sindsdien vastgehouden aan de mogelijkheid voor de rechter om het openbaar ministerie niet ontvankelijk te verklaren. Dit is thans geregeld in art. 348 en 349 Sv. Het eerstgenoemde artikel schrijft hierbij voor dat de rechter in elke strafzaak de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ambtshalve onderzoekt en het laatstgenoemde artikel biedt de grondslag voor de niet-ontvankelijkheidsverklaring in het geval daartoe aanleiding bestaat. Hierna gaat aandacht uit naar het scala aan vervolgingsbeletselen dat in de loop der tijd een plaats heeft gekregen in het Nederlandse strafbestel.