Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/3.3.2.1
3.3.2.1 Het Vandoorne-arrest
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS500326:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
De bijzondere regeling voor tabaksproducten hield in dat, in afwijking van de hoofdregel om btw te heffen in iedere schakel van de productie- en distributieketen, btw enkel in de eerste schakel van de bedrijfskolom werd geheven. Deze regeling betrof een op grond van art. 27 Zesde richtlijn (thans art. 394 en art. 395 Btw-richtlijn) gebaseerde antimisbruik- en vereenvoudigingsmaatregel. Opvallend is dat aan de Nederlandse regeling nimmer de bestrijding van fraude ten grondslag lag; zij was enkel gestoeld op het streven om de heffing van btw te vereenvoudigen (Kamerstukken II 1952/53, 2602, nr. 3, p. 21 (MvT)).
R.o. 27 e.v.
Zie ook het voorbeeld in paragraaf 2.4.6.
Dit neemt niet weg dat toepassing van art. 11 C lid 1 Zesde richtlijn (art. 90 lid 1 Btw-richtlijn) ertoe kan leiden dat de belastingopbrengst bezien vanuit de gehele bedrijfskolom minder kan zijn dan 70, hetgeen weer anders ligt als bij de afnemer een compenserende heffing plaatsvindt (in een correctie van de voorbelasting) op grond van art. 20 lid 1 onderdeel b Zesde richtlijn (art. 185 Btw-richtlijn), waarbij ik de waarschijnlijkheid dat een dergelijke compenserende heffing in de praktijk vanwege de financiële toestand van de debiteur vaak geen effect zal sorteren buiten beschouwing laat. De compenserende heffing (art. 185 Btw-richtlijn) staat centraal in paragraaf 5.3.2 van dit proefschrift. De samenhang tussen art. 90 en art. 185 Btw-richtlijn behandel ik in hoofdstuk 7.
Toepassing van art. 11 C lid 1 Zesde richtlijn kan wel effect hebben op de belastingopbrengsten voor de lidstaat in de gehele bedrijfskolom, tenzij bij de failliet een – in mijn ogen dan noodzakelijke – corresponderende terugbetalingsverplichting overeenkomstig art. 20 lid 1 onderdeel b Zesde richtlijn (art. 185 Btw-richtlijn) zou ontstaan.
In gelijke zin: de redactie van de Vakstudie Nieuws in haar commentaar bij het Vandoorne-arrest (V-N 2011/11.19).
Zeker als bij de afnemer-ondernemer geen compenserende heffing bestaat of deze geen effect sorteert.
R.o. 42.
Vandoorne is een groothandelaar in tabaksproducten. Zij handelde als tussenpersoon voor enerzijds fabrikanten en invoerders van tabaksproducten en anderzijds kleinhandelaren. Vandoorne werd geconfronteerd met een failliete klant. Een uitkering uit het faillissement aan Vandoorne lag niet in het verschiet, zodat de schuldvordering van Vandoorne op de klant als definitief verloren moest worden beschouwd. Vandoorne vroeg vervolgens de in de schuldvordering begrepen btw van de Belgische belastingdienst terug. Vandoorne deed hierbij een beroep op de nationale pendant van art. 90 lid 1 Btw-richtlijn. De belastingdienst weigerde de teruggaaf echter, omdat slechts recht op teruggaaf bestond van btw die eerder was geheven ter zake van een levering van goederen. Omdat, net als voorheen in Nederland het geval,1 tabaksproducten in België afwijkend in de btw-heffing werden betrokken, had niet Vandoorne de in de schuldvordering begrepen btw aan de schatkist voldaan, maar waren het de tabaksfabrikanten of invoerders van tabak geweest die de btw aan de belastingdienst hadden betaald.2 Dit gebeurde gelijktijdig met de heffing van accijnzen, die verschuldigd werd bij de aanschaffing van fiscale bandjes (ook wel accijnszegels genoemd). De btw en de accijns dienden te worden voldaan uit de (vaste) consumentenprijs (ook wel kleinhandelsprijs genoemd). In andere schakels van de productie- en distributieketen was dan geen btw verschuldigd, maar er bestond ook geen recht op aftrek van btw. De relevante facturen maakten daarom melding van: ‘btw voldaan bij de bron en niet aftrekbaar’. Zodoende werd het btw-bedrag steeds volledig, als onderdeel van de prijs, doorbelast in de bedrijfsketen, zo ook aan Vandoorne.
De zaak belandde bij het HvJ, waar de vraag rees of toepassing van de speciale regeling voor tabaksproducten meebracht dat Vandoorne het recht op teruggaaf van btw kon worden ontzegd bij niet-betaling van de prijs. In zijn arrest gaat het HvJ allereerst in op de toelaatbaarheid van de door België gehanteerde regeling.3 Het hof brengt in herinnering dat vereenvoudigings- c.q. antimisbruikmaatregelen enkel mogen afwijken van de reguliere regels omtrent de maatstaf van heffing (dit is in wezen wat de regeling behelst), indien de maatregelen strikt noodzakelijk zijn om het doel (vereenvoudiging en antimisbruik) te bereiken en zo weinig mogelijk afbreuk doen aan de doeleinden en beginselen van de richtlijn. In dat verband memoreert het HvJ dat maatregelen, die een noemenswaardige invloed kunnen hebben op het bedrag van de belasting die in het stadium van het eindverbruik verschuldigd is, niet zijn toegestaan. Het HvJ overweegt vervolgens:
“31. In bepaalde omstandigheden (…) kan de fabrikant of de invoerder, in het kader van een regeling zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, echter ertoe worden verplicht, een hoger bedrag aan btw af te dragen dan wanneer het geharmoniseerde gemeenrechtelijke stelsel inzake de heffing van de btw van toepassing zou zijn, waarbij de loutere mogelijkheid dat dergelijke omstandigheden zich voordoen, echter niet volstaat om aan te nemen dat deze regeling een noemenswaardige invloed zou kunnen hebben op het belastingbedrag dat in het stadium van het eindverbruik verschuldigd is (…). Een vereenvoudigingsmaatregel impliceert naar zijn aard immers een meer globale aanpak dan de regel die hij vervangt, en stemt derhalve niet noodzakelijk overeen met de exacte situatie van iedere belastingplichtige (…).”
Bijgevolg voldoet de betreffende regeling volgens het HvJ aan de hiervoor geschetste criteria.
Ik kan het HvJ volgen in zijn redenering. Bij een volmaakte toepassing heeft de speciale regeling voor tabaksproducten namelijk geen enkele invloed op de belastingopbrengst voor de schatkist in het stadium van eindverbruik. Dit laat zich het best illustreren aan de hand van een eenvoudig getallenvoorbeeld.
Voorbeeld 3.1
In de productie- en distributieketen kan de reguliere belastingheffing (rekening houdend met een btw-tarief van 20%) als volgt worden geïllustreerd:4
Verkoop
Verschuldigde btw (A)
Verkoopfactuur
Inkoop
Te vorderen btw (B)
Inkoopfactuur
Afdracht (A-B)
A
100
20
120
0
0
0
20
B
250
50
300
100
20
120
30
C
300
60
360
250
50
300
10
D
350
70
420
300
60
360
10
E
0
0
420
0
Totale btw-afdracht:
70
In dit voorbeeld betreft A de fabrikant van sigaretten en betreft D de kleinhandelaar. B en C zijn groothandelaren. De totale belastingdruk bedraagt 70. De kleinhandelsprijs bedraagt 420. Ook bij faillissement van ondernemer C zou de kleinhandelsprijs 420 en de uiteindelijke belastingopbrengst in het stadium van eindverbruik (dat wil zeggen: bij de particuliere consument) 70 blijven bedragen, zulks ongeacht de toepassing van art. 11 C lid 1 Zesde richtlijn (thans: art. 90 lid 1 Btw-richtlijn).5
In het vereenvoudigde systeem gaat de heffing als volgt:
Verkoop
Verschuldigde btw (A)
Verkoopfactuur
Inkoop
Te vorderen btw (B)
Inkoopfactuur
Afdracht (A-B)
A
100
70
170
0
0
0
70
B
320
0
320
170
0
170
0
C
370
0
370
320
0
320
0
D
420
0
420
370
0
370
0
E
0
0
420
0
Totale btw-afdracht:
70
Ook hier bedraagt de belastingopbrengst in het stadium van eindverbruik 70. Wederom zou het faillissement van ondernemer C aan de belastingdruk in het stadium van eindverbruik niet afdoen, ook niet als aan ondernemer B een teruggaaf van btw zou worden verleend op grond van art. 11 C lid 1 Zesde richtlijn.6 De bijzondere regeling wijkt dus in zoverre af van het reguliere btw-systeem dat het tijdstip waarop de belasting in de bedrijfskolom verschuldigd wordt, wordt vervroegd.
Dan komt het HvJ toe aan de vraag in hoeverre art. 11 C lid 1 Zesde richtlijn toepassing vindt. Het HvJ overweegt:
“38. Aangezien leveranciers die als tussenpersoon handelen, in deze omstandigheden geen btw over de leveringen van tabaksfabrikaten hoeven te betalen, kunnen zij geen aanspraak maken op teruggaaf ervan op grond van artikel 11, C, lid 1, van de Zesde richtlijn in geval van niet-betaling van de prijs van deze leveringen door de afnemer.
39. In dit opzicht is het niet relevant dat het bedrag aan btw dat door de fabrikant of de invoerder bij de bron is voldaan door middel van fiscale bandjes, uit economisch oogpunt is begrepen in de prijs van de leveringen aan deze leveranciers. Dit gegeven doet immers niet af aan het feit dat deze leveranciers volgens de btw-regels geen enkele belastingschuld hebben.
40. Aangezien bij een regeling van vereenvoudigde heffing van de btw zoals die in het hoofdgeding, het bedrag aan btw die door middel van fiscale bandjes is voldaan door de fabrikant of de invoerder, niet gerelateerd is aan de door elke leverancier daadwerkelijk ontvangen tegenprestatie, maar (…) aan de prijs van de producten in het stadium van het eindverbruik, wordt de maatstaf van heffing bovendien niet verlaagd door het verlies van de schuldvordering van een leverancier die, zoals in het hoofdgeding, als tussenpersoon handelt, jegens zijn medecontractant.
41. Derhalve dient te worden vastgesteld dat teruggaaf aan een dergelijke leverancier die als tussenpersoon handelt, van btw in geval van niet-betaling, door de afnemer, van de prijs van de leveringen van tabaksfabrikaten, anders dan als voorwaarde is gesteld in artikel 27, lid 1, van de Zesde richtlijn, een noemenswaardige invloed zou hebben op het bedrag van de belasting dat in het stadium van het eindverbruik verschuldigd is en bijgevolg op de in dat stadium geheven belastingopbrengsten van de lidstaat. Dit zou temeer het geval zijn, wanneer het verzoek om teruggaaf van de btw zou slaan op het volledige bedrag dat is betaald door de fabrikant of invoerder van de tabaksfabrikaten, aangezien de door hen vervroegd betaalde belasting volledig drukt op de prijs die elke leverancier die als tussenpersoon handelt, aan zijn medecontractant in rekening brengt.”
Het HvJ hanteert hiermee een strikte richtlijninterpretatie. Volgens het HvJ bestaat alleen dan recht op teruggaaf – opvallend genoeg wordt niet gesproken over vermindering van de maatstaf van heffing (waarover meer in paragraaf 3.3.4) – als de leverancier zelf een belastingschuld had en dus verplicht was om btw te betalen. Daarmee is de (economische) schade voor Vandoorne gelijk aan haar verkoopfactuur, inclusief de gehele btw-component.
De vraag rijst of de door het HvJ ingeslagen weg de juiste is. Op verschillende elementen in de redenering van het HvJ valt namelijk wat af te dingen. Allereerst heb ik moeite met de overweging van het HvJ dat de maatstaf van heffing niet wordt verlaagd. De overweging impliceert namelijk dat er een maatstaf van heffing is, hetgeen mij onjuist voorkomt: vanwege de bijzondere regeling voor tabaksproducten ontbreekt nou net een maatstaf van heffing. Daarnaast lijkt sprake te zijn van een drogreden. Wat het HvJ in wezen zegt is dat er geen recht op teruggaaf van btw bestaat (lees: de maatstaf van heffing niet wordt verlaagd), omdat de maatstaf van heffing niet wordt verlaagd. Ook de conclusie die het HvJ hieraan verbindt kan mij niet overtuigen.7 Het HvJ overweegt namelijk dat een teruggaaf van btw een noemenswaardige invloed zou hebben op het bedrag van de belasting dat in het stadium van eindverbruik verschuldigd is en bijgevolg op de in dat stadium geheven belastingopbrengsten van de lidstaat. Dit is om meerdere redenen opvallend. Ten eerste, omdat in het stadium van eindverbruik geen belasting wordt geheven. Ten tweede, omdat een teruggaaf van btw tot eenzelfde resultaat leidt als de situatie waarin btw op de reguliere wijze wordt geheven. Hoewel een teruggaaf van de btw – vanzelfsprekend – invloed kan hebben op de belastingopbrengsten voor een lidstaat,8 mag dit in mijn optiek geen argument zijn. De btw-druk in het stadium van eindverbruik blijft immers gelijk. In voornoemd voorbeeld betaalt de consument namelijk 420, waarin een btw-component van 70 besloten ligt. Zodoende wordt consumptie gewoon belast. Dit is ook het geval in een standaardsituatie. De overweging van het HvJ dat niet uit te sluiten valt dat de tabaksproducten in strijd met het beginsel van het gemeenschappelijke btw-stelsel worden verbruikt, zonder dat de verschuldigde btw geheel of gedeeltelijk aan de schatkist is betaald,9 vind ik dan ook alles behalve sterk. Ter illustratie bovengenoemde voorbeelden met daarin de teruggaaf van btw verwerkt bij ondernemer B (ondernemer C was immers failliet):
Voorbeeld 3.2
Reguliere situatie:
Verkoop
Verschuldigde btw (A)
Verkoopfactuur
Inkoop
Te vorderen btw (B)
Inkoopfactuur
Afdracht (A-B)
A
100
20
120
0
0
0
20
B
250
50-50
300
100
20
120
-20
C
300
60
360
250
50
300
10
D
350
70
420
300
60
360
10
E
0
0
420
0
Totale btw-afdracht:
20
Bijzondere regeling voor tabaksproducten:
Verkoop
Verschuldigde btw (A)
Verkoopfactuur
Inkoop
Te vorderen btw (B)
Inkoopfactuur
Afdracht (A-B)
A
100
70
170
0
0
0
70
B
320
0-50
320
170
0
170
-50
C
370
0
370
320
0
320
0
D
420
0
420
370
0
370
0
E
420
420
0
Totale btw-afdracht:
20
Zoals uit deze voorbeelden blijkt, zou een teruggaaf in het bijzondere systeem voor tabaksproducten tot een net zo hoge belastingopbrengst voor een lidstaat leiden als in een reguliere bedrijfskolom het geval zou zijn, mits de teruggaaf van btw naar evenredigheid aan de verkoopprijs plaatsvindt en niet gelijk is aan de aanvankelijke afdracht door de fabrikant of importeur. Het weigeren van een teruggaaf betekent in mijn optiek dan ook dat ondernemer B in het bijzondere systeem onterecht wordt benadeeld. Het zijn immers economisch gelijke gevallen. In zoverre staat de uitspraak naar mijn smaak op gespannen voet met het rechtskarakter van de btw (in het bijzonder het neutraliteitsbeginsel). Zonder teruggaaf ondervindt ondernemer B duidelijk hinder van de btw-wetgeving. Dit zou anders zijn wanneer wel een recht op teruggaaf van btw zou bestaan. Dat de schatkist het dan zou moeten ontgelden, zou vervolgens weer kunnen worden voorkomen wanneer art. 20 lid 1 onderdeel b Zesde richtlijn (art. 185 Btw-richtlijn) zo zou kunnen worden uitgelegd dat zij in een correctiemogelijkheid c.q. terugbetalingsverplichting zou voorzien aan de zijde van de niet-betalende ondernemer, in bovenbedoelde voorbeelden ondernemer C.
Hoe het ook zij, het HvJ is resoluut: voor een correctie is geen plaats. Het HvJ lijkt daarbij vooral waarde te hechten aan de (letterlijke) tekst van de relevante richtlijnbepalingen. Art. 11 C lid 1 Zesde richtlijn stelt immers dat de maatstaf van heffing wordt verlaagd, bij gebreke waarvan überhaupt geen teruggaaf van btw kan plaatsvinden. Dit maakt dat een verwijzing naar het neutraliteitsbeginsel Vandoorne waarschijnlijk niet had kunnen baten. Zoals opgemerkt in paragraaf 2.3.2.2 kan het HvJ het neutraliteitsbeginsel namelijk alleen aanwenden, indien voor zover het dient als uitleggingsbeginsel; het is geen beginsel van primair recht, waaraan geldigheid van de Btw-richtlijn kan worden getoetst. Omdat de tekst van de relevante bepalingen (in het bijzonder art. 11 C lid 1 Zesde richtlijn) voldoende helder lijkt te zijn, lijkt voor toepassing van dit beginsel in casu (helaas) geen rol te zijn weggelegd, hetgeen de torsie met het rechtskarakter van de btw uiteraard onverlet laat.
De genadeklap voor Vandoorne komt met de overweging van het HvJ dat met een teruggaaf het gevaar zou bestaan dat zowel de heffing van btw als fraude en misbruik in de hand worden gewerkt. Het HvJ stelt dat de sigarettenmarkt zich namelijk bij uitstek leent voor de ontwikkeling van illegale handel. Dit fraudeargument wordt verder niet door het HvJ onderbouwd. Wellicht dat de gedachte is dat tabaksfabrikaten, nadat ze zijn geproduceerd, een verhoogde kans hebben om in het zwarte circuit te geraken en dat het daarom voorkeur verdient om alle btw reeds in het begin van het productie- en distributieproces te heffen. Toch vind ik ook dit argument weinig overtuigend. In paragraaf 2.4.4.2, waarin ik ben ingegaan op de voor- en nadelen van het btw-systeem, is namelijk betoogd dat de prikkel tot fraude het laagst is bij een reguliere btw (en note bene het grootst bij een fabrikantenbelasting). Dat zou betekenen dat de prikkel tot fraude juist hoger zou moeten zijn in een systeem waarbij heffing enkel plaatsvindt in de eerste schakel van de bedrijfskolom (vanwege het relatief hoge verschuldigde bedrag).