Einde inhoudsopgave
Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 106) 2017/2.3.1
2.3.1 Vrijwillige versus onvrijwillige aansprakelijkheid
mr. C.E.J.M. Hanegraaf, datum 25-06-2017
- Datum
25-06-2017
- Auteur
mr. C.E.J.M. Hanegraaf
- JCDI
JCDI:ADS302468:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Bartman, Dorresteijn en Olaerts 2016, p. 242 en Bartman 2010, p. 103.
Vgl. Rechtbank Midden-Nederland 20 juli 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:4284 (East West Debt/Kone c.s.), r.o. 4.7.
Vgl. Bartman, Dorresteijn en Olaerts 2016, p. 241.
Akkermans 1987, p. 29 duidt een dergelijke verklaring aan als een geval van vrijwillige doorbraak van aansprakelijkheid. Zie ook: Engwerda, Feteris en Van Muijen 1998, p. 254 en p. 266-267 en Lennarts 1999, p. 175.
Zie daarover: Engwerda, Feteris en Van Muijen 1998, p. 256 e.v.
Vlas 1982, p. 132. Raaijmakers 2005, p. 1 merkt op dat ‘lifting the corporate veil’ wil zeggen dat er onder omstandigheden door de rechtspersoon kan worden “heen gekeken”. Volgens Van Schilfgaarde 1986a, p. 16 is de Nederlandse misbruikwetgeving niet op de “piercing the veil”-gedachte gebaseerd. Hij merkt op dat de betreffende wetgeving er slechts op uit is om onbehoorlijk bestuur dat leidt tot benadeling van schuldeisers af te straffen. Uitgebreid over veil piercing: Bainbridge en Henderson 2016, m.n. p. 86-131, p. 145-180 en p. 279-301.
Glasz 1986, p. 82 spreekt in dit kader over: “Doorbraak van de scheidingsmuren der rechtspersoonlijkheid met uitlopers naar persoonlijke aansprakelijkheid”.
Vandekerckhove 2007, p. 191. Ook in het fiscale recht komt men de “doorbraak” tegen. Nillesen 1986 omschrijft “Durchgriff” in het fiscale recht als de begrenzing in concreto van de zelfstandige belastingplicht van een subject. Daarbij wordt (evenals in het civiele recht) de zelfstandigheid van de belastingplichtige niet genegeerd of ontkend, doch bepaalt de Durchgriff de grenzen van die zelfstandigheid in het concrete geval. Van de Streek 2016 wijst op het feit dat vereenzelviging als correctiemechanisme in het fiscale recht geen onbekend verschijnsel is. Onder omstandigheden wordt bijvoorbeeld de management fee van een management-B.V. als “loon uit dienstbetrekking” toegerekend aan de bestuurder van die management-B.V.
Bartman 1989, p. 6-7.
In het Nederlandse recht geldt als hoofdregel dat iemand in beginsel slechts voor zijn eigen doen en laten verantwoordelijk en eventueel aansprakelijk is. Een rechtspersoon staat in het vermogensrecht met de natuurlijk persoon gelijk. Hij is derhalve alleen voor eigen verplichtingen in zijn gehele vermogen aan te spreken (vgl. artt. 2:5 jo. 3:276 BW).1 In de lijn van die regel ligt de regel in het N.V.- en B.V.-recht dat een aandeelhouder niet persoonlijk aansprakelijk is voor schulden van de vennootschap waarvan hij aandeelhouder is. Artt. 2:64 en 2:175 lid 1 BW bepalen namelijk dat een aandeelhouder niet persoonlijk aansprakelijk is voor hetgeen in naam van de vennootschap wordt verricht. Een moedermaatschappij bijvoorbeeld is in beginsel dan ook niet aansprakelijk voor schulden van haar dochtermaatschappij(en).2 In beginsel, want op die hoofdregel bestaan twee uitzonderingen. Het gaat daarbij om de “vrijwillige” en de “onvrijwillige” aansprakelijkheid van de moedermaatschappij voor schulden van haar dochtermaatschappij.
Bij de vrijwillige aansprakelijkheid bestaat voor crediteuren de mogelijkheid om de moedermaatschappij van hun debiteur aan te spreken op basis van een eerder door die moedermaatschappij gedane wilsverklaring.3 Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan een aansprakelijkheidsverklaring op grond van art. 2:403 lid 1 aanhef en sub f. BW.4 Tevens valt daarbij te denken aan een hoofdelijke aansprakelijkstelling of borgstelling door de moedermaatschappij ten behoeve van een financier voor schulden van een dochtermaatschappij.5
Ingeval sprake is van onvrijwillige aansprakelijkheid is een schuld van een dochtermaatschappij verhaalbaar op de moedermaatschappij zonder dat sprake is van enige voorafgaande wilsverklaring van laatstgenoemde. De onvrijwillige aansprakelijkheid kan onderverdeeld worden in twee vormen, te weten de “eigenlijke” of “directe” doorbraak (par. 2.3.3.3) en de “oneigenlijke” of “indirecte” doorbraak (par. 2.3.3.2).
“Doorbraak” vormt net als “vereenzelviging” een onderdeel van het ruime zogenoemde “piercing (of lifting) the corporate veil”.6 In geval van doorbraak wordt vanuit het oogpunt van aansprakelijkheid als het ware door een rechtspersoon heen gekeken naar de achterliggende persoon of personen.7 Daardoor wordt een uitzondering gemaakt op twee fundamentele regels in ons recht, te weten (i) de regel dat de rechtspersoon onafhankelijk is van zijn aandeelhouders en (ii) de regel dat in beginsel aandeelhouders en bestuurders niet aansprakelijk zijn voor schulden van de rechtspersoon.8 Bartman merkt in dat kader op dat de rechtspersoonlijkheidsnorm zich in beginsel verzet tegen doorbraak van aansprakelijkheid, maar dat doorbraak bij uitzondering daarmee niet onder alle omstandigheden onverenigbaar hoeft te zijn.9