Einde inhoudsopgave
Het inzagerecht (BPP nr. IX) 2010/8.2.1
8.2.1 Bepaalde bescheiden
Mr. J.R. Sijmonsma, datum 17-05-2010
- Datum
17-05-2010
- Auteur
Mr. J.R. Sijmonsma
- JCDI
JCDI:ADS458817:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Aldus Veegens-Wiersma, p. 115.
Zie mijn bespreking van het boekje van Ekehnans, De exhibitieplicht in kort bestek, in TCR 2008, p. 61.
Zie uitgebreid AG Verkade in zijn conclusie bij 1-11( 29 juni 2007, AZ4664, NJ 2007, 638.
Anders Rb Zutphen 7 mei 2003, JBPR 2003, 66.
Anders Rb Amsterdam 23 juli 2008, B9 6517 (open www.boek9.nl, voer in het zoekvenster 6517 in).
HR 31 januari 1947, NJ 1948, 115 (Baus-NV de Koedoe), waarin Baus onder de werking van het toenmalige art. 1922 BW inzage werd vergund in de in de boeken neergelegde administratie, waarvan de inhoud hem volledig onbekend was. Hij wist alleen dat die administratie er moest zijn. Vergelijk ook Part Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 553, waar de minister verklaart dat onder het nieuwe recht in een geval als zich voordeed in HR 30 januari 1998, NJ 1998, 459 de overeenkomst, waarvan de inhoud onbekend was, wel in het geding gebracht zou moeten worden.
P. 417 Pari. Gesch. nieuw bewijsrecht.
Bij de omschrijving van de inhoud van het bestanddeel 'bepaalde bescheiden' dienen de volgende vier vragen aan de orde te komen:
wat is een bescheid;
hoe bepaald moet 'bepaald' zijn;
moet de inhoud van het bescheid bij eiser bekend zijn;
hoe zeker moet het bestaan van het bescheid zijn.
De authentieke akte valt niet onder een bescheid in de zin van art. 843a. Het recht op toegang tot een dergelijke akte is te vinden in de wettelijke regeling van de ambtelijke bevoegdheid van degene die de betreffende akte opma2kt.1 Die regeling is daarmee een specialis die voorgaat op de generale regel van art. 843a Rv. Dit betekent dus dat bijvoorbeeld een makelaar niet op de voet van art. 843a Rv een afschrift van een notariële akte kan vorderen indien een ex-klant van hem buiten hem om zijn huis heeft verkocht.
Een bescheid is grammaticaal bezien een 'geschreven stuk' of een 'schriftuur'. Het begrip 'bescheiden' in art. 843a Rv moet ruimer worden opgevat dan die grammaticale omschrijving gelet op de laatste zin van lid 1 van art. 843a Rv. Die zin luidt dat onder bescheiden mede wordt verstaan 'op een gegevensdrager aangebrachte gegevens', waarmee onder andere op een USB-stick aangebrachte informatie (foto's teksten, formules, enz.) onder dit woord 'bescheiden' valt. Betekent dit nu ook dat de tandenborstel van een beweerdelijke vader een bescheid is omdat die tandenborstel drager is van DNA? Uit de tekst van lid 1 blijkt dat de wetgever geen limitatieve opsomming heeft willen geven van wat allemaal onder 'bescheid' moet worden verstaan. Grammaticaal en wetshistorisch bezien, staat het woord `stukken' voorop bij de uitleg van het woord 'bescheid'. Aan de hand van een meer maatschappelijke uitleg en het woord 'mede' in de laatste zin van lid 1 van art. 843a Rv zou verdedigd kunnen worden dat elk voorwerp waar informatie van af is te halen, een bescheid is. Zo heb ik eerder verdedigd dat een bij een botsing beschadigde auto een gegevensdrager is: uit de aard van de beschadigingen kan soms worden afgeleid op welke wijze de botsing is veroorzaakt en hoe hard er mogelijk is gereden door een bij het ongeval betrokkene.2 Op grond van die mening, waar ik bij blijf, is art. 1019a Rv overbodig, behalve dan dat het bestaan van dit artikel voorkomt dat de Hoge Raad mogelijk tot een ander oordeel zou komen. Verder is de invoering van genoemd art. 1019a Rv waarschijnlijk noodzakelijk geweest omdat wat dit punt betreft de wet (art. 843a Rv) en de jurisprudentie over dat artikel niet duidelijk genoeg zijn om de EG-commissie te overtuigen dat overlegging gevorderd kon worden van bewijsmateriaal als nagemaakte producten zoals parfums. Al met al zie ik onvoldoende bezwaren om bescheid niet zo ruim uit te leggen dat daar tevens onder is te verstaan 'zich op, aan of in voorwerpen bevindende gegevens'. Dit brengt met zich dat ook het speeksel op de hiervoor al genoemde tandenborstel en de losse haar in de kam beschouwd kunnen worden als 'bescheid'. De op straat gevonden druppel bloed kan als voorwerp zonder eigenaar worden gebruikt. Een vordering tot inzage is dan niet nodig. Indien de haar nog aan het lichaam zit, het bloed en speeksel nog in het lichaam, enz. verzet art. 11 Gw (de onaantastbaarheid van het lichaam), zich tegen gedwongen afname zolang er nog geen duidelijke regelgeving is die ook dergelijke ingrepen in bepaalde gevallen toestaat.
Tenslotte kan bij de definitie van het woord 'bescheid' nog worden gewezen op de betekenis van het woord 'bestand' in art. 1 onder c Wbp. Een bestand in de zin van de Wbp is elk gestructureerd geheel van persoonsgegevens, ongeacht of dit geheel van gegevens gecentraliseerd is of verspreid is op een functioneel of geografisch bepaalde wijze, dat volgens bepaalde criteria toegankelijk is en betrekking heeft op verschillende personen.3
Het bescheid waarvan inzage wordt gevraagd, moet bepaald zijn in die zin dat duidelijk moet zijn waarin inzage wordt gevorderd. Dit betekent dat inzage kan worden gevraagd in karrenvrachten vol bescheiden indien zij maar voldoende bepaald zijn omschreven of geïndividualiseerd. Dit betekent niet dat van elke brief waarvan inzage wordt verzocht, bijvoorbeeld de datum moet worden genoemd. Voldoende bepaald is naar mijn mening een vordering van partij A inhoudende inzage in 'correspondentie tussen de Rabobank en partij B met als inhoud de executoriale verkoop van een bepaalde za2k'.4 Dit geldt eens te meer omdat een andere opvatting tot uitholling van art. 843a Rv zou leiden. Bezien in het licht van de achterliggende rechtsbetrekking moet voldoende duidelijk zijn om welke bescheiden het gaat, zodat bijvoorbeeld in het kader van een beleggingsrelatie een vordering van een belegger tot inzage in het op zijn naam staande cliëntendossier bij de beleggingsinstantie voldoende bepaald is. Indien de rechter van oordeel is dat een vordering tot inzage onvoldoende bepaald is, er wordt bijvoorbeeld inzage verzocht in een heel strafdossier, behoort dit niet meteen te worden afgewezen, maar dient de rechter bij tussenuitspraak een nadere `verfeitelijking' te vragen zodat eiser de kans krijgt om te vermelden dat hij alleen inzage in bijvoorbeeld het politieproces-verbaal verlangt en niet in het reclasseringsrapport en/of het uittreksel uit het Documentatieregister. Het feit dat degene die inzage moet verschaffen wordt opgezadeld met een enorme zoekklus, brengt niet met zich dat de gevorderde inzage onvoldoende 'bepaald' is, waarmee dus een vordering tot inzage door iemand die stelt dat misbruik van haar portretrecht is gemaakt in
`alle door ATP gesloten overeenkomsten en/of alle door ATP met derden gevoerde correspondentie met betrekking tot het vervaardigen en openbaar maken van televisiecommercials, audioboardings, billboards en alle overige uitingen, met uitzondering van een bepaalde website, waarin of waarop gebruik is gemaakt van haar portret...'
voldoende bepaald is.5
De inhoud van het bescheid hoeft bij eiser niet bekend te zijn. Dit blijkt al impliciet uit I-IR 31 januari 1947, NJ 1948, 115.6 Weliswaar heeft de minister tijdens de behandeling van het nieuwe bewijsrecht gezegd dat de zogeheten exhibitieplicht slaat op de situatie dat de inhoud van een schriftelijk bewijsmiddel aan een partij in beginsel wel bekend is, maar dat zij het niet in haar bezit heeft,7 maar dat is gezegd bij de mondelinge behandeling in de Eerste Kamer in een andere context. Uit de volledige tekst van het toen gevoerde debat lijkt het waarschijnlijker dat de minister toen bedoeld heeft om te zeggen dat het bestaan van het bescheid bekend moest zijn en niet de inhoud daarvan. Dit deel van het debat betrof namelijk niet de uitleg van de inhoud van het ontwerp 843a Rv, maar de tegenstelling tussen de ruime mogelijkheid die de rechter zou krijgen inzake het vragen van stukken ten behoeve van de comparitie in tegenstelling tot de mogelijkheid van het verkrijgen van stukken indien een partij een en ander diende te bewijzen, waarbij de toenmalige artikelen 1922 en 1923 BW bij het debat in zicht kwamen. Uit niets blijkt dat de minister in die tijd wat dit betreft een beperking in art. 843a Rv wilde opnemen die het voorgaande art. 1922 BW niet kende.
Tenslotte moet vaststaan dat het bescheid bestaat. Iemand kan immers niet worden veroordeeld om inzage te geven in een bescheid als niet eerst is vastgesteld dat dit bestaat. Bestaan betekent hierbij niet dat de gevraagde vorm al moet bestaan. De informatie waarvan inzage wordt gevraagd, bestaat ook terwijl nog handelingen verricht moeten worden, zoals bijvoorbeeld het nog opmaken van een proces-verbaal van een zitting of het maken van een lijst van personeelsleden die tussen de € 2.000,- en € 4.000,- verdienen uit het totale bestand van werknemers. Met andere woorden indien met een (simpel) zoekprogramma de gevraagde informatie kan worden geïndividualiseerd, wordt die informatie geacht al te bestaan.