Einde inhoudsopgave
Bundeling van omgevingsrecht (R&P nr. SB5) 2012/3.6.4
3.6.4 Consequent wetssystematisch plaatsen
Mr. J.H.G. van den Broek, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
Mr. J.H.G. van den Broek
- JCDI
JCDI:ADS359694:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht (V)
Milieurecht (V)
Omgevingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 1.1.
'Unordnung' lijkt mij iets anders dan wanorde. In het geval van wanorde is er geen orde, terwijl er bij Unordnung wel ordening is, maar een ondeugdelijke.
Noll, Gesetzgebungslehre 1973, p. 202.
Zie hfds. 4.
Woldendorp, Interview 2011, bijl. 5.5, par. 4.4. Deze ervaringen herhaalt Woldendorp in soortgelijke bewoordingen in par. 4.7 en 4.8.
Woldendorp, Interview 2011, bijl. 5.1, par. 4.5.
Borman, Interview 2012, bijl. 5.3, par. 1.1.
Drupsteen, Interview 2012, bijl. 5.8, par. 5.1.
Drupsteen, Interview 2012, bijl. 5.8, par. 5.2.
De wetgever moet ervoor zorgen dat nieuwe omgevingsregels die een bepaald probleem beogen te regelen aansluiten bij de gekozen wetssystematische ordeningscriteria waarop zij anders een inbreuk zouden vormen. Noll merkt in dit verband op dat het systematische principe van de chronologie1 van de elkaar opvolgende problemen, waaraan de wetgever is gebonden, geen bevredigend systeem oplevert, maar bestaande systemen doorbreekt en onorde2 schept. Om die onorde binnen draaglijke grenzen te houden moet de wetgever volgens hem van drie mogelijkheden gebruik maken. Twee van die drie mogelijkheden sluiten aan bij hetgeen ik hiervoor heb opgemerkt: 'Die Normen, die ein bestimmtes Problem neu regeln, sollen wenigstens unter sich systematisch geordnet sein, und zwar, wenn immer möglich, nach systematischen Gesichtspunkten, die der bestehenden Rechtsordnung zugrunde liegen und sich bewahrt haben. (...) Der Gesetzgeber soll, wenn immer möglich, die neuen Rechtssatze in das System der bestehenden Rechtsordnung so einfügen, daB sie dieses nicht sprengen.'3
Dat betekent bijvoorbeeld dat als de wetgever heeft gekozen voor het wetssystematische samenhangcriterium van een project zoals dat is gebeurd in de Wabo,4 hij nieuwe omgevingsregels die betrekking hebben op een project ook volgens hetzelfde criterium moet regelen. De wetgever moet regels inzake inrichtingen of installaties, die onderdeel vormen van een project, dan niet gaan regelen volgens afwijkende samenhangcriteria. Dat neemt overigens niet weg, dat dergelijke criteria wel kunnen worden benut om samenhang te brengen in subwetssystemen.5
In dit verband is interessant hetgeen Woldendorp zegt als hij als wetgevingsjurist de opdracht krijgt om nieuwe wettelijke bepalingen te schrijven. Het gaat Woldendorp met name om het bereiken van een duidelijk geformuleerd beleidsdoel. De opdracht is volgens hem echter niet "om alle wetgeving in de gaten te houden en te kijken hoe de hele wetssystematiek er uit zou moeten zien nadat het nieuwe onderwerp geregeld is. Het ontbreekt gewoonlijk aan tijd om dat te doen. (...) Je gaat niet de hele wereld er steeds bijhalen en ook niet het wiel opnieuw proberen uit te vinden."6 Ook zegt hij dat er meestal weinig tijd is om de aanvliegroute te bepalen, zodat
het zijn indruk is dat er eigenlijk in het wilde weg wordt begonnen met wetgeven.7 Daarbij sluiten de woorden van Borman aan: "Als er een probleem moet worden aangepakt en er is wetgeving nodig, dan moet er gewoon iets geregeld worden. De eerste reflex is dan niet om te kijken of er samenhang bestaat met andere onderdelen van het recht."8
Deze ervaringen van deze ervaren wetgevingsjuristen versterken de noodzaak voor mijn aanbeveling aan de wetgever om nieuwe omgevingsregels consequent wetssystematisch te plaatsen. Wetgevingsjuristen lijken eigenlijk veeleer te kiezen voor een chronologische aanpak, die eerder tot onorde leidt.
Drupsteen geeft daarvoor de verklaring dat wie een proefschrift schrijft, naar houvast zoekt. "De wetgevingsleer van Peter Noll levert dat houvast. Maar als je een wetgevingsjurist vraagt of hij daaraan denkt, mag je het antwoord verwachten: 'Hoe bedoelt u?'"9 Hij vindt dat niet vreemd, want "wetgevingsjuristen zijn over het algemeen cynische lieden, die al veel hebben meegemaakt. Die hebben al veel opgeschreven, waarvan ze denken: 'Als ik het zelf voor het zeggen had, dan was dit het laatste wat ik zou hebben opgeschreven. Maar laten we maar kijken hoe we de schade zo beperkt mogelijk kunnen houden.' Dat moet je wel in de gaten houden. Je moet je realiseren dat initiatieven voor wetgeving op allerlei wonderlijke manieren tot stand komen. De politiek roept wat en de minister heeft het zwaar voor zijn kiezen gehad in de Tweede Kamer; hij roept dan dat het afgelopen moet zijn. Jullie moeten aan de slag en dit en dat doen."10