Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/10.4.5.6
10.4.5.6 Het ontgaan of uitstellen van belastingheffing
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491637:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Kamerstukken II 1999/00, 26 727, nr. 17, p. 69-70. Vgl. ook Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, p. 115.
Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, p. 115. In de betreffende passage wordt niet gesproken over ‘splitsing’ maar van ‘aandelenruil’. Dat is verklaarbaar omdat de wetgever in deze passage de antimisbruikbepaling toelicht die is verbonden aan de huidige aandelenfusiefaciliteit (art. 3.55, lid 4, onderdeel b, Wet IB 2001). In de toelichting op de antimisbruikbepaling van de splitsingsfaciliteit op het niveau van de aandeelhouders etc., te weten art. 3.56, lid 4, Wet IB 2001, wordt op dit punt terugverwezen naar de toelichting op de aandelenfusiefaciliteit.
De oorsprong van dit voorbeeld is het Beleidsbesluit BNB 1998/226, onderdeel 2. In HvJ EG, C-28/95 (Leur-Bloem), BNB 1998/32 werd geoordeeld dat de toenmalige Nederlandse aandelenfusieregeling in strijd was met de Fusierichtlijn. De Staatssecretaris van Financiën is vervolgens, vooruitlopend op wetgeving, in een beleidsbesluit onder meer ingegaan op de Fusierichtlijntermen belastingfraude en belastingontwijking. Op het punt van het uitstellen van belastingheffing is in dat beleidsbesluit gebruikgemaakt van hetzelfde voorbeeld.
Kamerstukken II 1999/00, 26 727, nr. 6, p. 286 en nr. 7, p. 462-463.
Een aandelenfusie die wordt gevolgd door het lichter maken van aandelen is niet per definitie in overwegende mate gericht op het uitstellen van belastingheffing. Zie Kamerstukken II 1999/00, 26 727, nr. 17, p. 73. De crux van het daar gegeven voorbeeld is dat het lichter maken van de aandelen in de BV plaatsvindt met het oog op een tweede aandelenfusie. Het belang in de BV blijft in de eindstructuur dan (middellijk) behouden, terwijl bij de a.b.-houder geen sprake is van een realisatie in contanten.
Kamerstukken II 1999/00, 26 727, nr. 7, p. 149. Vgl. ook Kamerstukken I 1999/00, 26 727 en 26 728, nr. 202a, p. 30.
Simonis & Van der Velden in: Simonis e.a. 2019, onderdeel 13.2.4.2, p. 302, schrijven het volgende: ‘Als een min of meer acute fiscale verplichting wordt uitgesteld door een transactie vorm te geven als een juridische splitsing, of als de juridische splitsing een fiscaal geïnspireerde omweg is om het eigenlijke (op zichzelf zakelijke) hoofddoel te bereiken, kunnen dit indicaties zijn dat het met een splitsing te bewerkstelligen uitstel van belastingheffing de beslissende beweegreden voor de splitsing is’. Boulogne & Brandsma 2019, onderdeel 3.3.5.2, p. 32, spreken in deze context over een ‘splitsing die de voorbode vormt van een materiële realisatie van vermogensbestanddelen’.
In het eerste voorbeeld gaat het over de heffing die zou plaatsvinden als de a.b.-houder zijn aandelen niet inbrengt in een holding, maar direct vanuit privé verkoopt aan de derde. In het tweede voorbeeld gaat het over de heffing over het dividend en de verkoopopbrengst.
Zie bijvoorbeeld Van Scheijndel & De Vries, WFR 1999/1673, onderdeel 3.2, Blokland, WFR 2000/431, onderdeel 9, Van Immerseel, WFR 2002/1102, onderdeel 6, Smits, WFR 2007/409, onderdeel 3.3 en Hofman & Voorn, WFR 2021/92, onderdeel 5.2.
Kamerstukken II 1999/00, 26 727, nr. 7, p. 149. De bedoelde passage is hiervóór al ter sprake gekomen. Dit punt is ook gesignaleerd door Brummer & Thijssen, WFR 2003/401, onderdeel 2.2.1.
Overigens is de motivering van deze auteurs niet telkens hetzelfde. Albert, noot in FED 2000/65 en Van der Geld, noot in BNB 2000/111 staan beiden een benadering voor die, geparafraseerd weergegeven, op het volgende neerkomt: als belasting maar lang genoeg in de tijd wordt uitgesteld, komt dat de facto neer op belastingafstel. Van der Vegt, WFR 2002/1809, onderdeel 4.1, acht het standpunt onjuist dat belastinguitstel nooit als ondeugdelijk motief kan kwalificeren. Een dergelijke redenering miskent volgens hem ten onrechte het verschil tussen de doorschuiftechniek en de aan de fusie of splitsing ten grondslag liggende motieven. Brummer & Thijssen, WFR 2003/401, onderdeel 2.2.1, onderscheiden uitstel dat wordt bereikt door de reorganisatiefaciliteit zelf en uitstel dat weliswaar met de betreffende faciliteit wordt bereikt, maar waarop de herstructurering niet op is gericht. Bij dit laatste doelen zij op casusposities zoals het eerste voorbeeld uit de wetsgeschiedenis over de aandelenfusie. Beide verschijningsvormen van uitstel zouden volgens hen bestreden moeten kunnen worden. Zelf heb ik in navolging van anderen (zie hierna) eerder geconcludeerd dat het uitstellen van belastingheffing alleen kan worden geschaard onder de Fusierichtlijnterm belastingontwijking als sprake is van een vorm van ‘oneigenlijk uitstel’. Bovendien dient de Fusierichtlijntransactie in overwegende mate te zijn gericht op deze vorm van belastinguitstel. Zie Van der Burgt 2009, onderdeel 6.1.2.3, p. 186-187. Dat standpunt sloot aan bij het oordeel van Hof Amsterdam, V-N 2002/20.10, rechtsoverweging 5.3.2 (cursivering door mij): “Naar het oordeel van het Hof dient onder 'het ontgaan of uitstellen van belastingheffing' gelet op het bepaalde in de Richtlijn te worden verstaan het ontgaan en zodanig uitstellen van belasting dat dit als belastingfraude of belastingontwijking moet worden aangemerkt.” In deze zin ook Van der Brande-Boomsluiter 2004, onderdeel 5.12.2.1, p. 230-231. Vgl. ook A-G Wattel, conclusie voor HR BNB 2008/245, onderdeel 7.18. Inmiddels blijkt dat de Hoge Raad op een vergelijkbare lijn zit. Zie hierna.
De analyse over de herstructureringsfaciliteiten in de vennootschapsbelasting is ontleend aan Van der Burgt & De Vries, WFR 2012/1693, onderdeel 5.4.3. Zie ook Brandsma & De Vries 2001, onderdeel 3.3.5.2, p. 63-64.
Kamerstukken II 1998/99, 26 728, nr. 3, p. 53-54. De cursivering is door mij aangebracht. Het voorbeeld geldt mutatis mutandis voor de antimisbruikbepaling die is verbonden aan de splitsingsfaciliteit (art. 14a, lid 6, Wet VPB 1969). In de toelichting daarop wordt namelijk verwezen naar de toelichting op art. 14, lid 4, Wet VPB 1969.
Kamerstukken II 1999/00, 26 727 en 26 728, nr. 202c, p. 26. De cursiveringen heb ik aangebracht.
De Hoge Raad besteedde in beide zaken aandacht aan de antimisbruikbepaling uit de Fusierichtlijn. Daaruit kon al met de nodige voorzichtigheid worden afgeleid dat de Hoge Raad niet op voorhand uitsloot dat belastinguitstel onder omstandigheden zou kunnen kwalificeren als belastingontwijking in de zin van art. 15 Fusierichtlijn. In dezelfde zin Van de Streek, FBN 2009/5-29, onderdeel 3.3.
HR BNB 2012/261. De arrestbespreking hierna is ontleend aan Van der Burgt & De Vries, WFR 2012/1693, onderdeel 3.
Zie onderdeel 2.8.2, onder e.
Vóór de splitsing werd dit pand door X BV verhuurd aan een supermarkt. Deze supermarkt was ondergebracht in een BV waarvan de aandelen uiteindelijk in handen waren van B en diens twee zonen.
X BV zou vóór de splitsing een banklening opnemen. De daaruit beschikbaar gekomen geldmiddelen zouden bij de splitsing overgaan naar G BV.
Zie rechtsoverweging 3.3.4.
Zie rechtsoverweging 3.4.2.
Zie ook Van de Streek in: Kavelaars (red.) 2012, onderdeel 2.2, p. 50.
Zie hierover ook Van der Burgt & De Vries, WFR 2012/1693, onderdeel 5.4.1.
De bespreking hierna is deels ontleend aan Van der Burgt & De Vries, WFR 2012/1693, onderdelen 5.4.2 en 5.4.3.
Daarmee zit de Hoge Raad op hetzelfde spoor als Hof Amsterdam, V-N 2002/20.10. Zie voetnoot 216.
Zie art. 4.12, onderdeel b jo. art. 4.19, lid 1, Wet IB 2001.
Denk aan (een zelfstandig onderdeel van) een onderneming, een activiteit of ‘los’ vermogen. Uiteraard doel ik niet op aandelen of andere participatiebewijzen waarvoor bij de (aspirant)verkoper de deelnemingsvrijstelling geldt. Een rechtstreekse overdracht daarvan leidt immers niet tot vennootschapsbelastingheffing, zodat een splitsing de houder van de deelneming niet in een betere vennootschapsbelastingpositie brengt.
Zie rechtsoverweging 3.2.
Zie rechtsoverweging 3.4.
In dezelfde zin Van de Streek, FBN 2009/5-29, onderdeel 3.2 en Van der Burgt, MBB 2010/9.1, onderdeel 4.3.
Zie ook Van der Burgt & De Vries, WFR 2012/1693, onderdeel 5.4.3 en Van der Burgt, MBB 2010/9.1, onderdeel 4.3. Mijns inziens dwingt het rechtsoordeel van de Hoge Raad over het algemeen of bloot verkoopvoornemen in BNB 2009/28 ook tot een nuancering van het – eerder in dit onderdeel behandelde – tweede voorbeeld uit de wetsgeschiedenis over ‘het lichter maken van aandelen’. Zie Kamerstukken II 1999/00, 26 727, nr. 7, p. 462-463. De nuance is dat fiscale facilitering tot de mogelijkheden lijkt te behoren als ten tijde van de obligatoire (aandelenfusie)overeenkomst slechts een algemeen of bloot verkoopvoornemen aanwezig is ten aanzien van de a.b.-aandelen. Aangezien dit onderzoek in het teken staat van de splitsing, ga ik hier niet nader op in. Ik verwijs naar Van der Burgt & De Vries, WFR 2012/1693, onderdeel 5.4.
Hof Arnhem-Leeuwarden, NLF 2021/0475.
In deze zaak is uiteindelijk niet gekozen voor een aandelenfusie. Beheer BV heeft de aandelen in de drie BV’s in 2018 verkocht aan derden. Deze kopers waren gelieerd aan een partij die in december 2017 in beeld kwam als potentiële koper.
Zie onderdeel 10.4.7.12.
Zie onderdeel 10.4.2.
Zie ook Van der Burgt 2009, onderdeel 6.1.2.3, p. 186-188, Van der Burgt, MBB 2010/9.1, onderdeel 4.3 en de daar gemaakte verwijzingen.
Het sec kiezen voor de voordeligste weg impliceert geen misbruik. Zie ook onderdeel 10.4.2.
Ik verwijs naar mijn uitgebreide analyse en de gemaakte verwijzingen onder het kopje ‘De wetsgeschiedenis’ hiervóór. Overigens wil dit niet zeggen dat ik het eens ben met de nadere inhoudelijke invulling die de wetgever in de wetsgeschiedenis heeft gegeven aan het oneigenlijk uitstel. Zie daarover bijvoorbeeld onderdeel 10.4.7.
In het uitkoopsplitsingsarrest waren de aandeelhouders van de splitsende rechtspersoon a.b.-houders. Als dat lichamen waren geweest, zou (normaal gesproken) de deelnemingsvrijstelling van art. 13 Wet VPB 1969 van toepassing zijn geweest. Een lichaam/aandeelhouder van de splitsende rechtspersoon heeft daarom in de regel geen behoefte aan fiscale facilitering. In die gevallen speelt de antimisbruikbepaling (art. 8, lid 1, Wet VPB 1969 jo. art. 3.56, lid 4, Wet IB 2001) vanzelfsprekend geen rol aangezien zij is gekoppeld aan fiscale facilitering.
Op deze onduidelijkheid ben ik ingegaan onder het kopje ‘De wetsgeschiedenis’ hiervóór. In de voorbeelden uit de wetsgeschiedenis over aandelenfusies gaat het overigens duidelijk over het uitstellen van belastingheffing. Het uitkoopsplitsingsarrest illustreert het bestaan van oneigenlijk uitstel op aandeelhoudersniveau bij een splitsing. Het betrof a.b.-houders, maar het oneigenlijk uitstel kan zich ook voordoen bij lichamen/participanten, namelijk ingeval de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing is op het belang in de splitsende rechtspersoon en men is aangewezen op de splitsingsfaciliteit van art. 8, lid 1, Wet VPB 1969 jo. art. 3.56, lid 2, Wet IB 2001. Het oneigenlijk uitstel kan daarnaast aan de orde zijn op het niveau van een lichaam/a.b.-houder ex art. 17, lid 3, onderdeel b, Wet VPB 1969.
Zie ook Van der Brande-Boomsluiter 2004, onderdeel 5.12.2.1, p. 230 en A-G Wattel, conclusie voor HR BNB 2008/245, onderdeel 7.18.
In deze zin ook Van der Brande-Boomsluiter 2004, onderdeel 5.12.2.1, p. 231. Voor een concreet tekstvoorstel verwijs ik naar de toets aan het toetsingskader aan het einde van onderdeel 10.4.5.7.
Van der Geld, noot in BNB 2008/245, onderdeel 2.
Vgl. ook A-G Wattel, conclusies voor HR BNB 2008/245, onderdeel 7.18 en HR BNB 2012/261, onderdeel 10.8.
Aldus ook Boulogne, WFR 2012/1260, onderdelen 4 en 5, De Vries, noot in BNB 2012/261, onderdeel 16 en Van der Burgt & De Vries, WFR 2012/1693, onderdeel 5.3.
De formulering heb ik ontleend aan Van den Brande-Boomsluiter 2004, onderdeel 4.9.3, p. 157.
Zie onderdeel 10.4.2 en de daar gemaakte verwijzingen.
HvJ EU, C-126/10 (Foggia), BNB 2012/5.
HvJ EG, C-28/95 (Leur-Bloem), BNB 1998/32. Hof Amsterdam, BNB 1998/398, rechtsoverweging 5.3, kwam tot de slotsom dat geen sprake was van belastingontwijking.
De wetsgeschiedenis
De Fusierichtlijnterm ‘belastingontwijking’ is nationaalrechtelijk vertaald met ‘ontgaan of uitstellen van belastingheffing’. Dit is als volgt toegelicht:1
“De term belastingontwijking is (…) niet overgenomen aangezien deze niet zonder meer toepasbaar is in de Nederlandse belastingwetgeving. Door de term te vertalen met de woorden ontgaan of uitstellen van belastingheffing wordt de belastingplichtige duidelijkheid verschaft wanneer er naar onze mening sprake kan zijn van belastingontwijking.”
De vervolgvraag is wat concreet moet worden verstaan onder het ontgaan of uitstellen van belastingheffing als bedoeld in de nationale antimisbruikbepalingen. In algemene zin heeft de wetgever hierover opgemerkt dat naast gevallen waarin de splitsing ertoe leidt dat (een deel van) de fiscale claim verloren gaat (ontgaan), ook sprake kan zijn van belastingontwijking indien een handelen of een samenstel van rechtshandelingen erop is gericht een min of meer acute fiscale verplichting uit te stellen.2 Daarbij is het volgende voorbeeld gegeven:3
“Dit kan zich (…) voordoen wanneer de houder van een aanmerkelijk belang voorafgaand aan een voorgenomen belaste vervreemding een aandelenruil aangaat teneinde de bij verkoop te realiseren bate door toepassing van de deelnemingsvrijstelling (vooralsnog) onbelast te realiseren.”
Een tweede voorbeeld gaat ook over een aandelenfusie.4 Een a.b.-houder heeft aandelen in een BV met winstreserves. Om 50% van de aandelen in deze BV tegen een betaalbare prijs te verkopen aan zijn bedrijfsleider, worden deze aandelen door middel van een aandelenruil in een holding ondergebracht. Daarna worden de reserves grotendeels door de BV uitgekeerd aan de holding. Hierdoor zijn de aandelen in de BV lichter gemaakt met het oog op de verkoop aan de bedrijfsleider. Volgens de wetgever is in dit voorbeeld aannemelijk dat de aandelenfusie in overwegende mate is gericht op het uitstellen van belastingheffing. De acute belastingclaim die als gevolg van het uitdelen van winstreserves of de vervreemding van aandelen zou ontstaan, is namelijk door middel van de aandelenfusie getransformeerd in een vooralsnog onbelaste claim.5 Dat de aandelen lichter worden gemaakt met het oog op de verkoop, doet daar in de ogen van de wetgever niet aan af.6
De wetgever heeft verder nog opgemerkt dat het verschuiven van belastingheffing naar een later tijdstip (‘belastinguitstel’) in het algemeen niet met zich brengt dat ook sprake is van een misbruiksituatie. Onderdeel van de splitsingsfaciliteiten vormt immers de mogelijkheid om de belastingheffing uit te stellen. De wetgever geeft aan dat pas van misbruik kan worden gesproken als herstructureringen plaatsvinden die in overwegende mate ten doel hebben om door toepassing van de fiscale faciliteit dit belastingvoordeel te verkrijgen. Belastinguitstel kan in die uitleg slechts misbruik zijn ingeval de belastingplichtige dat uitstel als zodanig, op zichzelf bezien, in overwegende mate nastreeft.7
Uit het voorgaande volgt dat de wetgever niet ieder belastinguitstel als potentieel misbruik aanmerkt. Allereerst moet de betreffende herstructurering zoals een splitsing in overwegende mate tot doel hebben het belastinguitstel te bereiken. In het verlengde daarvan heeft de wetgever met belastinguitstel het oog op gevallen waarin de herstructurering wordt doorgevoerd om daarmee een dreigende belastingheffing (‘een min of meer acute fiscale verplichting’) voorlopig af te wenden. Dit brengt mij bij een belangrijk punt. Het lijkt er namelijk sterk op dat de wetgever met ‘belastinguitstel’ het volgende op het oog heeft: een herstructurering (zoals een splitsing) wordt in overwegende mate tot stand gebracht om daarmee zonder acute belastingheffing een structuur te bereiken die in staat stelt een ‘in de lucht hangende’ fiscale verplichting ter zake van een al voorgenomen andere transactie naar de (verre) toekomst te verschuiven.8 Uit de twee zojuist behandelde voorbeelden blijkt dat de wetgever een dergelijke gang van zaken als misbruik kwalificeert.9 Deze constatering plaatst naar mijn mening een standpunt uit de literatuur in een ander daglicht. Dat standpunt komt erop neer dat (het nastreven van) belastinguitstel niet de reden mag zijn de toepassing van de nationale (op de Fusierichtlijn gebaseerde) fusie- en splitsingsregelingen te weigeren.10 De redenering daarbij is dat die herstructureringsfaciliteiten nu juist beogen te voorkomen dat acute belastingheffing een (wenselijke) fusie of splitsing belemmert, zodat het niet passend is de belastingplichtigen (het nastreven van) belastinguitstel tegen te werpen. Zoals hiervóór duidelijk is geworden, kan uit de wetsgeschiedenis worden afgeleid dat de wetgever onderkent dat belastinguitstel onderdeel is van de herstructureringsfaciliteiten. Desondanks ziet de wetgever ruimte om belastinguitstel als belastingontwijking te kwalificeren, namelijk in de zojuist beschreven situaties.11 Overigens hebben diverse andere auteurs verdedigd dat belastinguitstel onder omstandigheden wel degelijk onder de Fusierichtlijnterm belastingontwijking kan worden geschaard.12
In de hiervóór behandelde voorbeelden van ‘belastinguitstel’ uit de wetsgeschiedenis blijft de belastingclaim bij de aandelenfusie behouden bij dezelfde belastingplichtige. Deze claim wordt echter gekoppeld aan een ander belastingobject, namelijk de aandelen die de belastingplichtige – in de voorbeelden een a.b.-houder – in ruil ontvangt voor de door hem ingebrachte aandelen. De toepassing van de splitsingsfaciliteit van art. 8, lid 1, Wet VPB 1969 jo. art. 3.56, lid 2, Wet IB 2001, dus op het niveau van aandeelhouders, leden, schuldeisers, winstbewijshouders en optiehouders, heeft vergelijkbare implicaties. Het is helder dat in die gevallen geen sprake is van ontgaan van belastingheffing. Er kan vanuit het perspectief van de aandeelhouders etc. in potentie alleen sprake zijn van een splitsing die in overwegende mate is gericht op het uitstellen van belastingheffing (zie hiervóór). Bij de herstructureringsfaciliteiten in de vennootschapsbelasting, zoals de splitsingsfaciliteit, ligt dit anders.13 Wordt een onderneming, een bedrijfsonderdeel, een activiteit of ‘los’ vermogen via een fiscaal gefaciliteerde splitsing ex art. 14a Wet VPB 1969 afgezonderd in een aparte rechtspersoon, dan leidt dit ertoe dat bij de splitsende rechtspersoon in de toekomst geen heffing van vennootschapsbelasting meer kan plaatsvinden over de fiscale meerwaarden in dat afgezonderde vermogen. Als zo’n splitsing in overwegende mate plaatsvindt om die acute belastingheffing te omzeilen, is vanuit het perspectief van de splitsende rechtspersoon (subject) sprake van een overwegende gerichtheid op het ontgaan (en dus niet uitstellen) van belastingheffing. Daar staat tegenover dat de belastingclaim samen met het vermogen doorschuift naar de verkrijger(s), zodat vanuit het overgedragen object bezien ontgaan van belastingheffing ontbreekt. Het ligt mijns inziens het meest voor de hand om de toepassing van de antimisbruikbepaling te bezien vanuit het perspectief van het belastingsubject. Het belastingsubject is immers degene die een beroep doet op fiscale begeleiding. Voor de splitsende belastingplichtige is in situaties als deze naar mijn mening dus sprake van het ontgaan van belastingheffing.14 De wetgever lijkt evenwel vanuit het object te redeneren en de zojuist beschreven casus onder belastinguitstel te rangschikken. In de wetsgeschiedenis is namelijk een voorbeeld opgenomen als toelichting op het tweede bewijsvermoeden als onderdeel van de antimisbruikbepaling van de bedrijfsfusiefaciliteit (art. 14, lid 4, derde volzin, Wet VPB 1969):15
“In de derde volzin van dit lid is een bepaling opgenomen die betrekking heeft op de situatie dat de aandelen in de overdrager of de overnemer worden vervreemd aan een niet-verbonden lichaam. In dat geval wordt aangenomen dat de vervreemding van de aandelen samenhangt met de overdracht van de vermogensbestanddelen waarvoor de faciliteit is verkregen. Dit samenstel van rechtshandelingen zou het mogelijk maken om verkoopwinsten om te zetten in onbelaste koerswinsten op aandelen, waardoor de belastingheffing wordt uitgesteld. (…) Niet alleen de verkoop van aandelen in de overnemer, maar ook de verkoop van aandelen in de overdrager aan een niet-verbonden lichaam kan leiden tot het omzetten van verkoopwinsten in onbelaste koerswinsten. (…) Ook op deze wijze kan van de bedrijfsfusie faciliteit gebruik worden gemaakt om belastingheffing uit te stellen.”
Ook in een andere passage lijkt de wetgever het object (vermogensbestanddelen) centraal te stellen:16
“Indien belastinguitstel niet onder het begrip belastingontwijking zou vallen, dan zou het voor de belastingplichtige immers mogelijk zijn om een belaste verkoop van vermogensbestanddelen door middel van een fusie of splitsing in combinatie met de deelnemingsvrijstelling om te zetten in een onbelaste koerswinst op aandelen. Dit ongeacht de vraag of sprake is van wijzigingen in de juridische structuur die bijdragen aan de bedrijfsvoering, expansie en dergelijke van de betrokken ondernemingen.”
Wat betreft de tot 2001 geldende zakelijkheidseis is in de wetsgeschiedenis opgemerkt dat de fiscale begeleiding niet is bedoeld om vormen van belastingbesparing te faciliteren.17 Volgens de wetgever moet ervoor gewaakt worden dat een belaste transactie wordt omgezet in een onbelaste transactie. Dit is toentertijd geïllustreerd met twee voorbeelden waarin volgens de wetgever zonder nadere maatregelen claims verloren zouden gaan. Het eerste voorbeeld gaat over het gebruikmaken van de rechtsfiguur van de splitsing om een belaste verkoopwinst om te zetten in een onbelaste overdracht van een deelneming. In plaats van een pand met een stille reserve rechtstreeks aan een derde te verkopen (als gevolg waarvan de stille reserve zou worden gerealiseerd), wordt het pand afgesplitst. Vervolgens worden de aandelen in de verkrijgende rechtspersoon met toepassing van de deelnemingsvrijstelling zonder heffing van vennootschapsbelasting aan de beoogde koper worden overgedragen. Dit voorbeeld sluit dus naadloos aan bij de hiervóór geciteerde passages uit de parlementaire geschiedenis van de huidige antimisbruikbepaling. Het lijkt erop dat de wetgever dit soort gevallen vóór 2001 vanuit het perspectief van de splitsende rechtspersoon beschouwde, dus als het (potentieel) ontgaan van belastingheffing. Hij spreekt immers over het verloren gaan van belastingclaims. Beziet men het voorbeeld vanuit het object – het pand – dan is ‘slechts’ sprake van belastinguitstel. De belastingclaim blijft immers behouden bij de verkrijgende rechtspersoon omdat de fiscale boekwaarde doorschuift.
Op basis van het voorgaande is het (voor mij) niet duidelijk of de wetgever (potentieel) oneigenlijk gebruik bij de splitsingspartners in de sfeer van de vennootschapsbelasting schaart onder het ontgaan of onder het uitstellen van belastingheffing. Het type potentieel misbruik vertoont wel gelijkenissen met het ‘belastinguitstel’ dat in de sfeer van de inkomstenbelasting wordt bestreden: de fusie of splitsing vormt (onderdeel van) een alternatief voor een voorgenomen transactie die acute belastingheffing tot gevolg heeft. In de vennootschapsbelasting gaat het daarbij over het omzetten van belaste verkoopwinsten op vermogensbestanddelen in onbelaste koerswinsten op aandelen.
Jurisprudentie over het uitstellen van belastingheffing
In de jurisprudentie zijn diverse zaken de revue gepasseerd waarin de vraag of een fusie of splitsing in overwegende mate was gericht op het uitstellen van belastingheffing een rol van betekenis speelde. In de twee hiervóór al kort aangestipte aandelenfusiezaken HR BNB 2000/111 en HR BNB 2009/28 is de Hoge Raad niet toegekomen aan de principiële vraag of, en zo ja in welke gevallen, belastinguitstel onder de Fusierichtlijnterm belastingontwijking kan worden begrepen.18 In het uitkoopsplitsingsarrest heeft de Hoge Raad uiteindelijk (enige) duidelijkheid verschaft.19 Gestileerd weergegeven was de casus als volgt. De aandelen in belanghebbende (X BV) werden gehouden door de twee broers B en C, ieder voor 50%. Het voornemen bestond een zuivere splitsing in de vorm van een aandeelhouders- of ruziesplitsing van X BV tot stand te brengen.20 Daarbij zou X BV als rechtspersoon verdwijnen. De nieuw op te richten F BV (met B als 100% aandeelhouder) en G BV (met C als 100% aandeelhouder) zouden als verkrijgers aan deze splitsing deelnemen. X BV bezat een onroerende zaak die in het kader van de splitsing zou overgaan naar F BV.21 G BV zou enkel liquiditeiten verkrijgen tot een bedrag gelijk aan de gerechtigdheid van C in het vermogen van X BV op het moment van de splitsing.22
De voorgenomen zuivere splitsing van X BV resulteerde feitelijk in een uitkoop van aandeelhouder C. Door X BV werd vóór de splitsing zekerheid gevraagd over de vraag of de voorgenomen splitsing niet werd geacht in overwegende mate te zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing.23 De inspecteur besliste in een voor de belastingplichtige negatieve zin en gaf een afwijzende beschikking af. In cassatie was in geschil of die afwijzing terecht was. De Hoge Raad oordeelde dat een richtlijnconforme uitleg van art. 14a Wet VPB 1969 meebrengt dat het ontwijken van belastingheffing slechts dan onder de antimisbruikbepaling uit de Fusierichtlijn valt indien de (voorgenomen) zuivere splitsing een volstrekt overheersend antifiscaal motief heeft en toepassing van de geboden fiscale faciliteiten zou leiden tot strijd met doel en strekking van de Fusierichtlijn. Zo’n motief kan volgens de Hoge Raad ook zijn gelegen in het uitstellen van belastingheffing. De antimisbruikbepaling van art. 14a, lid 6, Wet VPB 1969 gaat op dit punt volgens de Hoge Raad niet verder dan de Fusierichtlijn toelaat.24 Volgens het hof was de voorgenomen splitsing in overwegende mate gericht op het uitstellen van directe heffing van inkomstenbelasting en heeft belanghebbende andere doelen voor de splitsing niet aannemelijk gemaakt. Het hof sloot aan bij de stelling van de inspecteur dat de splitsing een alternatief is voor een (belaste) overdracht van de a.b.-aandelen door C aan B dan wel voor een inkoop van de door C gehouden a.b.-aandelen door X BV. Uitgaande van de feitelijke beslissing van het hof dat de (voorgenomen) splitsing als enig doel heeft een alternatieve route te vormen voor de feitelijke uitkoop van één van de aandeelhouders van X BV, is naar het oordeel van de Hoge Raad sprake van het zodanig uitstellen van belastingheffing dat strijd met doel en strekking van de Fusierichtlijn ontstaat.25 Dit alles resulteerde in de slotsom dat de afwijzende beschikking in stand bleef.
Eerder in dit onderdeel concludeerde ik dat uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat de wetgever met ‘belastinguitstel’ het volgende op het oog lijkt te hebben: een herstructurering (zoals een splitsing) wordt in beslissende mate tot stand gebracht om daarmee zonder acute belastingheffing een structuur te bereiken die in staat stelt een dreigende fiscale verplichting ter zake van een al voorgenomen andere transactie naar de (verre) toekomst te verschuiven. In het algemeen gaat het daarbij om situaties waarbij de fusie of splitsing ervoor zorgt dat een (voorgenomen) opvolgende rechtshandeling fiscaal vriendelijker verloopt. In het uitkoopsplitsingsarrest is feitelijk een variant op dit thema aan de orde. De splitsing op zichzelf was het beoogd fiscaal neutraal alternatief voor de uitkoop van één van de aandeelhouders. Er was geen opvolgende rechtshandeling nodig om het einddoel op fiscaal vriendelijke wijze te bereiken.26
Het is interessant dat de Hoge Raad in het uitkoopsplitsingsarrest spreekt over zodanig uitstellen van belastingheffing dat strijd met doel en strekking van de Fusierichtlijn ontstaat.27 De toevoeging van het woord ‘zodanig’ impliceert dat niet ieder uitstel van belastingheffing in strijd komt met het doel en de strekking van de Fusierichtlijn. Hierover twee opmerkingen. In de eerste plaats sluit deze benadering in de basis aan bij mijn interpretatie van de uitlatingen van de wetsgeschiedenis (zie hiervóór). In de tweede plaats wordt met deze uitleg voorkomen dat de herstructureringsfaciliteiten die gebaseerd zijn op de Fusierichtlijn, waaronder de splitsingsfaciliteit, zinledig zouden zijn. Deze faciliteiten bestaan immers bij de gratie van belastinguitstel. Met zijn oordeel maakt de Hoge Raad mijns inziens impliciet duidelijk dat de nationale wettekst op het punt van het uitstellen van belastingheffing niet adequaat is geformuleerd. In die wettekst wordt namelijk geen onderscheid gemaakt in de aard van het belastinguitstel.
Zodanig uitstellen van belastingheffing28
Volgens de Hoge Raad moet dus onderscheid worden gemaakt naar de aard van het te bewerkstelligen belastinguitstel: belastinguitstel in strijd met doel en strekking van de Fusierichtlijn (oneigenlijk uitstel) en belastinguitstel overeenkomstig doel en strekking van de Fusierichtlijn (geoorloofd uitstel).29 Dit onderscheid roept de vraag op onder welke omstandigheden sprake kan zijn van de eerste categorie (oneigenlijk uitstel) en wanneer de tweede categorie (geoorloofd uitstel) aan de orde is. Zonder volledigheid na te streven, ga ik daar iets dieper op in.
De feitelijke uitkoop van (een) aandeelhouder(s) via een splitsing
Het oordeel van de Hoge Raad in het uitkoopsplitsingsarrest werpt de vraag op of iedere ruziesplitsing die materieel een uitkoop van (een) aandeelhouder(s) inhoudt, niet voor fiscale facilitering in aanmerking komt. Volgens mij is dat niet het geval. De Hoge Raad houdt in het uitkoopsplitsingsarrest namelijk uitdrukkelijk de mogelijkheid open dat ondanks de feitelijke uitkoop van (een) aandeelhouder(s) geen sprake is van misbruik. Hij beslist namelijk expliciet in rechtsoverweging 3.4.2 dat het hof, door te oordelen dat er tussen C enerzijds en B en diens zonen anderzijds geen conflicten bestaan of binnenkort zullen ontstaan, niet is uitgegaan van een onjuiste beoordelingsmaatstaf. In algemene zin volgt daaruit naar mijn mening het volgende: een ruziesplitsing die tot gevolg heeft dat een of meer aandeelhouders de facto worden uitgekocht, is niet per definitie in overwegende mate gericht op het ontgaan of (oneigenlijk) uitstellen van belastingheffing. De ruziesplitsing kan immers zijn ingegeven door zakelijke overwegingen, zoals het bestaan van conflicten tussen aandeelhouders die een sterk negatieve invloed (kunnen) hebben op de bedrijfsresultaten van de splitsende rechtspersoon of zelfs de continuïteit van de onderneming in gevaar (kunnen) brengen. Onder omstandigheden kan de feitelijke uitkoop van (een) aandeelhouder(s) met het oog op de continuïteit van de onderneming en de daarmee samenhangende werkgelegenheid noodzakelijk zijn, bijvoorbeeld omdat het opdelen van de onderneming zonder grote schade niet mogelijk is.
“Verkoop-klaarmaken”: een fusie of splitsing gevolgd door een verkoop van aandelen of vermogen
Een a.b.-houder kan van plan zijn om aandelen in de a.b.-vennootschap te vervreemden. Dat leidt als hoofdregel tot het constateren van een voordeel uit a.b. voor zover de overdrachtsprijs de verkrijgingsprijs van de desbetreffende aandelen overtreft.30 Denkbaar is ook dat een vennootschapsbelastingplichtig lichaam bepaalde vermogensbestanddelen wil overdragen.31 De vervreemding daarvan zal bij dat overdragende lichaam belast zijn met vennootschapsbelasting voor zover stille reserves, fiscale reserves en niet-geactiveerde goodwill worden gerealiseerd. In dit soort gevallen kan de gedachte opkomen om voorafgaand aan zo’n vervreemding een fusie of splitsing tot stand te brengen. Ik wijs op de besproken voorbeelden uit de wetsgeschiedenis. In het eerste voorbeeld brengt een a.b.-houder vóór een voorgenomen belaste vervreemding een aandelenruil met een persoonlijke houdstermaatschappij tot stand om de bij de aanstaande vervreemding te realiseren bate met behulp van die holding (vooralsnog) onbelast te toucheren.32 Volgens de wetgever kan in zo’n geval sprake zijn van – kort gezegd – misbruik. Dit standpunt dient genuanceerd te worden na HR BNB 2009/28.
In dat arrest was natuurlijk persoon X enig aandeelhouder van D BV. Daarnaast hield X 50% van de aandelen in A BV. De overige aandelen in A BV waren in handen van D BV. Tussen X en D BV kwam in april 1999 (obligatoir) een aandelenfusieovereenkomst tot stand. X zou zijn aandelen in A BV overdragen aan D BV, waartegenover D BV eigen aandelen zou uitreiken aan X. De aandelenfusie werd geëffectueerd op 25 mei 1999. D BV bereikte op 17 mei 1999 wilsovereenstemming met een derde over de verkoop van alle aandelen in A BV. Deze aandelen werden vervolgens in juli 1999 aan de derde geleverd.
Het geschil spitste zich toe op de vraag of sprake was van een (fiscaal te faciliteren) aandelenfusie. De Hoge Raad oordeelde dat dit inderdaad het geval was. Hij bevestigde het oordeel van het hof dat de overeenkomst tot het tot stand brengen van de aandelenfusie onherroepelijk was op het tijdstip waarop de wilsovereenstemming met de derde tot stand kwam.33 Gelet op het hiervoor vermelde voorbeeld uit de wetsgeschiedenis schuilt het belang van het arrest met name in het volgende. In cassatie klaagde de staatssecretaris erover dat het hof ten onrechte niet was ingegaan op de stelling van de inspecteur die inhield dat X vóór de besluitvorming over de aandelenfusie al het voornemen had de aandelen in A BV aan een derde te vervreemden. Het ging hierbij om een ‘algemeen’ of ‘bloot’ verkoopvoornemen. De Hoge Raad besliste dat die stelling, indien al juist, op zichzelf beschouwd niet het vermoeden wettigt dat belastingontwijking het hoofddoel of een van de hoofddoelen van de aandelenfusie was.34
In deze zaak stond een aandelenfusie centraal, maar het rechtsoordeel geldt naar mijn overtuiging evenzeer voor de andere herstructureringstransacties met een equivalent in de Fusierichtlijn, zoals een splitsing.35 De Fusierichtlijn kent immers voor alle daarin beschreven transacties, zoals aandelenfusies en splitsingen, slechts één antimisbruikbepaling (art. 15 Fusierichtlijn). Uit dit arrest kan mijns inziens toegespitst op de splitsing het volgende worden afgeleid: het via een splitsing creëren van een optimale structuur met het oog op een latere vervreemding van inmiddels in de vorm van aandelenbelangen in vennootschappen ‘verpakte’ bedrijfsonderdelen leidt in principe niet tot oneigenlijk belastinguitstel of ontgaan van belastingheffing, ook niet als op het tijdstip waarop de splitsing obligatoir wordt overeengekomen al een voornemen tot vervreemding van aandelen aanwezig is.36
Ook in een zaak van Hof Arnhem-Leeuwarden speelt het verkoopvoornemen een rol.37 Een natuurlijke persoon/a.b.-houder houdt alle aandelen in Beheer BV. Deze BV houdt op haar beurt alle aandelen in drie BV’s, waarvan er twee kwalificeren als onroerendezaakrechtspersoon als bedoeld in art. 4 Wet BRV 1970. In september 2017 heeft de a.b.-houder een bureau ingeschakeld om de verkoop van de aandelen in de drie BV’s te begeleiden. Een rechtstreekse overdracht van de aandelen in de twee onroerendezaakrechtspersonen zou bij de koper(s) heffing van overdrachtsbelasting uitlokken. Om die reden is een alternatief bedacht. De eerste stap bestaat uit een aandelenfusie waarbij de a.b.-houder zijn aandelen in Beheer BV overdraagt aan een nieuw op te richten BV, tegen uitreiking van aandelen. De tweede stap is een verkoop van alle aandelen in Beheer BV door de nieuwe BV aan een (niet-gelieerde) derde. Dit laatste zonder dat de koper overdrachtsbelasting is verschuldigd.38 De a.b.-houder heeft in verband met de (voorgenomen) aandelenfusie in oktober 2017 een verzoek ingediend bij de inspecteur met de vraag of sprake is van een (fiscaal te begeleiden) aandelenfusie.39 Op dat moment werden al besprekingen gevoerd met een potentiële koper. De inspecteur heeft een negatieve beschikking afgegeven en daarover gaat de procedure. De a.b.-houder heeft op zitting bevestigd dat het alternatief in de vorm van het ‘tweestappenplan’ is ingegeven door de wens om heffing van overdrachtsbelasting te vermijden. Ook bevestigde de a.b.-houder dat de aandelenfusie enkel noodzakelijk was om acute heffing van inkomstenbelasting ter zake van de (beoogde) verkoop van de aandelen in Beheer BV te voorkomen. Dit laatste is belangrijk. De a.b.-houder kon zijn aandelen in Beheer BV namelijk – zonder voorafgaande aandelenfusie – rechtstreeks verkopen aan een derde. De koper zou dan geen overdrachtsbelasting verschuldigd zijn. In dat geval zou de a.b.-houder echter positief inkomen uit a.b. genieten waardoor heffing van inkomstenbelasting aan de orde zou zijn. Het hof komt tot de conclusie dat de (voorgenomen) aandelenfusie uitsluitend is gericht op het uitstellen van deze acute inkomstenbelastingheffing. Deze zaak is interessant omdat ten tijde van het ingediende verzoek (oktober 2017) niet slechts een verkoopvoornemen aanwezig was, zoals in HR BNB 2009/28, maar ook al besprekingen werden gevoerd met een potentiële koper.40 Tegen de uitspraak van het hof is cassatie ingesteld. Hierdoor komt de Hoge Raad mogelijk in de gelegenheid duidelijkheid te verschaffen over de vraag of een fusie of splitsing nog fiscaal gefaciliteerd kan plaatsvinden ingeval vóór de besluitvorming over die fusie of splitsing niet slechts een bloot verkoopvoornemen aanwezig is, maar ook al gesprekken plaatsvinden met (een) potentiële koper(s), zonder dat een (opvolgende) aandelenverkoop is overeengekomen.
Wat betreft het ‘verkoop-klaarmaken’ ben ik me ervan bewust dat de antimisbruikbepaling van art. 14a, lid 6, Wet VPB 1969 een tweede bewijsvermoeden kent op grond waarvan zakelijke overwegingen geacht worden afwezig te zijn ingeval – kort gezegd – aandelen in de gesplitste rechtspersoon en/of de verkrijgende rechtspersonen binnen drie jaar na de splitsing buiten concern worden vervreemd (onzakelijkheidsvermoeden). De relatie tussen het oordeel van de Hoge Raad over het algemeen of bloot verkoopvoornemen in BNB 2009/28 en dat onzakelijkheidsvermoeden bespreek ik verderop in dit hoofdstuk.41
Toets aan het toetsingskader en aanbevelingen
De splitsing als alternatief voor – of als voorbode op – een andere rechtshandeling
Naar mijn mening kan sprake zijn van belastingontwijking als het gebruik van de rechtsfiguur van de splitsing en de daaraan gekoppelde en nagestreefde fiscale facilitering de betreffende belastingplichtige in een positie brengt waarmee belastingheffing ter zake van een op handen zijnde alternatieve of opvolgende rechtshandeling (vooralsnog) kan worden afgewend.42 Met het woord ‘vooralsnog’ beoog ik tot uitdrukking te brengen dat belastingontwijking mijns inziens niet alleen aan de orde kan zijn als een belastingclaim verloren gaat (ontgaan), maar ook als deze wordt uitgesteld. Het moet wat dit laatste betreft wel gaan om een vorm van oneigenlijk uitstel, dat wil zeggen belastinguitstel in strijd met doel en strekking van de – op de Fusierichtlijn gebaseerde – nationale splitsingsfaciliteit.43 Dit betekent dat het de belastingplichtige niet wordt tegengeworpen wanneer hij uit een reeks van beschikbare routes kiest voor een splitsing omdat daarmee claims kunnen worden doorgeschoven. Een dergelijk belastinguitstel vormt immers de crux van een doorschuifregeling en is geoorloofd.44 Naar mijn mening staat de wetgever in de basis ook deze tweedeling voor tussen enerzijds oneigenlijk uitstel en anderzijds geoorloofd uitstel.45 Gelet op de woordkeus ‘zodanig uitstellen’ in het uitkoopsplitsingsarrest zit ook de Hoge Raad op dit spoor. Als gevolg daarvan kan zowel het ontgaan van belastingheffing als het oneigenlijk uitstellen van belastingheffing worden bestreden. Het uitkoopsplitsingsarrest bevat een voorbeeld van oneigenlijk uitstel in de inkomstenbelastingsfeer bij splitsingen.46 Het bestrijden daarvan is in overeenstemming met de fiscaal-theoretische toets. Vergelijkbaar potentieel oneigenlijk gebruik op het niveau van de splitsingspartners bestaat erin dat een belaste verkoopwinst op vermogensbestanddelen met behulp van een splitsing, gevolgd door een aandelenverkoop, wordt getransformeerd in een onbelaste koerswinst op aandelen. Dat het niet volstrekt duidelijk is of de wetgever dit beschouwt als oneigenlijk uitstel of als ontgaan, is niet zo relevant.47 Helder is namelijk dat deze potentiële gevallen van belastingontwijking kunnen worden bestreden met de antimisbruikbepaling van art. 14a, lid 6, Wet VPB 1969. Dat is in overeenstemming met de fiscaal-theoretische toets.
De nationale antimisbruikbepalingen in art. 14a, lid 6, Wet VPB 1969 en art. 3.56, lid 4, Wet IB 2001 zijn met de term uitstellen zeer neutraal geformuleerd.48 Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen de twee hiervóór geïdentificeerde verschijningsvormen van belastinguitstel. Daarmee is de wettekst niet specifiek genoeg en daarmee onduidelijk. Hoewel de Hoge Raad hier in het uitkoopsplitsingsarrest een mouw aan heeft gepast via een Fusierichtlijnconforme interpretatie, dwingt de fiscaaltechnische toets ertoe de nationale antimisbruikbepaling te herformuleren. Het heeft daarbij niet mijn voorkeur om het woord ‘uitstellen’ te vervangen door ‘oneigenlijk uitstellen’. Mijns inziens is het beter om aan te sluiten bij de Fusierichtlijnterm ‘belastingontwijking’.49 Het argument van de wetgever dat deze term niet zonder meer bruikbaar is in de nationale regelgeving, snijdt volgens mij geen hout.50 Uiteindelijk moet toch worden vastgesteld of sprake is van belastingontwijking in de zin van art. 15 Fusierichtlijn. Daar verandert een nationale formulering niets aan. Overigens is hiermee uiteraard niet gezegd dat het overnemen van de Fusierichtlijntekst tot gevolg heeft dat alles direct duidelijk is. Bepalingen vragen nu eenmaal altijd om interpretatie. Omdat ik het niet treffender kan uitdrukken, citeer ik met instemming Van der Geld:51
“Overigens hadden we bij letterlijke opneming van de richtlijntekst in nationale wetgeving ook nog onzekerheden gehad, maar dat zijn onzekerheden die niet te voorkomen zijn omdat ze nu eenmaal inherent zijn aan de gebruikte richtlijntekst. De extra onzekerheid van zelf verzonnen wettekst levert eigenlijk alleen niet-functionele ruis op.”
Resteert de vraag of het bestrijden van oneigenlijk uitstel in overeenstemming is met het Europese misbruikconcept. Hoewel dat niet zeker is, vermoed ik dat dit zo is.52 Naar mijn mening komt fiscale facilitering van een splitsing namelijk in strijd met doel en strekking van de Fusierichtlijn als de doorslaggevende reden voor die splitsing is: het vooralsnog voorkomen van belastingheffing ter zake van een op handen zijnde alternatieve of opvolgende rechtshandeling. Niettemin was het beter geweest als de Hoge Raad een of meer prejudiciële vragen had gesteld aan het Hof van Justitie.53
Andere vormen van belastingontwijking?
In de wetsgeschiedenis en ook hiervóór is relatief veel aandacht besteed aan de discussie of het uitstellen van belastingheffing onder de Fusierichtlijnterm belastingontwijking valt. Helaas is de wetgever niet ingegaan op de vraag of, en zo ja onder welke omstandigheden, de antimisbruikbepaling kan worden ingezet in situaties waarin een splitsing wordt doorgevoerd om een concernstructuur te bereiken die in staat stelt gebruik te maken van daaraan verbonden fiscale voordelen.54 Mijns inziens kan de antimisbruikbepaling in dergelijke gevallen alleen worden toegepast als het gebruikmaken van die voordelen is aan te merken als belastingontwijking. En dat moet per situatie worden beoordeeld.55 Deze genuanceerde benadering is in overeenstemming met de jurisprudentie van het Hof van Justitie. In de zaak Foggia sloot het Hof van Justitie de toepassing van de antimisbruikbepaling van (nu) art. 15 Fusierichtlijn namelijk niet uit in een casus waarin een juridische fusie onder meer tot stand werd gebracht om verliezen te kunnen overnemen.56 En in de zaak Leur-Bloem werd het aan de verwijzende (Nederlandse) rechter overgelaten te beoordelen of de antimisbruikbepaling in de weg stond aan het nastreven van een fiscaal voordeel bestaande uit binnenjaarse verliessaldering binnen fiscale eenheid.57