Einde inhoudsopgave
Contractuele samenwerkingsverbanden in de BTW (FM nr. 133) 2009/24.4.8.5.9
24.4.8.5.9 Bij inbreng is er geen bezwarende titel omdat het rechtstreekse verband ontbreekt
A.J. van Doesum, datum 01-01-2009
- Datum
01-01-2009
- Auteur
A.J. van Doesum
- JCDI
JCDI:ADS370524:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting (V)
Onbekend (V)
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Fiscaal ondernemingsrecht (V)
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder meer: HvJ EG 20 juni 1991, nr. C-60/90 (Polysar), FED 1991/633, r.o. 5. HvJ EG 22 juni 1993, nr. C-333/91 (Sofitam), FED 1993/608, r.o. 12, HvJ EG 20 juni 1996, nr. C-155/94 (Wellcome Trust), V-N 1997, blz. 1034, r.o. 32, HvJ EG 6 februari 1997, nr. C-80/95 (Harnas & Helm), BNB 1997/386, r.o. 15, HvJ EG 14 november 2000, nr. C-142/99 (Floridienne/Berginvest), FED 2001/ 179, r.o. 17, HvJ EG 12 juli 2001, nr. C-102/00 (Welthgrove), BNB 2002/182, r.o. 13 en 14, HvJ EG 27 september 2001, nr. C-16/00 (Cibo), V-N 2001/55.7, r.o. 18 en 19, HvJ EG 26 juni 2003, nr. C442/01 (KapHag), V-N 2003/34.14, r.o. 38, HvJ EG 29 april 2004, nr. C-07/01 (EDM), BNB 2004/285, r.o. 57, HvJ EG 21 oktober 2004, nr. C-8/03 (BBL), V-N 2004/61.10, r.o. 38 en HvJ EG 26 mei 2005, nr. C-465/03 (Kretztechnik), BNB 2005/313, r.o. 19.
HvJ EG 27 september 2001, nr. C-16/00 (Cibo), V-N 2001/55.7, r.o. 43.
Vgl. HvJ EG 5 februari 1981, nr. 154/80 (Coöperatieve Aardappelenbewaarplaats), BNB 1981/232.
Ik merk op dat wanneer een vaste vergoeding wordt bedongen die, in het geval geen winst is gemaakt, niet wordt uitgekeerd of wanneer een vaste vergoeding naast een winstpercentage wordt bedongen, aan de niet-bepaalbaarheid en de afwezigheid van een rechtstreeks verband getwijfeld kan worden.
Vgl. HvJ EG 8 maart 1988, nr. 102/86 (Apple and Pear Development Council), Jur. 1988, blz. 1443.
In het voorgaande heb ik aangegeven dat noch de creditering op de vennootschapsbalans, noch de winstuitkering, noch het winstrecht de vergoeding vormt voor de inbreng door een vennoot. Maar zelfs áls van een vergoeding sprake zou zijn, dan kan mijns inziens nog steeds niet gesproken worden van een bezwarende titel.
Het begrip “bezwarende titel” veronderstelt enerzijds een (bedongen) vergoeding en anderzijds een rechtstreeks verband tussen die vergoeding en de verrichte prestatie (zie: deel III, hoofdstuk 15, paragraaf 15.4). In het geval van een inbreng in een personenvennootschap ontbreekt een rechtstreeks verband tussen de verrichte prestatie (de inbreng) en de ontvangst van een “tegenwaarde”. Vaak bestaat er wel een verband tussen de inbreng en de winstuitkering of het winstrecht, doch ik acht dit verband niet causaal. Integendeel, de winstuitkering en / of het winstrecht is niet rechtstreeks afhankelijk van de inbreng, doch afhankelijk van hetgeen met de inbreng wordt gedaan. Het is (het succes van) de samenwerking, (dat) die de omvang van de winstuitkering en het winstrecht bepaalt.
Bovendien heeft het HvJ EG, zoals ik in paragraaf 24.4.8.5.7 heb aangegeven, met betrekking tot dividenden geoordeeld, dat zij voortvloeien uit de loutere financiële deelneming in de vennootschap.1 Uit paragraaf 24.4.8.5.2 volgt dat uit de rechtspraak van het HvJ EG kan worden opgemaakt dat er geen principiële verschillen tussen financiële deelnemingen in kapitaalsvennootschappen en die personenvennootschappen bestaan. Een winstuitkering door een personenvennootschap vloeit voort uit de loutere eigendom van de financiële deelneming in die vennootschap. Er bestaat geen rechtstreeks verband met door de vennoten verrichte handelingen (zie ook paragrafen 24.4.8.5.7 en 24.4.8.5.8).
Voorts is er in de jurisprudentie van het HvJ EG een aanwijzing te vinden, dat de onvoorzienbaarheid van een winstuitkering of een winstrecht met zich meebrengt, dat van een rechtstreeks verband geen sprake kan zijn. Het HvJ EG kende in de zaak Cibo belang toe aan het gegeven, dat dividend voor een deel onvoorzienbaar is bij het bepalen of er een rechtstreeks verband bestond tussen het dividend en de dienst van de aandeelhouder.2 In deel III, hoofdstuk 15, paragraaf 15.4.4, heb ik echter aangegeven dat dit criterium niet al te strikt moet worden toegepast. Wordt dividend desondanks langs de in de zaak Coöperatieve aardappelenbewaarplaats neergelegde lat gelegd, dan moet worden vastgesteld dat dividend (voor een deel) onvoorzienbaar is en dus niet in een rechtstreeks verband met een levering of dienst kan staan.3 Hetzelfde heeft mijns inziens dan te gelden voor een winstuitkering door een personenvennootschap. Een winstrecht in een vennootschap is immers ook afhankelijk van vele factoren.4 Hoewel een vennoot door zijn werkzaamheden voor de vennootschap de winst van de vennootschap kan beïnvloeden, is een uitkering van de winst in een personenvennootschap in de kern niet anders en beter bepaalbaar dan dividend uit een kapitaalsvennootschap. De subjectieve waarde van een winstuitkering kan dan niet van tevoren worden vastgesteld. De redenering van het HvJ EG volgend, bestaat er daardoor geen rechtstreeks verband tussen de omvang van het voordeel, dat de vennoten zullen ontvangen en de waarde van de inbreng.5