Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/7.4.0
7.4.0 Introductie
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS435524:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Erwand (1996), p. 213; Cheshire & North (1999), p. 263; Dicey & Morris (2000), p. 392; Gaudemet-Tallon (2002), p. 57; Schlosser (2003), p. 51; Layton & Mercer (2004), p. 373; Geimer & Schiltze (2004), p. 109-110; Kropholler (2005), p. 101-103; Strikwerda (2005), nr. 234; Burgerlijke Rechtsvordering, Vlas, Verdragen & Verordeningen, art. 2 EEX-Verordening, aant. 3. Zie voor Nederlandse rechtspraak gewezen onder het EEX-Verdrag: Rb. Arnhem 1 november 1990, NIPR 1991, 227; Pres. Rb. 's-Gravenhage 5 januari 1993, NJ1994, 617; Hof Amsterdam 18 januari 1996, NIPR 1997, 187; Pres. Rb. Rotterdam 28 maart 1996, NIPR 1997, 260; Rb. Rotterdam 5 september 1996, /V/PR 1997, 141; Rb. 's-Gravenhage 23 december 1997, 1VIPR 1999, 82; Hof 's-Hertogenbosch 11 januari 2001, NIPR 2001, 289; Rb. Rotterdam 15 januari 2003, NIPR 2003, 130.
HvJ EG 1 maart 2005, C-281/02, Jur. 2005, p. 1-1383, Owusu/Jackson.
Toetredingsverdrag van 9 oktober 1978, Trb. 1978, 175.
Toe). Rapport Schlosser, EEX-Verdrag, nr. 76-78. Vgl. A. Gardella & L.G. Radicati Di Brozolo, `Civil Law, Common Law and Market Integration: The EC Approach to Conflicts of Jurisdiction', Am. Comp. L. 2003, p. 620: Probably the most significant evidence that the Convention' s original structure was left unaltered by the accession of the common law countries lies in the fact that this did not lead to any change on the basic issue of judicial discretion.'
Toel. Rapport Schlosser, EEX-Verdrag, nr. 78. Het EEX-Verdrag is voor het Verenigd Koninkrijk in werking getreden op 1 januari 1987, vlak nadat de House of Lords een belangrijke beslissing over forum non conveniens had gewezen. Zie Spiliada Maritime v. Consulex [1987] AC 460, 476: 'The basic principle is that a stay will only be granted on the ground of forum non conveniens where the court is satisfied that there is some other available forum, having competent jurisdiction, which is the appropriate forum for trial of the action, i.e. in which the case may be tried more suitably for the intererts of all parties and the ends of justice.' Vgl. Civil Jurisdiction and Judgments Act 1982, Section 49 (zoals nadien gewijzigd): Nothing in this Act shall prevent any court in the United Kingdom from staying, sisting, striking out or dismissing any proceedings before it, on the ground of forum non conveniens or otherwise, where to do so is not inconsistent with the 1968 Convention or, as the case may be, the Lugano Convention.'
Zie recentelijk Aikens J. in Royal & Sun Alliance v. MK Digital [2005] 2 Lloyd's Rep. 679, 691: `I have decided that the question of which of the two courts should deal with the matter must be determined under the Brussels I Regulation. If so, then, as is well established, the doctrine of forum non conveniens can have no application. It is inconsistent with the Brussels I Regulation regime.'
Voor art. 24 EEX-Verdrag: G.J.W. Steenhoff, 'Internationale bevoegdheid in kort geding', in: G.E. Schmidt (red.), Studiedag IPR & Kort geding, gehouden op 11 december 1998 in het Ministerie van Buitenlandse Zaken te Den Haag, Den Haag: T.M.C. Asser Press 2000, p. 25, 29-30; M. Zilinsky, `Kort geding en EEX', Bb 1998, p. 226.
Zie ook X.E. Kramer, Het kort geding in internationaal perspectief een rechtsvergellj kende studie naar de voorlopige voorziening in het internationaal privaatrecht, (diss. Leiden 2001), Serie Recht en Praktijk, 116, Deventer: Kluwer 2001, p. 133.
Voor het EEX-Verdrag: HvJ EG 9 december 2003, C-116/02, Jur. 2003, p.1-14693, Gasser/MISA 7; r.o. 72; HvJ EG 27 april 2004, C-159/02, Jur. 2004, p. 1-3565, Turner/Grovit, r.o. 24.
Voor het EEX-Verdrag: HvJ EG, C-281/02, Owusu/Jackson, r.o. 37 e.v.
Met uitzondering van art. 35 lid 1 EEX-Vo met betrekking tot schending van de regels inzake de bevoegdheid voor geschillen voortvloeiend uit rechtsverhoudingen waarbij een verzekeringnemer of consument is betrokken, alsmede van de regels inzake de exclusieve bevoegdheden in art. 22 EEX-Vo.
Voor het EEX-Verdrag: HvJ EG, C-159/02, Turner/Grovit.
Kropholler (2005), p. 101; P. Mankowski, `Entwicklungen im Intemationalen Privat- und Prozessrecht 2004/2005 (Teil 2)', R/W2005, p. 565; T. Rauscher & A. Fehre, 'Das Ende des forum non conveniens unter dem EuGVi und der Briissel I-VO?', ZEuP 2006, p. 469. Voor het EEX-Verdrag: Toel. Rapport Schlosser, EEX-Verdrag, nr. 78; P. Huber, 'Forum non conveniens und RIW 1993, p. 979.
In art. 15 lid 5 van de Verordening Brussel IIbis is een vergelijkbare oplossing te vinden voor zaken betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid. Zie par. 6.6.8-6.6.9.
In de EEX-Verordening is geen regel te vinden die de toepassing van het forum non conveniens-leerstuk door de bevoegde gerechten van een lidstaat ten gunste van de gerechten in een andere lidstaat mogelijk maakt. De op basis van de EEX-Verordening bevoegde rechter kan zich dus niet forum non conveniens verklaren op de grond dat het gerecht van een andere lidstaat in een geschiktere positie verkeert om de zaak te behandelen.1 Het HvJ EG herhaalt in het arrest Owusu/Jackson nog eens uitdrukkelijk dat er binnen het EEX-Verdrag geen plaats is ingeruimd voor een discretionaire beoordelingsvrijheid op grond van het forum non conveniens-leerstuk.2 Zie r.o. 37:
`(...) Vaststaat dat de opstellers van het verdrag geen aan de forum non conveniens-leer ontleende exceptie hebben opgenomen, ook al is het vraagstuk aan de orde gesteld tijdens de opstelling van het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk, zoals blijkt uit het rapport-Schlosser over dit verdrag (PB 1979, C 59, blz. 71, punten 77 en 78).'
Het Hof verwijst naar het Toelichtend Rapport Schlosser, dat is opgesteld bij de toetreding van Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot het EEX-Verdrag.3 Over de verhouding tussen de forum non conveniens-leer en het EEX-Verdrag vermeldt dit rapport het volgende:
`76. De voorstelling dat een overheidsrechter bij de beslissing over zijn plaatselijke of materiële bevoegdheid beoordelingsvrijheid bezit, is aan het continentale recht in het algemeen vreemd. Ook daar waar in de wettelijke bevoegdheidsnormen begrippen voorkomen die ongebruikelijk vaag zijn, beschouwt men dat niet als een beoordelingsbevoegdheid. Weliswaar kennen ook de continentale rechtsstelsels de machtiging om een geschil van het ene gerecht naar het andere te verwijzen, maar ook dan bestaat er geen vrijheid om al dan niet van deze machtiging gebruik te maken. In het Britse en Ierse procesrecht bestaan daarentegen op bepaalde gebieden dergelijke beoordelingsvrijheden wel. Deels stemmen deze overeen met de wettelijke voorschriften over de rechterlijke bevoegdheid die in de continentale Staten vergelijkenderwijs gedetailleerder zijn. Deels hebben zij echter daar geen functionele pendant. Dat maakt het moeilijk om deze bevoegdheden aan het Executieverdrag te toetsen. Er moet onderscheid worden gemaakt tussen het internationale en nationale toepassingsgebied van de rechtsidee.
77.a) In de betrekkingen met de gerechten van andere Staten, maar ook binnen het Verenigd Koninkrijk tussen de gerechten van verschillende rechtsgebieden (...), gaat het om de zogenaamde 'doctrine of the forum conveniens' c.q. — in Schotland — 'non conveniens'.(...)
De gerechten kunnen echter ook bij wijze van uitzondering de procedure en de beslissing over de zaak weigeren, als zij van oordeel zijn dat de zaak beter kan worden voorgelegd aan een even bevoegd gerecht van een andere Staat (of van een ander rechtsgebied), omdat dat gezien de omstandigheden van het geval zinvoller is, en met name de gelijke kansen der partijen beter zouden zijn gewaarborgd.
Voor de uitoefening van deze beoordelingsvrijheid bestaan er in de praktijk diverse speciale gronden: de scherpe eisen die de rechtsstelsels van het Verenigd Koninkrijk en Ierland traditiegetrouw stellen aan de wijziging van een `domicile' (...); de voorschriften over de rechterlijke bevoegdheid op grond van het enkele feit dat de dagvaarding op het gebied van de Staat is uitgebracht (...); ten slotte de grote moeilijkheden bij de toepassing van buitenlands recht door Britse of Ierse gerechten.
78.Dergelijke mogelijkheden hebben volgens de delegatie van de continentale Lid-Staten van de Gemeenschap gerechten in de oorspronkelijke Lid-Staten niet, als zij volgens het Executieverdrag bevoegd zijn en worden ingeschakeld.
(...) Verder werd aangevoerd dat volgens het Executieverdrag de Verdragsstaten niet alleen gerechtigd zijn om onder de voorwaarden van titel 2 rechtsmacht uit te oefenen, maar dat zij daartoe ook verplicht zijn. Een eiser dient zekerheid te hebben over de vraag welk gerecht bevoegd is. Hij mag geen tijd en kosten behoeven te verspillen met het risico dat het aangezochte gerecht zich minder geschikt acht dan een ander. Met name kan volgens de hele opzet van het Executieverdrag de toepasselijkheid van vreemd recht voor een rechter noch in het algemeen noch in een bijzonder geval aanleiding zijn om zich niet bevoegd te verklaren. Zijn er rechters in meerdere Staten bevoegd, dan heeft de eiser bewust een keuzerecht gekregen, dat door de toepassing van de 'doctrine of the forum conveniens' niet mag worden verzwakt. De eiser kan uit de bevoegde gerechten een ander 'ongeschikt' schijnend gerecht hebben uitgezocht om een beslissing te krijgen in de Staat waar hij ook wil executeren. Bovendien mag het risico van negatieve competentieconflicten niet uit het oog worden verloren. De continentale rechter kan zich namelijk ondanks de beslissing van de Britse rechter, ook onbevoegd achten. De zakelijke argumenten ten gunste van de `doctrine of the forum conveniens' verliezen trouwens aanzienlijk aan gewicht, zodra het Executieverdrag ook in het Verenigd Koninkrijk en Ierland in werking treedt. De invoeringswet zal voor het recht van genoemde Staten zowel de bepaling van het begrip `domicile' (...) als door het afschaffen van rechterlijke bevoegdheid op grond van het simpele feit dat in het rechtsgebied een dagvaarding is uitgebracht (...), niet onaanzienlijke wijzigingen met zich meebrengen. Het zal dan grotendeels overbodig zijn in afzonderlijke gevallen bevoegdheidsregels met betrekking tot het begrip 'forum conveniens' te corrigeren.'4
Na deze gedachtewisselingen hebben het Verenigd Koninkrijk en Ierland afgezien van formele wijzigingen in het EEX-Verdrag op het punt van het forum non conveniens.5 De gezichtspunten die het Toelichtend Rapport Schlosser tot uiting brengt ten aanzien van de verenigbaarheid van forum non conveniens met het EEX-Verdrag blijven van belang onder de EEX-Verordening.6
Art. 31 EEX-Vo maakt het mogelijk dat de gerechten in lidstaten voorlopige en bewarende maatregelen nemen, zelfs indien een gerecht in een andere lidstaat volgens de EEX-Verordening bevoegd is van het bodemgeschil kennis te nemen. De rechter die niet bevoegd is in de bodemzaak, kan voor het treffen van voorlopige en bewarende maatregelen bevoegdheid ontlenen aan art. 31 EEX-Vo in samenhang met zijn interne recht. Als voorwaarde geldt dan wel dat er een reële band bestaat tussen het voorwerp van de gevorderde maatregel en de territoriale bevoegdheid van de aangezochte rechter. Sommige auteurs menen een forum non conveniens te kunnen lezen in dit vereiste van reële band.7 Dat lijkt mij echter te ver gezocht. Immers, een forum non conveniens-toets impliceert het bestaan van rechtsmacht die komt te vervallen omdat niet voldaan is aan het vereiste van een reële band. Dat is hier niet het geval. Art. 31 EEX-Vo creëert pas rechtsmacht bij het bestaan van een reële band. Het vereiste van een reële band is niet rechtsmachtontnemend, maar rechtsmachtscheppend.8
Met de EEX-Verordening is, net als het EEX-Verdrag, een bindende bevoegdheidsregeling in het leven geroepen die door alle lidstaten geëerbiedigd moet worden.9 Indien de verordening rechtsmacht opdraagt, is het desbetreffende gerecht niet alleen gerechtigd, maar ook verplicht om zijn bevoegdheid uit te oefenen. Dit dwingend karakter bevordert het door de verordening nagestreefde beginsel van voorspelbaarheid van rechtsmacht. Partijen moeten in staat worden gesteld om in redelijke mate te voorspellen voor de gerechten van welke lidstaten een geschil gebracht kan worden. Toepassing van het forum non conveniens-leerstuk verstoort het bindend karakter van de rechtsmachtregeling en daarmee haar voorspelbaarheid.10
In verband met het beginsel van wederzijds vertrouwen staat de EEX-Verordening niet toe dat in het kader van de erkenning en de tenuitvoerlegging de rechtsmacht van het gerecht in een lidstaat wordt getoetst door het gerecht in een andere lidstaat.11 Een inmenging in de rechtsmacht van een ander gerecht is onverenigbaar met de verordening, zelfs indien zulks tot doel heeft misbruik van procesrecht door de verweerder in de nationale procedure te verhinderen.12 Forum non conveniens impliceert een inmenging in de rechtsmacht van een ander gerecht, omdat de geadieerde rechter nagaat of een alternatief forum in een andere lidstaat geschikter is om de zaak te behandelen. Ook uit dien hoofde is de toepassing van het forum non conveniensleerstuk in EEX-verband ongeoorloofd.
In de literatuur wordt het argument gebruikt dat het mogelijk maken van forum non conveniens in de betrekkingen tussen de lidstaten aanleiding kan geven tot een negatief rechtsmachtconflict13 Dit fenomeen treedt op wanneer de geadieerde rechter zich forum non conveniens verklaart, terwijl het geschikter bevonden gerecht weigert om rechtsmacht te aanvaarden. Daarmee zou de eiser in een rechtsmachtvacudm belanden. Naar mijn mening wordt dit risico overschat; een negatief rechtsmachtconflict kan op eenvoudige wijze worden voorkomen als een gerecht zich forum non conveniens verklaart onder de voorwaarde dat het alternatief bevoegd gerecht de rechtsmacht aanvaardt. Het gerecht ziet dan pas af van zijn bevoegdheid, nadat het tweede gerecht bevoegdheid heeft aanvaard. Verklaart het ontvangende gerecht zich onbevoegd, dan blijft de verwijzende rechter zijn rechtsmacht uitoefenen.14