Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/7.4.1
7.4.1 Verplichting c.q. bevoegdheid tot onbevoegdverklaring; art. 25, 27-28 EEX-Vo
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS431769:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Verdedigbaar is dat de geadieerde rechter van een lidstaat, ondanks de exclusieve rechtsmacht van de rechter in een andere lidstaat, de mogelijkheid behoudt om op basis van art. 31 EEX-Verordening voorlopige en bewarende maatregelen te nemen. Zie Burgerlijke Rechtsvordering, Vlas, Verdragen & Verordeningen, art. 23 EEX-Verordening, aant. 16.
Voor de toepassing van art. 27 is irrelevant of de rechtsmacht van de verschillende gerechten is gebaseerd op de EEX-Verordening of op het commune recht van de lidstaten. Voor het EEX-Verdrag: HvJ EG 27 juni 1991, C-351/89, Jur. 1991, p. 1-3317, NJ 1993, 527 (JCS), Overseas Union/New Hampshire.
Voor het EEX-Verdrag: HvJ EG 9 december 2003, C-116/02, Jur. 2003, p. 1-14693, Gasser/MISAT, r.o. 44. In dit arrest is bepaald dat de litispendentieregel van art. 21 EEX-Verdrag (vgl. art. 27 EEXVo) ook geldt indien de laatst aangezochte rechter zijn bevoegdheid heeft gebaseerd op een tussen partijen geldende exclusieve forumkeuze.
Samenhangend zijn vorderingen waartussen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde onverenigbare beslissingen te vermijden (art. 28 lid 3).
Burgerlijke Rechtsvordering, Vlas, Verdragen & Verordeningen, art. 28 EEX-Verordening, aant. 2. Zie voor een toepassing bijv. Rb. 's-Hertogenbosch 12 mei 2004, IVIPR 2004, 374.
Zie voor het EEX-Verdrag bijv. Rb. Rotterdam 14 december 1983, IVIPR 1984, 139 (verwijzing naar de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen, België); Rb. Rotterdam 19 april 2001, /V/PR 2001, 302 (verwijzing naar het Landgericht Llibeck, Duitsland).
Kropholler (2005), p. 366.
Conclusie A-G Léger, onder nr. 252, voor C-281/02, Owusu/Jackson: 'Anders dan artikel 21 [EEXVerdrag; art. 27 EEX-Vo, Fl] ter zake van aanhangigheid, is artikel 22 [EEX-Verdrag; art. 28 EEXVo, Fl] niet uitsluitend gebaseerd op de chronologische volgorde waarin de betrokken gerechten zijn aangezocht. Het laat de rechter bij wie de zaak het laatst is aangebracht enige beoordelingsbevoegdheid, aangezien hij de keuze heeft tussen aanhouding en verwijzing van de zaak. Er mag van worden uitgegaan dat deze keuze met name afhangt van de vraag of de rechter bij wie de zaak het eerst is aangebracht beter in staat is het geschil te beslechten dat bij de later aangezochte rechter aanhangig is. In dit opzicht (maar niet op andere punten) zou deze regeling kunnen worden vergeleken met die van de leer van het forum non conveniens.'
De EEX-Verordening verplicht het gerecht van een lidstaat bij wie een zaak aanhangig is gemaakt om zich onbevoegd te verklaren, indien (a) volgens de verordening het gerecht in een andere lidstaat exclusief bevoegd is of (b) hetzelfde geschil tussen partijen op een eerder tijdstip bij het gerecht in een andere lidstaat aanhangig is gemaakt. In het onder (a) genoemde geval gaat het erom dat de rechter geadieerd wordt ter zake van een geschil waarvoor op basis van art. 22 EEX-Vo de gerechten in een andere lidstaat exclusief bevoegd zijn. Dit kan het geval zijn omdat, bijvoorbeeld in een zakenrechtelijk geschil met betrekking tot onroerend goed, het onroerend goed in een andere lidstaat is gelegen (sub 1). De geadieerde rechter verklaart zich in dat geval ambtshalve onbevoegd ten gunste van het forum rei sitae (art. 25 EEX-Vo). De rechter verklaart zich eveneens onbevoegd, indien een der partijen zich in de procedure beroept op een tussen hen geldende exclusieve forumkeuze ten gunste van de gerechten in een andere lidstaat (art. 23 EEX-Vo). Het forum prorogatum claimt dan exclusieve rechtsmacht. In geen van beide gevallen is sprake van forum non conveniens, maar is de rechter verplicht om zich onbevoegd te verklaren in verband met het exclusief karakter van de rechtsmacht van een buitenlandse rechter.1
Het onder (b) genoemde geval ziet op litispendentie. De litispendentieregel in art. 27 EEX-Vo beoogt parallelle procedures voor gerechten in verschillende lidstaten en met elkaar strijdige beslissingen die daarvan het gevolg kunnen zijn, te voorkomen (vgl. art. 12 Rv).2 Het gerecht bij wie de zaak het laatst aanhangig is gemaakt, houdt zijn uitspraak ambtshalve aan totdat de rechtsmacht van het gerecht bij wie de zaak het eerst aanhangig is gemaakt, vaststaat (art. 27 lid 1). Het tijdstip van aanhangigheid wordt autonoom bepaald door art. 30 EEX-Vo. Als de rechtsmacht van de eerst aangezochte rechter vaststaat, verklaart de laatst aangezochte rechter zich onbevoegd (art. 27 lid 2). De laatst geadieerde rechter mag zelf in geen geval overgaan tot toetsing van de rechtsmacht van de eerst geadieerde rechter, tenzij hij ingevolge art. 22 EEXVo exclusief bevoegd is (zie art. 25 EEX-Vo).3 Art. 27 EEX-Vo bevat geen forum non conveniens-elementen, nu de laatst geadieerde rechter verplicht is om zich uiteindelijk — onbevoegd te verklaren. De rechter toetst niet of hij geschikter is en evenmin of diens rechtssfeer nauwer bij de zaak betrokken is dan de eerst aangezochte rechter. Beide fora zijn vanuit de verordening bezien even 'competent', maar ter voorkoming van tegenstrijdige beslissingen krijgt de rechtsmacht van de chronologisch als eerste aangezochte rechter voorrang.
Art. 28 EEX-Vo geeft een regeling voor samenhangende vorderingen en heeft als doel het voorkomen van tegenstrijdige beslissingen van gerechten in verschillende lidstaten.4 Indien samenhangende vorderingen aanhangig zijn voor gerechten in verschillende lidstaten, kan het gerecht waarbij de zaak het laatst aanhangig is gemaakt zijn uitspraak aanhouden. Dit geeft de laatst aangezochte rechter de mogelijkheid om bij het geven van zijn beslissing rekening te houden met de beslissing die door de eerst aangezochte rechter is gegeven.5 Anders dan bij litispendentie kan de laatst aangezochte rechter, op verzoek van een der partijen, ook beslissen tot verwijzing van de zaak naar de eerst aangezochte rechter (art. 28 lid 2 EEX-Vo).6 Hiervoor is wel vereist dat het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht bevoegd is van de betreffende vorderingen kennis te nemen — dit ter voorkoming van een negatief rechtsmachtconflict — en zijn wetgeving de voeging ervan toestaat. De rechter zal tot verwijzing van de zaak overgaan, indien hij van mening is dat een gezamenlijke behandeling de rechtsbedeling ten goede komt. Hierbij wordt rekening houden met bijvoorbeeld de graad van verbondenheid van beide vorderingen, de stand waarin de beide procedures zich bevinden en de nabijheid van bewijs.7 De beoordelingsvrijheid die de rechter hierbij heeft, doet denken aan een forum non conveniens-discretie.8