Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/5.2.4.1
5.2.4.1 Goodwill en bedrijfswaarde
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS345521:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Art. 4, tweede lid Wet VB 1964: 'Onder de bezittingen wordt mede begrepen goodwill waaraan voor de heffing van inkomstenbelasting een boekwaarde wordt toegekend'
MvA, blz. 6 Ik.
Vergelijk A-G Van Soest in zijn conclusie bij HR 15 januari 1975, nr. 17 564 in BNB 1975/44.
In gelijke zin Ch.P.A. Geppaart, t.a.p., blz. 173-174 die goodwill in het kader van art. 9, tweede lid slechts in aanmerking wil nemen als functionele, in bepaalde zaken neergeslagen hogere waarde.
R.P.C. Cornelisse, Enige fiscale aspecten van goodwill, FM nr. 60, Kluwer, Deventer, 1992, blz. 282, onderdeel 16.5.
Annotatie bij HR 2 januari 1992, nr. 27 092, BNB 1992/117.
In hoofdstuk 4 kwam de term 'goodwill' in relatie tot de `bedrijfswaarde' reeds aan de orde met betrekking tot de heffing van de inkomsten- en vennootschapsbelasting. Maar ook voor de vermogensbelasting kan een relatie worden gelegd tussen de waardering van een onderneming, de waardebepaling van goodwill en de mogelijke bedrijfswaarde van overige activa.
Goodwill als afzonderlijke zaak is (behoudens voor haar op de balans geactiveerde bedrag1 onbelast voor de vermogensbelasting (en overigens ook voor het successierecht). Toch is de wetgever van mening dat bij de waardering van de overige activa van de onderneming in enigerlei mate met goodwill rekening dient te worden gehouden:
`Daarnaast bewerkstelligt art. 9, tweede lid (vanaf 1990: derde lid/ GM), van het wetsontwerp dat een complex van zaken moet worden geschat naar de going-concernwaarde waarin ook reeds een bepaalde vorm van goodwill begrepen kan zijn.' Zoals hierboven is opgemerkt, sluit de omstandigheid dat de goodwill bij eenmanszaken en vennootschappen onder firma niet als afzonderlijke zaak in de belasting wordt betrokken, niet uit, dat hij toch invloed kan hebben op de waarde van tot het bedrijfsvermogen behorende zaken, hetzij afzonderlijk, hetzij als eenheid bezien:2
Enkele fiscalisten zijn het niet eens met deze redenering3. Van Soest komt met een creatieve oplossing en geeft aan dat het complex dat gevormd wordt door het ondernemingsvermogen, gewaardeerd moet worden op de waarde die het (als één geheel) in het economische verkeer heeft, dat wil zeggen: inclusief de 'belichaamde' goodwill, doch met uitsluiting van de persoonlijke, overdraagbare goodwill en (als dat denkbaar is) met uitsluiting van goodwill die wel overdraagbaar is, maar niet belichaamd in 'zaken' in de zin der wet.4
Cornelisse5 concludeert simpelweg op basis van een aantal overwegingen dat de waarde van goodwill, voor zover deze niet geactiveerd is, op generlei wijze in de vermogensbelasting kan worden betrokken.
En volgens Den Boer6 kan het niet zo zijn dat de waardeverhogende invloed van een goed rendement (tot uitdrukking komend in een goodwill) er toe leidt dat zelfgekweekte goodwill boven de maximale afzonderlijke waarden van de ondernemingsgoederen in aanmerking wordt genomen. Wel is het denkbaar dat het bedrijfspand van een goed lopende zaak een hogere waarde krijgt. In zijn optiek ligt bijvoorbeeld een hogere waarde niet in het verschiet bij de marktwaarde van standaardgoederen zoals bijvoorbeeld rekenmachines, toonbanken en dergelijke.
In feite is voor de vermogensbelasting sprake van een zekere discrepantie. Wordt namelijk een onderneming uitgeoefend in de vorm van een besloten vennootschap, dan dient de directeur /(groot)aandeelhouder de aandelen voor de waarde in het economische verkeer in de vermogensbelasting te betrekken. Door toepassing van een waardering op basis van de rentabiliteitswaarde wordt de in de onderneming aanwezige goodwill voor de vermogensbelasting belast. Wordt niettemin de onderneming uitgeoefend in de vorm van een eenmanszaak dan valt de niet-geactiveerde goodwill buiten de belastingheffing (art. 4, tweede lid Wet VB 1964) doch komt deze via de 'achterdeur' van art. 9, tweede lid (belastingheffing over de waarde van goodwill) de vermogensbelasting weer binnen.
Conclusie: Bij een waardering van bedrijfsmiddelen in hun functioneel verband (ex art. 9, tweede lid) vallen de begrippen 'waarde in het economische verkeer', waardering `going concern' en `bedrijfswaarde' samen. Ondanks de andersluidende mening van de hiervoor aangehaalde auteurs is het wel degelijk zo dat goodwill aan de afzonderlijke bedrijfsmiddelen moet worden toegerekend (zoals dit in zijn algemeenheid bij de bedrijfswaardebenadering het geval is). Dit heeft een waardeverhogend effect op deze activa.