Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid
Einde inhoudsopgave
Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 106) 2017/5.9.1:5.9.1 Aansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW: algemene opmerkingen
Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 106) 2017/5.9.1
5.9.1 Aansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW: algemene opmerkingen
Documentgegevens:
mr. C.E.J.M. Hanegraaf, datum 25-06-2017
- Datum
25-06-2017
- Auteur
mr. C.E.J.M. Hanegraaf
- JCDI
JCDI:ADS300073:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Bijv. Asser-Hartkamp 2002 (4-III) en De Valk 2009, p. 40-46.
Zie bijv. art. 6:170 BW (aansprakelijkheid van de werkgever voor onrechtmatige daden van ondergeschikten).
Huizink, GS Rechtspersonen, art. 2:9 BW, aant.14.1.
Zie par. 5.9.2.
Zie HR 6 april 1979, NJ 1980, 34 (Kleuterschool Babbel), HR 11 november 2005, NJ 2007, 231 (Voorsluijs) en HR 7 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2285 (Resort of the World/Maple Leaf), r.o. 3.7.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor een geslaagd beroep op art. 6:162 BW is vereist dat sprake is van – hetgeen niet echt verbazingwekkend is – een daad die onrechtmatig is. Daarvan is sprake bij een inbreuk op een recht of bij strijdigheid met een wettelijke plicht of de maatschappelijke betamelijkheid. Naast de onrechtmatige daad dient sprake te zijn van de volgende elementen: schade, toerekenbaarheid aan de dader, causaal verband tussen de daad en de schade en relativiteit (de geschonden norm moet strekken tot bescherming van de schade zoals de benadeelde die heeft geleden) (art. 6:163 BW).1 Voor een bespreking van die elementen wordt verwezen naar de literatuur hierover.2
Het leerstuk van de onrechtmatige daad gaat in beginsel uit van de gedachte dat men slechts aansprakelijk is voor eigen daden of voor eigen nalaten. Uitzonderingen op die regel dienen in de wet te zijn vastgelegd.3 In beginsel zal ten aanzien van elke persoon die op grond van art. 6:162 BW wordt aangesproken, bewezen dienen te worden dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een maatschappelijk onzorgvuldig handelen of nalaten.4
Niet alleen een natuurlijk persoon kan aansprakelijk zijn op grond van onrechtmatige daad (art. 6:162 BW). Ook een rechtspersoon kan aansprakelijk zijn op grond van onrechtmatige daad. Een rechtspersoon kan – gelet op het feit dat een rechtspersoon in feite niet meer is dan een “juridische constructie” – niet zelf een onrechtmatige daad plegen. Ten aanzien van een rechtspersoon-bestuurder bijvoorbeeld is een persoonlijk ernstig verwijt moeilijk voorstelbaar.5 Er dient daarvoor altijd sprake te zijn van een zekere vorm van toerekening/vereenzelviging. De feitelijk handelende persoon en de rechtspersoon dienen vanuit het perspectief van de benadeelde min of meer met elkaar te vereenzelvigen zijn om tot een toerekening te kunnen komen. Een bijvoorbeeld door een bestuurder gepleegde onrechtmatige daad kan aan een rechtspersoon worden toegerekend, wanneer die daad in het maatschappelijk verkeer als een gedraging van die rechtspersoon heeft te gelden.6