Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer
Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/7.5.6:7.5.6 Conclusie: overeenkomst sui generis
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/7.5.6
7.5.6 Conclusie: overeenkomst sui generis
Documentgegevens:
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS233001:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hiervoor heb ik de certificeringsovereenkomst getoetst aan de bepalingen die verschillende soorten in de wet geregelde rechtsverhoudingen beheersen, met name soorten overeenkomsten, waarmee de certificeringsovereenkomst parallellen heeft: opdracht, lastgeving, bewind en maatschap. Zeer kort samengevat, concludeer ik dat van deze overeenkomsten geen sprake is, althans niet bij familiale certificering, om de volgende redenen:
Hoewel de certificeringsovereenkomst het verrichten van werkzaamheden met zich kan brengen, zijnde het (positieve) hoofdkenmerk van de overeenkomst van opdracht, richt certificering zich vooraleerst op het beheer van het gecertificeerde vermogen. Het eventuele verrichten van werkzaamheden is slechts een uitvloeisel van het beheer. Omdat certificering zoveel meer omvattend is, is geen sprake van een overeenkomst van opdracht.
De overeenkomst van lastgeving is een species van de overeenkomst van opdracht. Gezien mijn conclusie dat zich geen overeenkomst van opdracht voordoet, kan reeds om die reden geen sprake zijn van lastgeving. Daar komt bij dat lastgeving gaat om het verrichten van rechtshandelingen voor rekening van de lastgever en hoewel certificering zeker het verrichten van rechtshandelingen voor rekening van de certificaathouder met zich kan brengen, is ook dat een ondergeschikt deel van de overeenkomst.
Wel is denkbaar dat, gezien het bepaalde in artikel 7:424 lid 1 BW de lastgevingsbepalingen van overeenkomstige toepassing zijn. Dit is evenwel slechts het geval voor zover de certificeringsovereenkomst zich daar niet tegen verzet. Dat betekent mijns inziens dat, indien het beperkt of niet-royeerbare certificaten betreft, de aard van de certificeringsovereenkomst zich verzet tegen een ruimere opzeggingsmogelijkheid van deze overeenkomst op grond van de bepalingen die gelden voor lastgeving.
Ook is in de literatuur een parallel getrokken tussen certificering en bewind, alsmede de vraag gesteld of artikel 4:178 lid 2 BW, dat de beëindiging van het bewind op verzoek van de rechthebbende regelt, van overeenkomstige toepassing kan zijn bij certificering, gezien de vergelijkbaarheid in doelstelling (althans bij familiale certificering). Naar mijn mening kan gezien de grote juridische verschillen tussen beide rechtsfiguren noch van bewind, noch van analoge toepassing van artikel 4:178 lid 2 BW sprake zijn.
Ten slotte kan de vraag rijzen of een certificeringsovereenkomst kan kwalificeren als maatschap. In zichzelf lijkt mij niet ondenkbaar dat certificering onder omstandigheden tot een overeenkomst van maatschap kan leiden. In het geval van familiale certificering staan echter het beheer en de bescherming van vermogen voorop, hetgeen er aan in de weg staat dat sprake is van een maatschap.
Interessant is ook om op te merken dat de stelling, dat sprake is van een (opzegbare) overeenkomst van bijvoorbeeld opdracht, voor zover mij bekend ook niet betrokken is in jurisprudentie met betrekking tot zaken waarin, al dan niet met succes, gepoogd is om een certificering ongedaan te maken: Drukker1 en Kluft Distrifood2.
Gezien het voorgaande is de overeenkomst van certificering naar mijn mening, althans waar het certificering in de familiesfeer, met als doel vermogensbescherming, betreft, een overeenkomst sui generis. Bij certificering met andere oogmerken kan evenwel niet op voorhand uitgesloten worden dat sprake is van een maatschap; dit zal per geval beoordeeld moeten worden. Ter afsluiting merk ik op dat de gedachte, dat certificering een overeenkomst sui generis is, bepaald niet nieuw is: reeds in 1899 werd een certificeringsovereenkomst door rechtbank Amsterdam als zodanig aangemerkt.3