Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/3.6.2
3.6.2 Veranderingen in beoefening van ondernemingsrechtswetenschap
F.G.K. Overkleeft, datum 28-05-2017
- Datum
28-05-2017
- Auteur
F.G.K. Overkleeft
- JCDI
JCDI:ADS383376:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie in het bijzonder L. Timmerman, ‘Over de toekomst van het vennootschapsrecht’,RM Themis 1999, p. 43-51 en L. Timmerman, ‘Een gunstiger klimaat voor zeggenschap van aandeelhouders van Nederlandse beursfondsen’, RM Themis 1999, p. 272-283. Zie voorts Timmerman 1997 (beschouwing over het rapport van de Commissie Peters) en Timmerman 2000 (over het vennootschapsrecht in het nieuwe millennium).
Zie bijvoorbeeld reeds Sanders 1952 voor een voorbeeld van een beschouwing waarin het juridisch kader, de politieke context en de praktijkdimensie op een coherente en zuivere wijze geïntegreerd worden weergegeven.
J.W. Winter, ‘Stemmen op afstand via het Communicatiekanaal Aandeelhouders’ in P.C. van den Hoek et al. (reds.), Corporate Governance voor Juristen, IVO-reeks nr. 30, Deventer: Kluwer 1998, p. 81-103 (onder meer verwijzend naar Van Ginneken 1998). Winter zou in 2000 ook zijn Rotterdamse oratie over dit onderwerp houden. Zie voor een reprise J.W. Winter & M.J. van Ginneken, ‘Stemmen op afstand opnieuw bekeken’, in P.H.J. Essers et al. (reds.), Met Recht, liber amicorum M.J.G.C. Raaijmakers, Deventer: Kluwer 2009, p. 139- 152.
Zie laatstelijk het Rapport Commissie Beschermingsconstructies 1987 dat onder voorzitterschap van Van der Grinten tot stand was gebracht.
J.M.M. Maeijer, ‘Proxy solicitation; beschermingsconstructies’, voordracht gehouden te Nijmegen op 11 november 1995, in J.R. Schaafsma et al. (reds.), Ontwikkelingen in het Effectenverkeer, Van der Heijden-reeks nr. 50, Deventer: Kluwer 1996, p. 119-161 (inclusief bijlagen).
Asser-Maeijer 2000, nr. 253a.
Ibid, nr. 365.
Zie Pitlo-Raaijmakers 2006, p. 72 (verwijzend naar het ontwerp van Maeijer dat aan wetsvoorstel 28 746 ten grondslag lag).
Illustratief is P. van Schilfgaarde, ‘Gelijke behandeling van aandeelhouders’, in P.C. van den Hoek et al. (reds.), Corporate Governance voor Juristen, IVO-reeks nr. 30, Deventer: Kluwer 1998, p. 19-28.
Naast deze groep ondernemingsrechtswetenschappers met nauwe praktijkbanden was er binnen het Nederlandse ondernemingsrecht nog een tweede groep wetenschappers die in de jaren ’90 meebewogen in de aanzetten tot een ‘nieuw’ ondernemingsrecht. Deze groep bestond uit niet aan de praktijk gebonden wetenschappers die uit intellectuele nieuwsgierigheid op zoek gingen naar vernieuwende ideeën over corporate governance en daartoe ook nieuwe wetenschappelijke bronnen uit binnen- en buitenland aanboorden. Het rechtseconomisch werk van De Kluiver (zie §4.6) is hiervan een goed voorbeeld. Ook Timmerman heeft op dit vlak met enkele diepgravende beschouwingen een grote bijdrage geleverd.1 De beschouwingen van deze groep rechtswetenschappers kenmerkten zich in het bijzonder door een breed brongebruik. De auteurs wensten zich niet te beperken tot de traditionele bronnen van wetgeving, jurisprudentie en Nederlandse juridische literatuur, maar zochten nadrukkelijk de verbreding naar buitenlandse literatuur, economische artikelen, beleidsrapporten, nieuwsberichten en andere – strikt genomen – niet-juridische bronnen. Nu is het vennootschapsrecht nooit een zuivere studeerkameraangelegenheid geweest,2 maar in deze ‘moderne’ artikelen is ten opzichte van het verleden naar mijn mening een duidelijk verbreding in brongebruik en perspectief zichtbaar.
Vanuit dit bredere perspectief waren gevestigde wetenschappers als Timmerman en De Kluiver, maar ook – toen nog – jongere ondernemingsrechtjuristen als Winter, Kroeze en Van Ginneken goed toegerust om volwaardig aan het – op dat moment al door economen gedomineerde – debat over corporate governance deel te kunnen nemen. Rapporten zoals de veertig aanbevelingen van de Commissie Peters en de OECD Principles of Corporate Governance (zie §4.6.4 hierna) boden voor deze groep wetenschappers een aanknopingspunt of inspiratiebron voor hun eigen gedachtenvorming over corporate governance. Voorts wist de groep jonge wetenschappers die overigens veelal zelf ook in de praktijk werkzaam waren in het kielzog van de vernieuwingen op het gebied van corporate governance een aantal nieuwe onderwerpen aan zich te trekken, zoals stemmen op afstand en ‘proxy solicitation’.3 Aldus nam ook deze tweede groep rechtswetenschappers met nieuwsgierigheid en tenminste enig enthousiasme deel aan de verkenningen om te komen tot een modern ondernemingsrecht voor beursvennootschappen.
Bij dit alles ontstond een tweedeling tussen de bovengenoemde groepen ondernemingsrechtswetenschappers en een derde groep. Traditionele vennootschapsrechtjuristen waren in het wetenschappelijk debat over corporate governance vanaf medio jaren ’90 grotendeels afwezig. De stelling lijkt gerechtvaardigd dat hiermee de behoudende vleugel in de ondernemingsrechtswetenschap in de discussie ondervertegenwoordigd was. Van der Grinten, die eind jaren ’80 nog een matigende invloed had gehad op de onderhandelingen tussen de VvdE en de VEUO over beschermingsconstructies,4 was in 1994 overleden. Maeijer hield zich, op een enkele bijdrage na,5 afzijdig in het debat over corporate governance. Typerend is de opmerking die hij in zijn Asser-bewerking uit 2000 aan de veertig aanbevelingen van de Commissie Peters wijdde: “Omdat ook juristen in de praktijk te maken kunnen krijgen met de in de aanbevelingen vervatte gedragsregels, zal in dit boek op diverse plaatsen naar aanbevelingen worden verwezen.”6 Dit citaat impliceert dat Maeijer de aanbevelingen van de Commissie Peters als iets niet-juridisch zag – wat formeel gezien juist was – en wekt de indruk dat Maeijer het als jurist niet tot zijn taak rekende om zich met deze materie bezig te houden. Eenzelfde sentiment is te bespeuren in de passage over de op dat moment levende discussie over de aanpassing van de structuurregeling, waarin Maeijer volstond met een korte vermelding van de belangrijkste literatuur en de constatering dat een en ander nog niet tot een concreet voornemen tot aanpassing van de relevante wetgeving had geleid.7 Een mogelijke verklaring zou zijn dat Maeijer de sterk opkomende discussie over de inrichting van Nederlandse (beurs)vennootschappen in vervolg op het rapport van de Commissie Peters als een vorm van waan van de dag heeft beschouwd en dat hij zich lange tijd niet heeft gerealiseerd hoe sterk de normatieve verschuiving in opvattingen in de wetenschap, politiek en praktijk op dit punt is geweest. Een andere verklaring zou kunnen zijn dat Maeijer zich in deze periode vooral bezighield met het nieuwe ontwerp voor de wettelijke regeling voor personenvennootschappen, in de contemporaine literatuur doorgaans aangeduid als ‘Titel 7.13’.8 Gegeven de grote omvang van dit project is het niet onaannemelijk dat Maeijer zodanig door dit project in beslag werd genomen dat hij tijd en aandacht tekort kwam om zich daarnaast ook nog actief in wetenschappelijke discussies over beursvennootschappen te mengen.
Ook andere prominente ondernemingsrechtsgeleerden lieten zich niet, of slechts in zeer beperkte mate, zien in het wetenschappelijk debat. Zo nam Van Schilfgaarde in dit debat een relatief bescheiden rol in, waarbij hij bovendien de actuele discussies vanuit het perspectief van het positief Nederlands recht tegemoet trad en zich – bewust dan wel onbewust – niet op het bredere discussieterrein op het gebied van corporate governance begaf.9 Voor andere hoogleraren en wetenschappers op het terrein van het ondernemingsrecht zal hebben gegolden dat het onderwerp corporate governance niet tot hun onderzoeksgebied behoorde of dat zij niet in het verschijnsel beursvennootschap geïnteresseerd waren. Het is dan ook niet na te gaan of er binnen de beroepsgroep iets van een ‘silent majority’ is geweest en zo ja, aan wiens zijde deze stille meerderheid zich zou hebben geschaard. In ieder geval is zichtbaar dat het wetenschappelijk debat over corporate governance leidde tot een tweedeling in de rangen van ondernemingsrechtswetenschappers. Een deel stortte zich enthousiast in de discussie, inclusief een groep jonge wetenschappers voor wie deze discussie een uitgelezen mogelijkheid bood om zich binnen het vakgebied te profileren. Een ander deel haakte af of nam niet deel aan deze discussie, mogelijk in de veronderstelling dat alle ophef over corporate governance wel over zou waaien. Zo kon een brede normatieve verschuiving in de rechtswetenschap ontstaan.