Einde inhoudsopgave
Regres bij concernfinanciering (VDHI nr. 156) 2019/5.3.0
5.3.0 Introductie
mr. drs. C.H.A. van Oostrum, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. C.H.A. van Oostrum
- JCDI
JCDI:ADS588574:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Verbintenissenrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Anders Van Boom, AA 2013, p. 36-43, p. 37; Van Boom 1999, p. 98. Van Boom meent dat art. 3:306 BW van toepassing dient te zijn op art. 6:10 BW daar de regresvordering volgens hem geen ‘rechtsvordering tot vergoeding van schade’ is, maar een rechtsvordering tot bijdragen. Zie ook HR 4 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO6210, NJ 2006/323 (Camerling/Gemeente Heerlen).
PHR 06 april 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BU3784 (ASR/Achmea), nr. 27.
HR 06 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3784 (ASR/Achmea), r.o. 3.6. Zie ook de conclusie van A-G De Vries Lentsch-Kostense, PHR 06 april 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BU3784 (ASR/Achmea), nr. 10-12. Vgl. het Duits recht: BGH 18 juni 2009, VII ZR 167/08, NJW 2010, 60; BGH08 november 2016, VI ZR 200/15, VersR 2017, 170.
Als eerste wordt het ASR/Achmea-arrest uiteengezet. Daarna worden de kwalificaties van dit arrest besproken in het licht van de literatuur en de jurisprudentie. Tot slot is er naar aanleiding van het arrest De Lage Landen c.s./L.B.A. van Logtestijn in deze paragraaf aandacht voor het gebruik van contractuele regresrechten.
Het feitencomplex van het ASR/Achmea-arrest is de volgende. Van Aart en Schellekens hebben ieder voor 50% een aan hen toebehorend Fries paard in eigendom, dat gestald is bij een manege in Sint-Michielsgestel, waar het paard wordt verzorgd. Op 26 oktober 1990 heeft het paard tijdens zijn verzorging Van den Ven tegen haar knie getrapt, met ernstig letsel tot gevolg. Van den Ven heeft Schellekens per brief van 8 september 1995 aangesproken tot vergoeding van haar schade. Op 1 april 1999 wordt Schellekens door Van den Ven gedagvaard. De procedure mondt uit in een declaratoir vonnis waarin wordt verklaard dat Schellekens aansprakelijk is.
De aansprakelijkheidsverzekeraar van Schellekens, Achmea schadeverzekeringen NV (hierna: Achmea), doet twee betalingen aan Van den Ven en wordt als zodanig gesubrogeerd in de vorderingsrechten van Schellekens. Op 7 augustus 2001 spreekt Achmea Van Aart en zijn schadeverzekering, een rechtsvoorganger van ASR schadeverzekeringen NV (hierna: ASR) aan tot vergoeding van 50% van het uitgekeerde bedrag op grond van het gesubrogeerde regresrecht van Schellekens. ASR stelt zich echter op het standpunt dat de regresvordering van Schellekens jegens Van Aart ex art. 3:310 BW verjaard is. Achmea betwist de verjaring van haar vordering en dagvaardt ASR voor de rechtbank Utrecht. Achmea vordert een verklaring voor recht waarin Van Aart en ASR hoofdelijk gehouden zijn tot betaling van de helft van het door haar uitgekeerde bedrag naar aanleiding van het ongeval van Van den Ven.
Nadat de feitenrechters het verjaringsverweer van ASR niet hebben gehonoreerd gaat de zaak in cassatie alwaar een oordeel geveld moet worden over de vragen of a) de door het hof gehanteerde vijfjarige verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW van toepassing is op een regresvordering in de zin van art. 6:10 BW en b) op welk moment een dergelijke regresvordering ontstaat. De Hoge Raad is het met het hof eens dat art. 3:310 lid 1 BW van toepassing is op regresvorderingen krachtens art. 6:10 BW. Hij stelt in r.o. 3.5:
‘Een dergelijke regresvordering kan beschouwd worden als een “rechtsvordering tot vergoeding van schade” in de zin van art. 3:310 lid 1, welk begrip een ruime strekking heeft. De rechtsvordering strekt ertoe te voorkomen dat de niet aangesproken schuldenaar ten koste van de aangesproken schuldenaar ongerechtvaardigd wordt verrijkt doordat laatstgenoemde het verschuldigde heeft voldaan voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat.’1
Ten aanzien van het ontstaansmoment van de regresvordering ex art. 6:10 BW oordeelt de Hoge Raad, overigens geheel in lijn met A-G De Vries Lentsch-Kostense2, dat:
‘de regresvordering pas ontstaat indien de hoofdelijk verbonden schuldenaar de schuld voldoet voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat. Deze betaling door de hoofdelijk verbonden schuldenaar is dan ook niet een voorwaarde in de zin van art. 6:21 BW (voorwaardelijke verbintenis), maar een wettelijke voorwaarde voor het ontstaan van de regresvordering.’3
Voorgaande zorgt ervoor dat het cassatieberoep van ASR wordt verworpen en vaststaat dat Achmea een regresvordering heeft jegens ASR en Van Aart voor de helft van het aan Van den Ven uitgekeerde schadebedrag.