Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/15.4.3.5:15.4.3.5 Formalisering verhoorbegrip in fiscale uitvoeringssfeer?
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/15.4.3.5
15.4.3.5 Formalisering verhoorbegrip in fiscale uitvoeringssfeer?
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS494767:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie nader Haas/Jansen 2010, p. 120.
Vgl. Wattel, noot onder EHRM 25 februari 1993 (Funke v. Frankrijk), BNB 1993/350, pt. 7. Met betrekking tot het wetvoorstel 23 470 (tot wijziging van het stelsel van administratieve boeten en het fiscale strafrecht) meent hij dat de regering ten onrechte de indruk wekt dat er van een verhoor alleen sprake zou zijn als het gesprek plaatsvindt naar aanleiding van een oproep voor een verhoor door de boete-inspecteur.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor de toepasselijkheid van het fiscaal zwijgrecht in art. 67j AWR (oud) was beslissend de redelijke verwachting omtrent boeteoplegging, die een belastingplichtige kon ontlenen aan een handeling van de inspecteur jegens hem. Van een formele koppeling met het verhoor was geen sprake. Wel kende art. 67l, lid 1 AWR (oud) de inspecteur de bevoegdheid toe om de belasting- of inhoudingsplichtige op te roepen voor verhoor in verband met de boeteoplegging.1 Deze oproeping strekte ertoe de betrokkene gelijk duidelijk te maken dat hij niet werd opgeroepen om te praten over het opleggen van een belastingaanslag, maar over het opleggen van een boete.
Hoewel de rechtskracht van uitvoeringsbeleid achterblijft bij die van wettelijke voorschriften en uitspraken daarover door de rechter, wijs ik op de (beleidsmatige) invulling van het verhoor in fiscale boetezaken door de staatssecretaris van Financiën. Zo was in de toelichting bij § 13 van het inmiddels ingetrokken BBBB 1998 vastgelegd dat zolang de inspecteur in het kader van zijn voornemen om een boete op te leggen zich beperkt tot een aanvullend feitenonderzoek door het raadplegen van boeken of andere gegevensdragers of het stellen van schriftelijke vragen, geen sprake is van een ‘verhoor’ en niet de cautie hoeft te worden geven. Buiten verhoor moest de belasting- of inhoudingsplichtige in algemene zin zélf een beroep doen op het zwijgrecht (zie § 12 van het ingetrokken BBBB 1998). De cautie was dus niet voorgeschreven bij elk contact tussen inspecteur en de belasting- of inhoudingsplichtige na het moment van de criminal charge; ook niet bij directe confrontaties tussen de inspecteur en de boeteling (zonder dat sprake is van een ondervraging).
Ondervanging ontbreken formele regeling voor oproeping in art. 5:10a Awb
§ 14 van het huidige BBBB duidt erop dat de staatssecretaris van Financiën voor wat betreft de invulling van het boeterechtelijk verhoor-begrip aansluiting zoekt bij de regeling van 67l AWR (oud). Onder verwijzing naar art. 5:10a Awb wordt daarin vermeld dat de belanghebbende tijdens verhoor niet tot antwoorden verplicht is. Hierop moet hij voor aanvang van het verhoor worden gewezen. Na afloop van het verhoor maakt de inspecteur een verslag op, waarvan de belanghebbende een afschrift krijgt. De gedetailleerde beschrijving van de gegevens die het verslag moet bevatten, draagt bij aan het beeld dat de staatssecretaris het ontbreken in de Awb van een formele regeling voor de oproeping voor verhoor beleidsmatig heeft willen ondervangen.
Dit duidt in ieder geval op een meer formele invulling van het verhoorbegrip in fiscale boetezaken dan de wetgever in bestuurlijke boetezaken kennelijk voor ogen staat.2 Omdat in fiscale boetezaken nauwelijks ‘echte’ verhoren in vorenbedoelde zin plaatsvinden, zou de door de staatssecretaris voorgestane invulling van het verhoorbegrip betekenen dat de criminal charge in feite opschuift richting (de aankondiging van) de boeteoplegging zelf.