Einde inhoudsopgave
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/4.4.1.2
4.4.1.2 De Ondernemingsraad
Mr. B. Kemp, datum 21-07-2015
- Datum
21-07-2015
- Auteur
Mr. B. Kemp
- JCDI
JCDI:ADS303754:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Van Mierlo 2013, p. 23, 27.
Loonstra & Zondag 2010, p. 698.
Sociaal Economische Raad, Advies: inzake uitbreiding bevoegdheden ondernemingsraden 1968, nr. 13. De Ondernemingsraad had onder de wet van 1950 een te eenzijdig karakter. In de wet kwam niet voldoende naar voren dat er verschillende aanwezige belangen waren, mede omdat de bestuurder in de Ondernemingsraad zat en daar tevens voorzitter van was en omdat de werknemers in de Ondernemingsraad gekozen waren door de werknemers. Zij zaten derhalve vanuit verschillende posities (en met een andere ‘achterban’ en dus belang) in de Ondernemingsraad (Asser/Maeijer 2000, nr. 453).
Asser/Maeijer 2000, nr. 453.
Asser/Maeijer 2000, nr. 453.
Loonstra & Zondag 2010, p. 699.
Evenzo: Van Mierlo 2013, p. 28. Hij wijst erop dat de Ondernemingsraad als gevolg hiervan een monistisch karakter krijgt.
Asser/Maeijer 2000, nr. 453.
Asser/Maeijer 2000, nr. 453; De Leede 1988, p. 126; Maeijer 2000, p. 419; Vink & Van het Kaar 2010, p. 42; Praktijkgids Ondernemingsraden 2004, p. 169. Zie in dit verband ook Van Mierlo, die de rol van de Ondernemingsraad als volgt beschrijft: ‘De Ondernemingsraad is de kritische luis in de ondernemerspels die er op toeziet dat de werknemersbelangen op een volwaardige manier worden betrokken bij beleid en besluiten van de ondernemer’ (Van Mierlo 2013, p. 26). Anders echter: Hof Amsterdam (OK) 5 oktober 2005, JOR 2005, 296 m.nt. Leijten (Smit Transformatoren).
Hiermee doel ik niet op het belang van de gezamenlijke werknemers, maar op het belang van de (individuele) leden van de Ondernemingsraad.
De eerste Wet op de ondernemingsraden trad in werking in 1950. Aan deze wet lag de samenwerkingsgedachte ten grondslag1 en de wet ging uit van het gemeenschappelijk belang bij het goed functioneren van de arbeidsgemeenschap.2 De Ondernemingsraad was bedoeld voor advies en overleg tussen het bestuur en de werknemers. Dit blijkt onder meer uit het feit dat de ondernemer/directeur tevens voorzitter van de Ondernemingsraad was.
Met de wetswijziging van 1971 werd hier, in navolging van hetadvies van de SER,3 verandering in gebracht. De Ondernemingsraad kreeg een dualistisch karakter. Zij diende enerzijds te fungeren als overlegorgaan tussen ondernemer/directie en de werknemers en anderzijds diende zij de belangen van de werknemers te vertegenwoordigen.4 Dit dualistisch karakter is ook met zoveel woorden neergelegd in artikel 2 lid 1 van de WOR:
‘De ondernemer die een onderneming in stand houdt waarin in de regel ten minste 50 personen werkzaam zijn, is in het belang van het goed functioneren van die onderneming in al haar doelstellingen verplicht om ten behoeve van het overleg met en de vertegenwoordiging van de in de onderneming werkzame personen een ondernemingsraad in te stellen en jegens deze raad de voorschriften, gesteld bij of krachtens deze wet, na te leven.’
De Ondernemingsraad was er derhalve enerzijds in het belang van het goed functioneren van de onderneming en anderzijds om (het belang van) de werknemers te vertegenwoordigen. Het dualistische karakter zat in het feit dat de Ondernemingsraad derhalve twee doeleinden had.
De eerste vraag is of dit dualistische karakter thans nog bestaat. Na de wetswijziging van 1971 kwam de regering Den Uyl in 1976 met een nieuw wetsontwerp, waarin de Ondernemingsraad in de eerste plaats tot taak zou hebben de belangen van de werknemers in de onderneming te behartigen.5 Hoewel het wetsontwerp flink werd gewijzigd, bleef de grondgedachte betreffende het karakter van de Ondernemingsraad als behartiger van de belangen van de werknemer gehandhaafd. Als gevolg van deze wetswijziging maakte ‘de bestuurder’ geen deel meer uit van de Ondernemingsraad en bestond deze enkel uit door de werknemers zelf gekozen leden.6 Als gevolg van deze wijziging werd het dualistisch karakter van de Ondernemingsraad al relatief snel weer enigszins naar de achtergrond geschoven,7 althans anders vormgegeven. Maeijer overweegt in dit verband:
‘In art. 2 lid 1 is blijven staan dat, in het belang van het goed functioneren van de onderneming in al haar doelstellingen (belang van de onderneming) de Ondernemingsraad moet worden ingesteld ten behoeve van het gezamenlijk overleg met én de vertegenwoordiging van in de onderneming werkzame personen. In zoverre is het functioneren van de OR dualistisch: gericht op twee doeleinden.’8
In de literatuur lijkt vrij algemeen te worden aangenomen dat de Ondernemingsraad het belang van de werknemers dient te behartigen en niet een meer gemeenschappelijk gericht belang, zoals bijvoorbeeld het vennootschappelijk belang.9
Desalniettemin is het de vraag hoe deze twee doeleinden zich jegens elkaar zouden moeten verhouden. Is het goed functioneren van de onderneming dan toch ondergeschikt aan het belang van de werknemers vanuit het perspectief van de Ondernemingsraad of andersom? Of zouden de twee belangen strikt naast elkaar moeten staan? De laatstgenoemde mogelijkheid lijkt mij in ieder geval onwenselijk en praktisch onuitvoerbaar, omdat er dan sprake kan zijn van een interne tegenstrijdigheid. Daarnaast zou de focus op twee doeleinden veel onduidelijkheid met zich brengen, waar vervolgens ook dankbaar gebruik van zou kunnen worden gemaakt door een op zijn eigen belang10 gerichte Ondernemingsraad. De Ondernemingsraad kan zich steeds proberen te verschuilen achter het belang van werknemers of de vennootschap/onderneming. Wanneer de Ondernemingsraad een besluit neemt dat het werknemersbelang beschadigt, zou hij zich kunnen verschuilen achter het belang van de vennootschap en wanneer de Ondernemingsraad een besluit neemt dat de vennootschap beschadigt, kan hij zich verschuilen achter het werknemersbelang. Dit probleem vertoont grote gelijkenis met de rechtseconomische kritiek op het stakeholders-model als richtlijn, althans een opvatting over vennootschappelijk belang dat is gebaseerd op het stakeholders-model, voor het bestuur en de raad van commissarissen.