Biases in de boardroom en de raadkamer
Einde inhoudsopgave
Biases in de boardroom en de raadkamer (VDHI nr. 160) 2020/1.4.3:1.4.3 Biases bij de auteur en de respondenten
Biases in de boardroom en de raadkamer (VDHI nr. 160) 2020/1.4.3
1.4.3 Biases bij de auteur en de respondenten
Documentgegevens:
mr. drs. C.F. Perquin-Deelen, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. drs. C.F. Perquin-Deelen
- JCDI
JCDI:ADS111457:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals ik al betoogde in par. 1.1 kunnen biases de besluit- en oordeelsvorming beïnvloeden, zonder dat de mens het doorheeft. De bestuurder, de commissaris en de rechter zijn ‘slechts’ mensen en dus geldt dit ook voor hen. Ik heb niet de illusie dat ik bij het schrijven van een dissertatie over biases zelf gevrijwaard ben van deze invloed. Het betoog van mijn dissertatie komt kortweg erop neer dat biases niet zomaar uit te schakelen zijn. Wel is het onder omstandigheden mogelijk de invloed van biases te beperken. Ik heb de invloed getracht te beperken door het toepassen van een deel van de door mij aangedragen beperkingstechnieken. Mijn beperkingstechnieken hielden in: (1) zorg dragen voor voldoende kennis aan mijn kant over de werking en invloed van biases door middel van onderzoek; (2) het onder woorden brengen van mijn eigen biases en het bespreken van deze biases met promotoren en derden; (3) het afwegen van alternatieve mogelijkheden ten aanzien van de invloed van biases door het lezen van tegenstrijdige onderzoeken en overleg met andere wetenschappers; (4) het formuleren van open vragen in mijn eigen literatuuronderzoek en in mijn empirisch onderzoek. Het volledig uitsluiten van biases aan mijn zijde is, net als aan de zijde van bestuurders, commissarissen en rechters, niet mogelijk.
Het bias-risico speelt daarnaast een rol bij de respondenten van mijn empirisch onderzoek. Dit risico heb ik getracht te beperken door verschillende maatregelen. Ten eerste heb ik bij het indienen van het interviewverzoek, voorafgaand aan en tijdens het interview, geen inzicht gegeven in het precieze onderwerp van mijn dissertatie. Ik vermeldde slechts dat het de bestuurlijke taakuitoefening betrof. Het precieze onderwerp van mijn dissertatie was niet publiekelijk (zoals op LinkedIn) bekend ten tijde van het afnemen van de interviews. Voorts heb ik de onderwerpenlijst niet vooraf verspreid. Ten tweede heb ik rekening gehouden met de kans dat sprake is van een response bias: dat de respondenten antwoorden wat ik als interviewer wil horen of antwoorden geven waarvan zij denken dat ik die als interviewer wil horen. Een voorbeeld is een onderwerp als genderdiversiteit. Omdat de respondenten werden geconfronteerd met een vrouwelijke interviewer is de kans aannemelijk dat de respondenten hun antwoorden op ‘politiek correcte wijze’ zouden verwoorden. Eenzelfde risico bestaat als de verwerking van het interviewmateriaal niet geanonimiseerd zou geschieden. De antwoorden van de respondenten zouden dan immers publiekelijk bekend worden, gekoppeld aan een bepaald persoon. Dit is onwenselijk gelet op de response bias en gelet op de gevoeligheid van de materie die aan bod kwam. Respondenten deelden immers informatie over (huidige) besturen, commissariaten en (rechts)zaken. Dit is de reden waarom de respondenten al vooraf werd gemeld dat de resultaten van het empirisch onderzoek niet herleidbaar zouden zijn naar individuen en dat ik geen gebruik zou maken van quotes. Hierbij zij vermeld dat alle respondenten wel toestemming hebben gegeven voor het opnemen van hun naam in een respondentenlijst. Zie bijlage 1 van deze dissertatie. Voor de volledigheid merk ik nogmaals op dat voor de groep respondenten ook geldt dat volledige uitsluiting van de invloed van biases niet mogelijk is.
Het is ten slotte onmogelijk exact te bepalen welke rol biases in deze dissertatie hebben gespeeld. Gelet op de toegepaste beperkingstechnieken heb ik de invloed in ieder geval zo goed als mogelijk beperkt.