Einde inhoudsopgave
Mededinging en verzekering (R&P nr. VR8) 2019/6.4.2
6.4.2 Verboden, maar toch toegestaan?
mr. drs. G.T. Baak, datum 11-12-2019
- Datum
11-12-2019
- Auteur
mr. drs. G.T. Baak
- JCDI
JCDI:ADS183602:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Algemeen
Verzekeringsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Verordening 267/2010 verleende de verzekeringssector een bijzondere vrijstelling van het kartelverbod voor onder meer de gemeenschappelijke dekking van risico’s in pools. Deze verordening die gold sinds 1 april 2010, is op 31 maart 2017 verlopen en (dus) niet verlengd. Uitvoerig daarover: G.T. Baak, ‘Het einde in zicht van de groepsvrijstelling van het kartelverbod voor de verzekeringssector?’, Het Verzekerings-Arhief 2016/4, afl. 1, p. 29-34 alsmede (in breder verband) G.T. Baak, ‘Verzekering & mededinging: de gevolgen van het einde van de groepsvrijstellingsverordening’, Markt & Mededinging 2017/3, p. 98-104.
Een pool waarvan kan worden aangetoond dat deze valt onder het Europese of Nederlandse kartelverbod is nietig op grond van artikel 101 lid 2 van het Werkingsverdrag en artikel 6 lid 2 van de Mededingingswet. Hoewel dergelijke pools in eerste instantie verboden zijn, kunnen er omstandigheden zijn die voor een uitzondering van het kartelverbod pleiten. Het gaat dan om de toepassing van de vier cumulatieve voorwaarden voor een uitzondering die zijn bepaald in artikel 101 lid 3 van het Werkingsverdrag en artikel 6 lid 3 van de Mededingingswet. De bewijslast of een kartel voldoet aan deze vier voorwaarden rust, zoals ik besprak in hoofdstuk 2, op de ondernemingen die partij zijn bij een kartel.1 De ondernemingen kunnen dan als verweer een beroep doen op de wettelijke uitzondering. Van belang is dat zodra aan één van de vier voorwaarden niet is voldaan het beroep op de vrijstelling geen kans van slagen heeft.
Voordat ik de toepassing van de vier vrijstellingsvoorwaarden bespreek, behandel ik eerst onder 6.4.2.1 het belang van Verordening 267/2010 waarin tot voor kort een groepsvrijstelling werd gegeven voor de samenwerking tussen verzekeraars in coassurantiepools.2 Gemakshalve kort ik de groepsvrijstellingsverordening hierna (andermaal) af met GVO.
6.4.2.1 Het belang van de GVO voor de beoordeling van pools onder artikel 101 lid 3 van het Werkingsverdrag en artikel 6 lid 3 van de Mededingingswet6.4.2.2 Toepassing van de vier uitzonderingvoorwaarden op samenwerking in pools6.4.2.3 Tussenconclusie