Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/5.6.2
5.6.2 Het internationale concern met een Nederlandse holding
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS483778:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Zijn er, zo bepaalt de tweede volzin van de betreffende bepaling, bij meerdere dochtermaatschappijen ondernemingsraden ingesteld, dan komt de bevoegdheid een standpunt kenbaar te maken aan die raden gezamenlijk toe. Als voor die ondernemingsraden een centrale ondernemingsraad is ingesteld, dan berust die bevoegdheid bij die centrale ondernemingsraad.
SER-advies 08/01, p. 62. De SER vond, met een beroep op het territorialiteitsbeginsel en op het legitimiteitsbeginsel, dat het aandeel van de in Nederland werkzame werknemers ten opzichte van het totaal aantal werknemers van het concern bepalend zou moeten zijn voor het spreekrecht van de Nederlandse (centrale) ondernemingsraad in de algemene vergadering van aandeelhouders van de vennootschap aan de top van het concern.
Of invoering van een vrijstellingsbepaling die zich laat vergelijken met die in de structuurregeling erg steekhoudend is, kan men zich afvragen. Terecht merkt Verburg (2012b, p. 12) op dat de invloed van het Nederlandse medezeggenschapsorgaan op de samenstelling van de raad van commissarissen van de internationale holding onevenredig groot is, indien dat orgaan slechts een minderheid van de werknemers van het concern vertegenwoordigt. Met het spreekrecht ligt dat in die zin anders dat het slechts een aantal specifieke besluiten van de ava van een Nederlandse NV betreft, en dat het, zoals Verburg dat noemt, na uitoefening is uitgewerkt.
Kamerstukken II 2007-2008, 31 083, nr. 22, p. 8.
Dat wil zeggen de holding aan het hoofd van een groep waarvan de werknemers in meerderheid buiten Nederland werkzaam zijn.
Bij deze constructie wordt tussen de topholding en de Nederlandse werkmaatschappijen een subholding geplaatst, die als ondernemer van de (centrale) ondernemingsraad functioneert.
Kamerstukken II 2007-2008, 31 083, nr. 22, p. 8 en Kamerstukken II 2008-2009, 31 877, nr. 3, p. 6.
Kamerstukken II 2009-2010, 31 877, nr. 5 p. 8-9. Duidelijk is dat de voorwaarde dat de meerderheid van de werknemers in Nederland werkzaam is óók geldt ten aanzien van de bij de vennootschap zelf ingestelde ondernemingsraad.
SER-advies 08/01, p. 62.
Verburg 2012b, p. 121.
Kamerstukken II 2007-2008, 31 083, nr. 22, p. 8.
Het besluit van het bestuur is wellicht onderworpen aan het adviesrecht van de centrale ondernemingsraad. De raad heeft evenwel niet het recht in de algemene vergadering een standpunt kenbaar te maken.
Ik ga uit van de veronderstelling dat sprake is van een besluit in de zin van art. 2:107a lid 1 en onder c BW.
De artt. 2:107a lid 3, 2:134a lid 1, 2:135 lid 1 en 2:144a lid 1 BW bepalen dat het spreekrecht toekomt aan de ondernemingsraad die de vennootschap heeft ingesteld. Is dat een centrale ondernemingsraad, dan berust het spreekrecht bij die raad. Indien bij de vennootschap geen (centrale) ondernemingsraad is ingesteld, komt het spreekrecht ingevolge de artt. 2:107a lid 4, 2:134a lid 2, 2:135 lid 2 en 2:144a lid 2 BW toe aan de ondernemingsraad van de onderneming van een dochtermaatschappij,1 mits de werknemers in dienst van de vennootschap en de groepsmaatschappijen in meerderheid binnen Nederland werkzaam zijn. De regeling is eenduidig, en lijkt niet voor meerdere uitleg vatbaar. Dat blijkt echter een misvatting, als het gaat om de toepasselijkheid van de regeling op de internationale holding. Wat namelijk opvalt is dat het meerderheidsvereiste van de artt. 2:107a lid 4, 2:134a lid 2, 2:135 lid 2 en 2:144a lid 2 BW geen deel uitmaakt van het spreekrecht dat de artt. 2:107a lid 3, 2:134a lid 1, 2:135 lid 1 en 2:144a lid 1 BW toekennen aan de bij de vennootschap zelf ingestelde ondernemingsraad. In zijn advies dat aan de invoering van het spreekrecht ten gronde lag, heeft de SER een vrijstelling van het recht bepleit voor internationale holdings die (alleen of tezamen met een of meer andere vennootschappen) aan het hoofd staan van een groep waarvan de werknemers in meerderheid buiten Nederland werkzaam zijn (de ‘vrijstellingsregeling’).2 In dat kader maakte de SER de vergelijking met de vrijstelling van toepasselijkheid van het structuurregime voor internationale holdingvennootschappen (art. 2:153 lid 3 aanhef en onder b BW).3 Ook met betrekking tot het antwoord op de vraag welke vennootschap het spreekrecht toekomt (de ‘aanwijzingsregeling’) adviseerde de SER aansluiting te zoeken bij de structuurregeling (vgl. art. 2:158 lid 11 BW). In zijn reactie van 13 juni 2008 geeft de regering met zoveel woorden te kennen het advies, inclusief de door de SER bepleite vrijstellingsregeling, te zullen volgen.4 Het zou voor de hand hebben gelegen de vrijstellingsregeling in de artt. 2:107a lid 3, 2:134a lid 1, 2:135 lid 1 en 2:144a lid 1 BW op te nemen, en de aanwijzingsregeling in de artt. 2:107a lid 4, 2:134a lid 2, 2:135 lid 2 en 2:144a lid 2 BW. De regering heeft er echter voor gekozen beide regelingen in één bepaling op te nemen, te weten in lid 4 c.q. lid 2. Indien bij de internationale holding in de door de SER bedoelde zin5 géén (centrale) ondernemingsraad functioneert, pakt de regeling uit overeenkomstig de bedoeling van het kabinet zoals die blijkt uit de brief van 13 juni 2008: heeft de holding een Nederlandse dochter waar een (centrale) ondernemingsraad is ingesteld, en zijn de werknemers van de holding en zijn groepsmaatschappijen in meerderheid binnen Nederland werkzaam, dan komt het spreekrecht aan díe (centrale) ondernemingsraad toe. Problemen ontstaan pas indien bij de internationale holding wél een (centrale) ondernemingsraad is ingesteld. Nu zal zich dat in de praktijk wellicht niet vaak voordoen, omdat internationale holdings gebruik plegen te maken van de zogenaamde Nederland-constructie,6 uitgesloten is het niet.
Na de rechtvaardiging van een vrijstellingsregeling met een beroep op het territorialiteits- en het legitimiteitsbeginsel, komen de betrokken ministers in de Memorie van Toelichting als volgt te spreken over de internationale holding:
‘De voorgestelde regeling betekent dat in een internationaal concern, waarvan de meerderheid van de werknemers binnen Nederland werkzaam is, de binnen Nederland werkzame werknemers een standpunt kunnen bepalen ten aanzien van het bezoldigingsbeleid, bestuursbesluiten in de zin van artikel 2:107a BW en besluiten tot benoeming en ontslag van bestuurders en commissarissen die worden genomen in de topvennootschap van het concern indien die vennootschap haar zetel in Nederland heeft, en bij haar een ondernemingsraad is ingesteld..7
Wat opvalt zijn de woorden ‘waarvan de meerderheid van de werknemers binnen Nederland werkzaam is’ in combinatie met de woorden ‘bij haar’. Hiermee wordt, indien bij de holding zelf een (centrale) ondernemingsraad is ingesteld, een beperking aangebracht die we niet lezen in de artt. 2:107a lid 3, 2:134a lid 1, 2:135 lid 1 en 2:144a lid 1 BW. Dát deze beperking wordt aangebracht mag op zich geen verbazing wekken in het licht van de herhaalde malen uitgesproken bedoeling het advies van de SER op dit punt over te nemen.8 Voor zover aan de bedoeling van de ministers nog twijfel mocht bestaan, dan wordt die weggenomen in de Nota naar aanleiding van het verslag:
‘Indien sprake is van een naar Nederlands recht opgerichte NV waarin een buitenlandse topholding 100% van de aandelen heeft, vormt de buitenlandse topholding de algemene vergadering die de bestuurders en eventueel de commissarissen van die Nederlandse NV benoemt, het bezoldigingsbeleid voor de bestuurders vaststelt en belangrijke besluiten in de zin van artikel 2:107a BW goedkeurt. Het wetsvoorstel voorziet erin dat de bij deze Nederlandse NVof haar dochtermaatschappijen ingestelde (centrale) ondernemingsraad een standpunt kenbaar kan maken ten aanzien van deze besluiten. Wel geldt hier de voorwaarde dat de meerderheid van de werknemers van de NV werkzaam moet zijn binnen Nederland.9
…
Van alle 3000 Nederlandse naamloze vennootschappen geldt het wetsvoorstel niet voor degenen die de topholding van een internationaal concern vormen waarvan de meerderheid van de werknemers in het buitenland werkzaam is. In het geval van een internationaal concern moet telkens worden bezien welk gedeelte van de werknemers in Nederland werkzaam is. Is dit de meerderheid dan geldt, mits de topholding een vennootschap naar Nederlands recht is, dat ten aanzien van door de algemene vergadering van de topholding te nemen besluiten tot vaststelling van het bezoldigingsbeleid, goedkeuring van belangrijke bestuursbesluiten en besluiten tot benoeming, schorsing en ontslag van bestuurders en commissarissen de bij die topholding ingestelde (centrale) ondernemingsraad een spreekrecht.’.10
De minister uit zich in gelijke bewoordingen in de Memorie van Antwoord aan de Eerste Kamer:
‘Het spreekrecht geldt wel indien de topholding een vennootschap naar Nederlands recht is en de meerderheid van de werknemers van het concern in Nederland werkzaam is. Indien de topholding een vennootschap naar Nederlands recht is en de meerderheid van de werknemers van het concern in het buitenland werkzaam is, geldt het spreekrecht niet. …. Om deze reden is bepaald dat het spreekrecht niet van toepassing is op de topholding van een concern waarvan de werknemers in meerderheid buiten Nederland werkzaam zijn.’.11
Uit de Nadere memorie van Antwoord spreekt dat de minister met de vrijstelling van het spreekrecht, wellicht in navolging van de SER,12 aansluiting heeft willen zoeken bij de regeling daarvan voor de toepassing van het structuurregime op de internationale holding (art. 2:153 lid 3 aanhef en onder b BW):
‘De leden van de CDA-fractie vragen of de tekst van de voorgestelde artikelen 2:107a, 134a, 135 en 144a verschilt van hetgeen in artikel 2:153 lid 3 aanhef en sub b BW is bepaald ten aanzien van de vrijstelling voor internationale concerns. … De artikelen 2:107a, 134a, 135 en 144a houden in dat geen spreekrecht geldt in de algemene vergadering van een vennootschap die aan het hoofd staat van een groep waarvan de meerderheid van de werknemers in het buitenland werkzaam is. Ook voor de vraag of een spreekrecht geldt, moet dus worden bezien of de meerderheid van de werknemers van de betreffende vennootschap en haar dochtervennootschappen in of buiten Nederland werkzaam is. Wanneer de meerderheid buiten Nederland werkzaam is, is het spreekrecht niet van toepassing op het niveau van die vennootschap. In het geval van een vennootschap die aan het hoofd staat van een internationaal concern gelden dus dezelfde vrijstellingscriteria.’.13
Hoewel hij terecht constateert dat de minister zich in heldere bewoordingen heeft uitgelaten, meent Verburg dat de internationale holding die op grond van de artt. 2:107a lid 4, 2:134a lid 2, 2:135 lid 2 en 2:144a lid 2 BW vrijgesteld zou zijn van het spreekrecht van een bij een dochtermaatschappij ingestelde (centrale) ondernemingsraad, het spreekrecht van de bij hemzelf ingestelde (centrale) ondernemingsraad heeft te erkennen.14 De tekst van de artt. 2:107a lid 3, 2:134a lid 1, 2:135 lid 1 en 2:144a lid 1 BW zou geen ruimte laten voor een andersluidende interpretatie. Of het de bedoeling is geweest dat de (centrale) ondernemingsraad bij de vrijgestelde internationale holding geen structuurbevoegdheden kan uitoefenen, maar wel het spreekrecht, zou volgens Verburg bij de totstandkoming van de wet in het ongewisse zijn gebleven.
Over de bedoelingen van de wetgever kan naar mijn mening niet of nauwelijks twijfel bestaan. De uitlatingen van de verschillende ministers tijdens en voorafgaand15 aan de totstandkoming van de wet geven er zonder meer blijk van dat het de bedoeling is geweest de internationale holding waarvan de meerderheid van de werknemers in het buitenland werkzaam is in algemene zin te vrijwaren van het spreekrecht. Voor het antwoord op de vraag of de bij de topholding van een internationaal concern ingestelde (centrale) ondernemingsraad een spreekrecht heeft, komt het er dus op aan of men de tekst van de betreffende bepalingen laat prevaleren boven de bedoeling van wetgever. Die zijn namelijk niet met elkaar in overeenstemming. Met een beroep op de rechtszekerheid zou men deze vraag bevestigend kunnen beantwoorden. Toch ben ik geneigd de ondernemingsraad in dit geval het spreekrecht te ontzeggen. We zien hier een botsing van verschillende beginselen. De aan de tekst ontleende rechtszekerheid dat de vrijgestelde internationale holding het spreekrecht van zijn eigen (centrale) ondernemingsraad zou moeten erkennen staat namelijk op gespannen voet met de aan het medezeggenschapsrecht in algemene zin ten gronde liggende territorialiteits- en legitimiteitsbeginselen, waaraan bij de totstandkoming van de regeling met zoveel woorden wordt gerefereerd. Ik zal aanstonds een voorbeeld geven waaruit dat blijkt. Bovendien, hoe zwaar weegt rechtszekerheid indien de andersluidende bedoeling van de wetgever onmiskenbaar is, en bovendien herhaalde malen tot uiting is gebracht? Deze vraag is des te prangender waar uit de wettelijke regeling een zekere willekeur spreekt, die de wetgever nu juist niet bedoeld heeft: als de meerderheid van de werknemers buiten Nederland werkzaam is, heeft de Nederlandse (centrale) ondernemingsraad géén spreekrecht indien hij bij de Nederlandse sub-holding is ingesteld, terwijl hij, als aan diezelfde voorwaarde zou zijn voldaan, dat spreekrecht wél zou hebben indien hij bij de topholding zou zijn ingesteld.
Men zou de discussie op het punt van de vrijstelling van de internationale holding kunnen beslechten door de vrijstellingsbepaling over te hevelen van de artt. 2:107a lid 4, 2:134a lid 2, 2:135 lid 2 en 2:144a lid 2 BW naar de artt. 2:107a lid 3, 2:134a lid 1, 2:135 lid 1 en 2:144a lid 1 BW. Daaraan vooraf gaat echter de vraag of het opnemen van een meerderheidsbepaling in de huidige vorm wel zo gelukkig is. Onder omstandigheden kan dat er namelijk toe leiden dat de ondernemingsraad geen spreekrecht heeft, waar dat vanuit het perspectief van de algemene vergadering én vanuit dat van de ondernemingsraad wel voor de hand zou hebben gelegen. Ik geef een voorbeeld. Bij een naamloze vennootschap die fungeert als holding van een internationaal concern is geen ondernemingsraad ingesteld. De werknemers van het concern zijn in meerderheid buiten Nederland werkzaam. Bij de Nederlandse (tussen)holding die is ingesteld boven de activiteiten van het concern in Nederland, fungeert een centrale ondernemingsraad. Het bestuur van de internationale holding besluit een belangrijk deel van de Nederlandse activiteiten te vervreemden. Indien we nu aannemen dat het besluit van het bestuur van de holding een besluit in de zin van art. 2:107a lid 1 en onder c BW is, is dat onderworpen aan de goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders. Ten gevolge van de vrijstellingsbepaling ontbeert de centrale ondernemingsraad, waarvan verwacht mag worden dat die met zijn standpunt kan bijdragen aan een goede besluitvorming door de algemene vergadering van aandeelhouders, het in art. 2:107a lid 2 bedoelde spreekrecht.16 Omgekeerd zou, indien de meerderheid van de werknemers in Nederland werkzaam is maar het besluit van het bestuur de overdracht van de buitenlandse activiteiten betreft,17 de centrale ondernemingsraad wél de gelegenheid geboden moeten worden zijn standpunt kenbaar te maken. Het is dit voorbeeld dat ik bedoelde toen ik zojuist sprak over het territorialiteits- en het legitimiteitsbeginsel. De beide voorbeelden pleiten er, in ieder geval voor de toepassing van art. 2:107a BW, voor het spreekrecht niet alleen afhankelijk te maken van het antwoord op de vraag of de meerderheid van de werknemers in Nederland werkzaam is. Als het antwoord op deze vraag ontkennend luidt, zou de vraag of het besluit (mede) betrekking heeft op de onderneming(en) waarvoor de (centrale) ondernemingsraad is ingesteld bepalend moeten zijn. Mij beperkend tot art. 2:107a BW zou dat leiden tot de volgende aanpassing van de regeling:
Indien de vennootschap krachtens wettelijke bepalingen een ondernemingsraad heeft ingesteld, en de werknemers in dienst van de vennootschap en de groepsmaatschappijen in meerderheid binnen Nederland werkzaam zijn, wordt het verzoek om goedkeuring niet aan de algemene vergadering aangeboden, dan nadat de ondernemingsraad tijdig voor de datum van oproeping als bedoeld in artikel 114 in de gelegenheid is gesteld hierover een standpunt te bepalen.
Indien de vennootschap krachtens wettelijke bepalingen een ondernemingsraad heeft ingesteld, en de werknemers in dienst van de vennootschap en de groepsmaatschappijen in meerderheid buiten Nederland werkzaam zijn, maar het ter goedkeuring voorgelegde besluit in overwegende mate betrekking heeft op de onderneming waar de ondernemingsraad is ingesteld, wordt het verzoek om goedkeuring niet aan de algemene vergadering aangeboden, dan nadat de ondernemingsraad tijdig voor de datum van oproeping als bedoeld in artikel 114 in de gelegenheid is gesteld hierover een standpunt te bepalen.
Het standpunt van de ondernemingsraad wordt gelijktijdig met het verzoek om goedkeuring aan de algemene vergadering aangeboden. De voorzitter of een door hem aangewezen lid van de ondernemingsraad kan het standpunt van de ondernemingsraad in de algemene vergadering toelichten. Het ontbreken van dat standpunt tast de besluitvorming over het verzoek om goedkeuring niet aan.
Voor de toepassing van lid 3 en lid 4 wordt onder de ondernemingsraad mede verstaan de ondernemingsraad van de onderneming van een dochtermaatschappij. Is er meer dan één ondernemingsraad, dan wordt de bevoegdheid door deze raden gezamenlijk uitgeoefend. Is voor de betrokken onderneming of ondernemingen een centrale ondernemingsraad ingesteld, dan komt de bevoegdheid toe aan de centrale ondernemingsraad.
Voor de artt. 2:134a, 2:135 en 2:144a zou kunnen worden volstaan met een overeenkomstige aanpassing van lid 2 van die artikelen naar analogie van lid 3 van art. 2:107a BW.