Einde inhoudsopgave
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/12.4.2
12.4.2 Het recht op onteigening of schadevergoeding in schaduwschadesituatie 1
D.G.J. Sanderink, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
D.G.J. Sanderink
- JCDI
JCDI:ADS441405:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Omgevingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 12.3.2.
Bij een onteigening bestaat op grond van art. 1 EP normaal gesproken recht op een volledige vergoeding van de marktwaarde (zie bijvoorbeeld EHRM 25 oktober 2012, Vistiņš en Perepjolkins/Letland, r.o. 110-112 (zaaknr. 71243/01)). Op grond van art. 40 Ow bestaat bij onteigening naar nationaal recht ook een recht op een volledige schadevergoeding (zie hierover bijvoorbeeld HR 21 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF0415 (De Bruyn c.s./Waterschap Rivierenland)). Die volledige schadevergoeding op grond van art. 40 Ow bestaat overigens niet alleen uit een vergoeding van de marktwaarde van de onteigende eigendom, maar ook uit een vergoeding voor alle andere schade die de eigenaar rechtstreeks en noodzakelijk door het verlies van zijn eigendom lijdt.
Deze rentelasten en dit risico van waardeschommelingen kan de overheid bovendien zelf beperkt houden door in overeenstemming met haar uit art. 1 EP volgende plicht om tijdig te handelen voortvarend een definitieve beslissing over het voornemen te nemen. Hoe eerder de overheid deze beslissing neemt, hoe kleiner de rentelasten en het risico van waardeschommelingen immers zijn. Het recht op onteigening vormt voor de overheid aldus ook een stimulans om voortvarendheid bij de besluitvorming te betrachten. De plicht van de overheid om bij aantastingen van eigendomsbelangen tijdig (‘in good time’) te handelen volgt uit vaste rechtspraak van het EHRM (zie bijvoorbeeld: EHRM 7 december 2010, Tarnawczyk/Polen, r.o. 103 (zaaknr. 27480/02); EHRM 29 maart 2011, Potomska en Potomski/Polen, r.o. 66 (zaaknr. 33949/05); EHRM 22 juni 2004, Broniowski/Polen, r.o. 151 en 184-185 (zaaknr. 31443/96)) en maakt deel uit van het ‘principle of good governance’ (zie hierover Sanderink 2014). Uit de rechtspraak van het EHRM valt naar mijn mening bovendien af te leiden dat de overheid bij het realiseren van planologische ontwikkelingen een redelijke tijdsplanning moet hanteren en geen eigendomsbelangen mag aantasten ten behoeve van (zeer) ver in de toekomst gelegen en (daardoor) onzekere planologische ontwikkelingen (zie EHRM 14 november 2006, Skibińscy/Polen, r.o. 90 (zaaknr. 52589/99); EHRM 17 juli 2007, Rosiński/Polen, r.o. 87-88 (zaaknr. 17373/02); EHRM 26 februari 2008, Buczkiewicz/Polen, r.o. 76-77 (zaaknr. 10446/03); EHRM 7 december 2010, Tarnawczyk/Polen, r.o. 95 en 101 (zaaknr. 27480/02)).
De overheid kan de grond en daarmee verbonden objecten dan immers verkopen tegen ten minste de prijs die zij op grond van het recht op onteigening heeft moeten betalen voor de verwerving. Dit is slechts anders, indien de prijzen van grond en daarmee verbonden objecten door economische ontwikkelingen in het algemeen zijn gedaald in de tijd tussen verwerving en doorverkoop. Dan lijdt de overheid (naast de renteschade) wel nadeel door het recht op onteigening.
Zoals gezegd, is het aan de overheid om te bepalen of zij, indien voldaan is aan de voorwaarden voor het ontstaan van een recht op onteigening, kiest voor onteigening of betaling van een adequate schadevergoeding.
Vergelijk ook Sluysmans 2012, p. 542-544 i.h.b. 544. Hij stelt een aankoopplicht voor de overheid voor in de situatie dat een bestaand gebruik wegbestemd wordt. Een tegemoetkoming in de planschade dekt – zo daarop bij de vaststelling van het bestemmingsplan al aanspraak gemaakt kan worden – volgens hem namelijk niet altijd alle schadelijke gevolgen van de bestemmingswijziging. Hij stelt voor dat die aankoopplicht bestaat na een wachttijd van twee jaar na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan.
Zoals eerder uiteengezet, zal de schadevergoeding in schaduwschadesituatie 1 in beginsel gelijk moeten zijn aan de volledige marktwaarde van de grond en daarmee verbonden objecten.
Dat het niet gelukt is de eigendom binnen twee jaar na publicatie van het voornemen te verkopen tegen de marktwaarde kan de eigenaar bijvoorbeeld aantonen door een makelaar in de arm te nemen die de eigendom gedurende twee jaar op zijn website en/ of in zijn advertenties aanbiedt tegen de marktwaarde.
Vergelijk in dit verband de aankoopregeling in art. 56 e.v. Wet bodembescherming. Volgens deze regeling is de gemeente onder omstandigheden verplicht verontreinigde grond te kopen van een eigenaar. Voor het ontstaan van die plicht is, kort gezegd, onder meer vereist dat de eigenaar aantoont dat de grond in het vrije commerciële verkeer niet tegen de marktwaarde (bij de vaststelling waarvan de verontreiniging weggedacht wordt) verkoopbaar is (zie art. 56 en 59 lid 2 Wet bodembescherming). De eigenaar kan dit in ieder geval aantonen, indien hij gedurende een periode van zes maanden de woning drie maal in een dagblad tegen de marktwaarde tevergeefs te koop heeft aangeboden (zie art. 59 lid 2 Wet bodembescherming).
Zoals gezegd, kan de overheid er ook voor kiezen om in plaats van onteigening een adequate schadevergoeding te betalen. Op de hoogte van die schadevergoeding kom ik hierna terug.
Als de overheid het bedrag moet lenen van de bank, zullen de rentelasten overigens doorgaans zwaarder zijn. De door de bank te betalen rente op een spaarrekening is immers doorgaans lager dan de rente die over een verstrekte lening aan de bank betaald moet worden. Die aan de bank te betalen rente kan (bijvoorbeeld) vijf procent zijn.
Omdat de overheid de besluitvorming in de hand heeft, heeft zij ook de periode waarin zij rente over de onteigeningsvergoeding betaalt of derft en dus de hoogte van de rentelasten in de hand. Overigens heeft zij ook zelf in de hand of überhaupt een recht op onteigening of schadevergoeding ontstaat. Als zij binnen twee jaar na publicatie van het voornemen de besluitvorming afrondt, ontstaat dit recht immers in het geheel niet.
Bij schaduwschadesituatie 1 gaat het om een voornemen waarbij de grond van een burger nodig is voor het tot stand brengen van werken en/of activiteiten dan wel voor de realisering van een van het bestaande gebruik afwijkende bestemming. Bij zo’n voornemen zullen de grond en daarmee verbonden objecten uiteindelijk door de overheid onteigend (of op basis van een minnelijke regeling aangekocht) moeten worden.1
Voor de eigenaar betekent een recht op onteigening in die situatie dat hij voor de verkoop van zijn grond en daarmee verbonden objecten niet afhankelijk is van particuliere kopers die vanwege het voornemen tot het tot stand brengen van werken en/of activiteiten dan wel tot de realisering van een van het bestaande gebruik afwijkende bestemming op zijn eigendom afhaken of een prijs bedingen die overeenkomt met de marktwaarde ervan na het tot stand komen van die werken, activiteiten en/of afwijkende bestemming. De eigenaar kan zijn grond en daarmee verbonden objecten aan de overheid overdragen tegen betaling door de overheid van de marktwaarde die vastgesteld wordt op de prijs die tot stand gekomen zou zijn bij een verkoop in het vrije commerciële verkeer in een situatie waarin het genoemde voornemen niet zou hebben bestaan. Anders dan in schaduwschadesituaties 2b en 3 zal de schadevergoeding in schaduwschadesituatie 1 in beginsel gelijk moeten zijn aan de volledige marktwaarde van de grond en daarmee verbonden objecten. De reden hiervoor is dat – indien het voornemen uiteindelijk doorgaat – in schaduwschadesituatie 1 een onteigening sowieso noodzakelijk zou zijn geweest en die onteigening in beginsel recht gegeven zou hebben op een volledige vergoeding van de marktwaarde.2 In schaduwschadesituaties 2b en 3 is – indien het voornemen uiteindelijk doorgaat – geen onteigening noodzakelijk en bestaat dus niet (in beginsel) recht op een vergoeding van de gehele marktwaarde. Het lijkt mij in schaduwschadesituatie 1 (net als in schaduwschadesituaties 2b en 3) echter in beginsel niet nodig ook andere schade te vergoeden dan de marktwaarde van de eigendom (zoals verhuisen verplaatsingskosten en tijdelijke inkomstenderving in de periode rond de verplaatsing). De reden daarvoor is dat burgers (waaronder bedrijven) pas met het probleem van schaduwschade worden geconfronteerd, als zij vrijwillig weg willen van de bestaande (door een beleidsvoornemen getroffen) locatie. Pas dan wordt de waardedaling van de grond en daarmee verbonden objecten (die veroorzaakt wordt door het beleidsvoornemen) immers een probleem bij de verkoop, doordat zij deze niet kunnen verkopen tegen de marktwaarde (het voornemen weggedacht) en wellicht zelfs helemaal niet kunnen verkopen. Als burgers hun grond en daarmee verbonden objecten vrijwillig willen verkopen, bestaat geen aanleiding meer schade (als deze er al is) te vergoeden dan de schade in de vorm van de waardedaling.
Voor de overheid heeft een recht op onteigening ten opzichte van louter een recht op schadevergoeding als voordeel dat zij weliswaar een vergoeding aan eigenaren toekent, maar dat zij daarvoor ook de eigendom van de grond en daarmee verbonden objecten verwerft. Indien de waardedaling van de grond en daarmee verbonden objecten opgeheven wordt doordat het waardedrukkende voornemen uiteindelijk begraven wordt, komt deze waardestijging aan haar als eigenaar toe. Aldus wordt voorkomen dat een particuliere eigenaar ten koste van de overheid verrijkt wordt. Bij het enkel toekennen van een schadevergoeding zonder overdracht van de eigendom aan de overheid zou – indien het waardedrukkende voornemen uiteindelijk geen doorgang zou vinden – de eigenaar immers verrijkt worden, doordat hij de schadevergoeding voor de schaduwschade ontvangt en de waardestijging, die ontstaat na het eindigen van het waardedrukkende voornemen, opstrijkt. Indien de grond en daarmee verbonden objecten door de eigenaar zijn verkocht voordat duidelijk is dat het waardedrukkende voornemen niet doorgaat, zal het overigens doorgaans de koper zijn die oneigenlijk ten koste van de overheid (en de verkoper) verrijkt wordt. Die koper zal vanwege het waardedrukkende voornemen immers een lagere koopprijs hebben betaald en strijkt de waardestijging op zodra dit voornemen eindigt. Bij een recht op onteigening vindt een dergelijke verrijking (anders dan bij een louter recht op schadevergoeding) niet plaats.
Een nadeel van een recht op onteigening is uiteraard dat voor de overheid met de onteigening bedragen gemoeid (kunnen) zijn die een aanzienlijk beslag leggen op haar financiën. Dit beslag zal doorgaans echter tijdelijk zijn en zal veelal beperkt kunnen worden door de onteigeningsvergoeding met leningen te financieren. Dan draagt de overheid alleen nog de tijdelijke rentelasten en het altijd bestaande, door economische ontwikkelingen veroorzaakte risico van waardeschommelingen van de grond en daarmee verbonden objecten.3 Zodra duidelijk is dat het voornemen niet gerealiseerd zal worden, kan de overheid de aangekochte eigendommen weer doorverkopen zonder dat onzekerheid over het toekomstige lot van de eigendommen daarbij een belemmerende en waardedrukkende factor is. De overheid heeft dan door de onteigening alleen rente betaald of gederfd.4 Indien uiteindelijk besloten wordt het voornemen wel te realiseren, heeft de overheid belang bij de grond en daarmee verbonden objecten. Die heeft zij dan immers nodig om de werken, activiteiten en/of de van het bestaande gebruik afwijkende bestemming te realiseren en dan had zij die eigendommen ook zonder het recht op onteigening later sowieso moeten onteigenen (of minnelijk aankopen). In dit geval lijdt de overheid op de gederfde of betaalde rente na geen nadeel van een recht op onteigening.
De vraag is vervolgens onder welke voorwaarden een recht op onteigening moet ontstaan.5 Het zal, gezien ook het voorgaande, immers duidelijk zijn dat de financiën van de overheid het niet toelaten dat elke eigenaar die geraakt wordt door een voornemen tot het tot stand brengen van werken, activiteiten en/of een van het bestaande gebruik afwijkende bestemming de overheid kan dwingen zijn eigendom te onteigenen.
Een eerste voorwaarde voor het activeren van het recht op onteigening zou moeten zijn dat de eigenaar gedurende enige tijd na het (vormvrije) publiceren van het voornemen (in bijvoorbeeld een structuurvisie) zonder succes heeft getracht zijn eigendom in het commerciële verkeer te verkopen.6 Het lijkt mij redelijk deze tijd op twee jaar te stellen.7 Dat is een tijd waarin eigendommen normaal gesproken in het vrije commerciële verkeer verkocht kunnen worden. Het is bovendien een tijd die – acute situaties daargelaten – voor de eigenaar te overzien zal zijn. Een tweede voorwaarde zou moeten zijn dat die verkoop niet is gelukt tegen een prijs die gelijk is aan de marktwaarde.8 Bij de bepaling van deze marktwaarde dient het waardedrukkende voornemen uiteraard weggedacht te worden. De ratio van deze tweede voorwaarde is dat zij voorkomt dat de eigendommen niet verkocht worden, doordat de eigenaar een te hoge prijs vraagt.9 De derde en laatste voorwaarde zou moeten zijn dat causaal verband bestaat tussen het gepubliceerde voornemen en het mislukken van de poging om de eigendommen binnen twee jaar (na de publicatie) te verkopen tegen de marktwaarde. Indien het echter mislukt is om de grond en daarmee verbonden objecten binnen twee jaar (na de publicatie van het voornemen) te verkopen tegen de marktwaarde, geldt mijns inziens dat een rechtsvermoeden bestaat dat dat mislukken het gevolg is van het voornemen.10 Het is dan aan de overheid om eventueel te stellen en te bewijzen dat dat vermoeden vanwege bijzondere omstandigheden in het concrete geval niet opgaat. Hierbij zou bijvoorbeeld gedacht kunnen worden aan het geval dat de overheid stelt en bewijst dat het mislukken van de verkoop het gevolg is van een ernstige crisis op de markt van gronden en daarmee verbonden objecten.
Om het voorgaande abstracte betoog enigszins te concretiseren zal ik een voorbeeld geven.
Stel dat de overheid een voornemen publiceert om een rivier te verbreden ter vergroting van de waterafvoer en dat daarvoor de naast de rivier gelegen grond van eigenaar X nodig is. Vóór de publicatie van dit voornemen had de grond een marktwaarde van € 300.000. Eigenaar X moet nu proberen binnen twee jaar zijn grond te verkopen tegen de marktwaarde van € 300.000, voordat hij jegens de overheid een recht op onteigening verkrijgt. Als zich in die tijd geen koper heeft gemeld die bereid is dat bedrag te betalen, dan bestaat een rechtsvermoeden dat causaal verband bestaat tussen het bekendgemaakte voornemen tot verbreding van de rivier en het mislukken van de poging de grond voor € 300.000 te verkopen. Als dit rechtsvermoeden niet door de overheid weerlegd wordt, is voldaan aan alle criteria voor het ontstaan van een recht op onteigening of schadevergoeding. Eigenaar X kan dan in rechte afdwingen dat de overheid zijn grond onteigent tegen een schadevergoeding van € 300.000.11
Stel vervolgens dat drie jaar na de (door eigenaar X afgedwongen) onteigening de overheid definitief besluit dat de verbreding van de rivier niet zal plaatsvinden. Dan zal, een eventuele waardestijging of waardedaling van de grond veroorzaakt door algemene economische ontwikkelingen daargelaten, de marktwaarde van de grond weer € 300.000 bedragen. Het waardedrukkende voornemen tot verbreding van de rivier is dan immers van de baan. De overheid kan de grond in dat geval op de markt (door)verkopen voor € 300.000. Ten aanzien van de waarde van de grond maakt de overheid in zoverre dus geen winst of verlies. Door € 300.000 voor de grond te betalen is de overheid echter wel drie jaar lang een rente van (bijvoorbeeld) drie procent op haar bankrekening misgelopen.12 Dit bedrag van € 300.000 was na drie jaar rentebijschrijvingen (€ 300.000 x 1,033 =) € 327.818,10 geweest. De misgelopen rente bedraagt dus (€ 327.818,10 – € 300.000 =) € 27.818,10. Het recht op onteigening heeft de overheid in dit voorbeeld dus uiteindelijk € 27.818,10 gekost.
Stel tot slot, anders dan hiervoor, dat drie jaar na de (door eigenaar X afgedwongen) onteigening de overheid besluit dat de verbreding van de rivier wel doorgaat en dat zij daarvoor de grond nodig heeft. Dan had zij de grond alsnog op eigen initiatief moeten onteigenen. Een eventuele waardestijging of waardedaling van de grond veroorzaakt door algemene economische ontwikkelingen in de tijd tussen de publicatie van het voornemen en de onteigening ten behoeve van de verbreding daargelaten, had zij eigenaar X dan een onteigeningsvergoeding van € 300.000 moeten betalen. Dat was immers de marktwaarde voorafgaand aan de publicatie van het voornemen. De in het kader van de door eigenaar X afgedwongen onteigening betaalde onteigeningsvergoeding is dus gelijk aan de onteigeningsvergoeding die de overheid had moeten betalen in het kader van een door de overheid drie jaar later zelf geïnitieerde onteigening ten behoeve van de verbreding van de rivier. Ten aanzien van de waarde van de grond maakt de overheid, een eventuele tussentijdse waardestijging of waardedaling van de grond veroorzaakt door algemene economische ontwikkelingen zoals gezegd daargelaten, in zoverre dus geen winst of verlies als gevolg van het recht op onteigening. Door de uitoefening van het recht op onteigening door eigenaar X drie jaar voordat de overheid definitief besluit tot verbreding en dus onteigening over te gaan, is de overheid echter wel drie jaar lang een rente van (bijvoorbeeld) drie procent over de betaalde onteigeningsvergoeding van € 300.000 misgelopen. Die rente bedraagt, zoals in de vorige alinea bleek, € 27.818,10. In de situatie dat drie jaar na de afgedwongen onteigening besloten wordt het voornemen wel uit te voeren kost het recht op onteigening de overheid dus, net als in de situatie dat drie jaar na de afgedwongen onteigening besloten wordt het voornemen niet uit te voeren, uiteindelijk € 27.818,10.
In bepaalde gevallen kan het voor de overheid, achteraf bezien, voordeliger zijn om een schadevergoeding toe te kennen in plaats van tot onteigening over te gaan. In het voorbeeld hierboven was dat bijvoorbeeld het geval geweest, indien het voornemen tot verbreding van de rivier de marktwaarde had doen dalen van € 300.000 naar € 280.000. Eigenaar X had de grond dan op de markt voor € 280.000 kunnen verkopen. Onteigening kost de overheid, zoals in het voorbeeld bleek, € 27.818,10 aan misgelopen rentebijschrijvingen. Dat betekent dat de overheid, achteraf bezien, beter het verkoopverlies van (€ 300.000 – € 280.000 =) € 20.000 had kunnen vergoeden aan eigenaar X. Dan had de overheid immers geen verlies (kosten) van € 27.818,10 gehad, maar van slechts € 20.000. Het staat de overheid vrij te kiezen voor het betalen van € 20.000 in plaats van voor onteigening. De overheid zal een inschatting moeten maken welke optie, onteigening of betaling van schadevergoeding, uiteindelijk het voordeligst zal zijn. Dat zal niet altijd gemakkelijk zijn, maar zij is meer dan wie dan ook in staat die inschatting te maken. Zij heeft de besluitvorming immers zelf in de hand.13
Uit het voorbeeld blijkt tot slot dat bij het recht op onteigening of schadevergoeding, zoals hier voorgesteld, geen discussie ontstaat over de vraag wanneer een (beleids)voornemen voldoende concreet is om als grondslag voor de onteigening of schadevergoeding te fungeren. Indien tussen het gepubliceerde voornemen en het mislukken van de poging om de eigendommen binnen twee jaar (na de publicatie) te verkopen tegen de marktwaarde causaal verband bestaat, is het recht op onteigening of schadevergoeding immers gegeven.