Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/3.5.2
3.5.2 Groepsverbondenheid in de WOR
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS488624:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1969-1970, 10 335, nr. 56.
Kamerstukken II 1969-1970, 10 335, nr. 3 p. 25.
Honée 1981, p. 96.
Aanleiding voor deze aanvulling was een (ongevraagd) advies van de SER van 19 oktober 1973 (SER-Advies 1973/14). Dit advies bevat ook een schets van aan te brengen wijzigingen. Een van de wijzigingen, die overigens niets van doen heeft met de instelling van groepsondernemingsraden waar het advies betrekking op had, betreft de vervanging in art. 33 lid 3 van de woorden ‘twee of meer in enigerlei vorm samenwerkende ondernemers’ in ‘twee of meer in een groep verbonden ondernemers’. Ik sluit niet uit dat de SER de onevenwichtigheid in de bewoordingen van de artt. 2 lid 2 en 33 lid 3 WOR heeft gesignaleerd, en van de gelegenheid gebruik heeft willen maken om deze te corrigeren. De woorden ‘in een groep verbonden ondernemers’ zijn zonder verdere toelichting overgenomen in het op 11 september 1974 ingediende wetsontwerp.
Zie onder andere Schotvanger 1972, p. 23; Honée 1981, p. 96 en 97 en Honée 1982, p. 43. Honée (1981, p. 97) spreekt overigens van verwantschap om daarmee tot uitdrukking te brengen dat er verschillen zijn. Zo zal voor de wet op de ondernemingsraden elk van de verbonden rechtspersonen ondernemer moeten zijn, en dus pas in de groep verbonden kunnen zijn, indien hij een onderneming, dat wil zeggen een arbeidsorganisatie, in stand houdt. Voor naamloze en besloten vennootschappen geldt voor toepassing de structuurregeling niet dat elk van hen een arbeidsorganisatie in stand houdt. Voor het aantal werknemers wordt bijvoorbeeld gekeken naar het totaal van de verbonden rechtspersonen. Daarnaast is de reikwijdte van het groepsbegrip in de Wet op de ondernemingsraden beperkt tot ondernemingen in Nederland. In de structuurregeling gaat het ook om activiteiten buiten Nederland (vgl. art. 2:153/263 lid 3 en onder b BW).
Kamerstukken II 1969-1970, 10 751, nr. 3, p. 13 en 15.
Het ontwerp van een nieuwe Wet op de ondernemingsraden was op 6 oktober 1969 ingediend, het wetsvoorstel tot invoering van de structuurregeling op 20 juli 1970, het amendement Rietkerk op 8 september 1970. Met het criterium ‘verbondenheid in een groep’ hebben de indieners geen aansluiting gezocht bij de terminologie in het wetsvoorstel voor een nieuwe Wet op de ondernemingsraden.
Evenzeer: Honée 1981, p. 96.
Kamerstukken II 1976-1977, 13 954, nr. 2.
Kamerstukken II 1976-1977, 13 954, nr. 2, p. 25. Naast de naamloze en besloten vennootschappen wordt ook van verenigingen en stichtingen aangegeven dat deze tot de in een groep verbonden ondernemers kunnen behoren, bijvoorbeeld door benoeming van bestuursleden. Het groepsbegrip in de WOR is in die zin breder, maar daarmee nog niet anders dan dat in de structuurregeling.
Kamerstukken II 1976-1977, 13 954, nr. 5, p. 34.
Kamerstukken II 1976-1977, 13 954, nr. 6, p. 17. De kritiek vanuit de Kamer betrof met name de vraag of de definitie wel in overeenstemming was met de heersende, en zich ten dele nog ontwikkelende, opvattingen omtrent de vraag wat onder een concern verstaan moest worden. Ook het feit dat de intrekking er mede toe diende deze verwarring te voorkomen, duidt erop dat onder groepsverbondenheid in de zin van de WOR en in die van de structuurregeling in grote lijnen hetzelfde werd verstaan.
Raaijmakers (1976, p. 98) meende in 1976 nog dat reeds sprake was van een concernrelatie in de zin van de structuurregeling, indien de moedervennootschap (met een belang van 50%) de mogelijkheid had om beslissingen te blokkeren. De zuivere 50/50 joint venture was derhalve in een groep verbonden te achten met beide partners. Honée (1981, p. 97) vond een dergelijke ‘dead-lock positie’ onvoldoende om te kunnen spreken van groepsverbondenheid in de zin van de structuurregeling. Daarvoor is meer nodig, nl. dat de moedervennootschap een zodanige invloed heeft dat zij door actief ingrijpen in het beleid van de dochtervennootschap centraal bestuur kan bewerkstelligen. Daarvan zal bij joint ventures, gegeven de daarvoor karakteristieke deling van bestuursmacht, volgens Honée doorgaans geen sprake zijn. Hoe dan ook acht hij uitgesloten dat een joint venture tot twee of meer groepen behoort. Ik ben dit alles met Honée eens. In later jaren heeft ook Raaijmakers deelneming voor meer dan de helft van het geplaatste kapitaal als uitgangspunt genomen om te kunnen spreken van de economische eenheid die constitutief is om van een groep te kunnen spreken. In dezelfde zin ook Timmerman.
Zie pagina 12 van de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 1987-1988, 20 583, nr, 3). Deze passage zien we nagenoeg woordelijk terug in SER-advies 92/07, p. 45.
Het aanstonds te bespreken arrest van de Hoge Raad inzake TNT biedt daarvan een treffend voorbeeld.
Voor een uitgebreidere beschrijving van de joint venture, zie Raaijmakers 1976, in het bijzonder de p. 49 t/m 134; Ten Berg 1995, p. 335 e.v.; en Huizink 2009, p. 227 e.v.
HR 14 maart 2008, NJ 2008, 167, JOR 2008/94 m.nt. Holtzer en JAR 2008/112 (COR/TNT). Het arrest is door Van het Kaar besproken in SR 2008, 56 en door Even in Ondernemingsrecht 2008-7, p. 285-287.
Hof ’s-Gravenhage 28 november 2006, JOR 2007/8 (COR/TNT).
Kamerstukken II 1976-1977, 13 954, nr. 6, p. 17.
Kamerstukken II 1987-1988 20 583, nr. 3, p. 12.
Kamerstukken II 1975-1976, 13 954, nr. 3, p. 25.
Kamerstukken II 1987-1988 20 583, nrs. 2 en 3.
De woorden ‘in een groep verbonden ondernemers’ zijn in 1971 in art. 2 lid 2 in de wet opgenomen op grond van een daartoe strekkend amendement van vijf Kamerleden (‘amendement Rietkerk’).1 Het amendement breidde de mogelijkheid een gemeenschappelijke ondernemingsraad in te stellen uit van één ondernemer die meerdere ondernemingen in stand hield tot de ‘in een groep verbonden ondernemers’ die meerdere ondernemingen in stand hielden. Met de voorgestelde aanvulling beoogden de indieners ‘ten behoeve van concerns’ te voorzien in de mogelijkheid een gemeenschappelijke ondernemingsraad in te stellen. Opvallend is dat het amendement niet dezelfde bewoordingen gebruikt als art. 33 lid 3 van het wetsontwerp, dat voor ‘twee of meer in enigerlei vorm samenwerkende ondernemers’ de mogelijkheid opende een centrale ondernemingsraad in te stellen. Temeer valt dit op indien bedacht wordt dat blijkens de Memorie van Toelichting met de invoering van centrale ondernemingsraden in art. 33 WOR óók werd voorzien in de behoefte van grote concerns, meer nog dan in die van één ondernemer die meerdere ondernemingen in stand hield.2 Andersom zou men, met Honée,3 ook kunnen zeggen dat het merkwaardig is dat in een en hetzelfde amendement niet is voorgesteld tevens de tekst van art. 33 lid 3 van het wetsvoorstel te wijzigen. Deze wijziging vond in 1976 alsnog plaats, in het kader van een aanvulling van art. 33 WOR met de mogelijkheid van instelling van groepsondernemingsraden. 4 Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat de voorgestelde wijziging uitsluitend strekte tot bekorting van de tekst van art. 33 lid 3; een verwijzing naar art. 2 lid 2 ontbrak.5
Hoewel de wetgever zich daarover niet met zoveel woorden heeft uitgelaten, heeft het er alle schijn van dat hij onder groep in de Wet op de ondernemingsraden lange tijd hetzelfde heeft verstaan als onder groep in de structuurregeling:6 een groep van naar de rechtsvorm zelfstandige ondernemingen die door kapitaaldeelneming of anderszins met elkaar verbonden zijn, en waarvan het centrale beleid in de top wordt bepaald.7 Een goed aanknopingspunt voor deze stelling biedt de gang van zaken rondom het amendement Rietkerk. Daarin werd de terminologie overgenomen van het twee maanden daarvoor ingediende wetsvoorstel tot invoering van de structuurregeling (de artt. 52c en 52e WvK)8 en niet van het wetsontwerp voor een nieuwe Wet op de ondernemingsraden. De Kamer vond het echter niet nodig bijzondere aandacht te besteden aan de vraag wat in het amendement onder een groep verstaan diende te worden. Kennelijk was dat hetzelfde als in het wetsvoorstel tot invoering van de structuurregeling.9 Daar komt nog het volgende bij. Had de wetgever de vraag wat onder een groep verstaan moest worden in 1971 laten rusten, van het in juni 1976 ingediende wetsvoorstel tot herziening van de Wet op de ondernemingsraden maakte een definitie van het begrip ‘in een groep verbonden ondernemers’ deel uit: een groep van ondernemers die onderling door zodanige zeggenschapsverhoudingen zijn verbonden, dat het handelen of nalaten van een of meer van hen door een of meer andere ondernemers in die groep duurzaam kan worden beheerst (art. 1 lid 1 en onder g van het ontwerp).10 Het gebruik van het woord kan duidt erop dat de mogelijkheid om zeggenschap uit te oefenen (‘power to control’) volstaat om van een groep te kunnen spreken. In de Memorie van Toelichting heet het echter dat het bij de in een groep verbonden ondernemers in de eerste plaats gaat om een groep van naar de rechtsvorm zelfstandige ondernemingen die door kapitaaldeelneming of anderszins met elkaar zijn verbonden, en waarvan het centrale beleid in de top wordt bepaald.11 Deze omschrijving duidt op daadwerkelijke uitoefening van zeggenschap (‘effective control’). Zij is identiek aan die in de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel tot invoering van het structuurregime in 1971, waarbij de daadwerkelijke uitoefening van zeggenschap bepalend is. Naar aanleiding van kritische Kamervragen12 is de definitie uiteindelijk ‘mede ter voorkoming van verwarring’ niet in de wet opgenomen.13 Dat verwarring ontstaat indien de wetgever in een wetsvoorstel en de daarbij horende memorie van toelichting verschillende groepsbegrippen hanteert om een en hetzelfde begrip te omschrijven (nl. verbondenheid in een groep), mag geen verbazing wekken. Dat de wetgever deze verwarring heeft willen wegnemen door de definitie uit het wetsontwerp te schrappen, duidt er op dat hij onder groepsverbondenheid in de Wet op de ondernemingsraden hetzelfde heeft willen verstaan als in de structuurregeling.14 Dat zou er op neerkomen dat voor toepassing van de Wet op de ondernemingsraden dochtermaatschappijen slechts dan met de aan het hoofd staande ondernemer in een groep verbonden waren, indien zij tevens groepsmaatschappij zijn.
De wetgever keert in 1988 op zijn schreden terug. Voor toepassing van de Wet op de ondernemingsraden wordt een ander groepsbegrip gebruikt dan voor toepassing van de structuurregeling. In de Memorie van Toelichting bij het op 9 juni 1988 ingediende wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op de ondernemingsraden en de Arbeidsomstandighedenwet valt namelijk te lezen: ‘In de praktijk is er sprake van in een groep verbonden ondernemers, indien naar de rechtsvorm zelfstandige ondernemers zijn onderworpen aan een gemeenschappelijke leiding, dan wel één van hen die leiding over de andere uitoefent of kan uitoefenen.’.15 Het gaat hier om een toelichting op een nieuw artikel 3 lid 3, de herschreven regeling van de instelling van een gemeenschappelijke ondernemingsraad door in een groep verbonden ondernemers. De woorden ‘leiding … kan uitoefenen’ vallen op. Leek groepsverbondenheid in de Wet op de ondernemingsraden met het schrappen van de definitie uit het wetsontwerp in 1976 gebaseerd op feitelijke uitoefening van bevoegdheden (‘effective control’), in 1988 is de mogelijkheid om zeggenschap uit te oefenen (‘power to control’) voldoende om te spreken van verbondenheid in een groep. Met het kunnen uitoefenen van zeggenschap neemt de wetgever afstand van het groepsbegrip in art. 2:24b BW en dus van dat in de structuurregeling. Hij verwijst echter niet specifiek naar het dochterbegrip in art. 2:24a BW, nu voor het zijn van dochter in de zin van die bepaling het enkele feit volstaat dat de meerderheid van de stemrechten in de algemene vergadering van aandeelhouders kan worden uitgeoefend, zonder dat daarmee per definitie ook de leiding kan worden uitgeoefend.16
De wetsgeschiedenis is mede zo interessant omdat deze een prominente rol speelde in een arrest dat de Hoge Raad in 2008 wees met betrekking tot de verbondenheid in een groep als grond voor toetreding van een ondernemingsraad tot een centrale ondernemingsraad, in het bijzonder in joint venture verband. Daaronder versta ik in dit verband een samenwerking tussen twee of meer voor het overige zelfstandige ondernemingen, die vorm wordt gegeven in een gezamenlijke (dochter)onderneming. 17 In het arrest COR/TNT heeft de Hoge Raad zich voor het eerst uitgelaten over de vraag wat in de Wet op de ondernemingsraden verstaan dient te worden onder ‘in een groep verbonden ondernemers’.18 Ik geef een korte schets van de relevante feiten. TNT houdt (indirect) 51% van de aandelen in Cendris BV, de andere 49% wordt gehouden door Essent. In de statuten van Cendris is bepaald dat aandeelhoudersbesluiten slechts kunnen worden genomen met een tweederde meerderheid van de uitgebrachte stemmen in een vergadering waarin het gehele kapitaal aanwezig dan wel vertegenwoordigd is. TNT en Essent kunnen ieder twee commissarissen benoemen, die uit hun midden een voorzitter benoemen. Besluiten van de raad van commissarissen kunnen alleen met volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen worden genomen in een vergadering waarin alle commissarissen aanwezig of vertegenwoordigd zijn. De bestuurder van TNT en de COR hebben in 2000 onder meer afgesproken dat meerderheidsdeelnemingen van TNT zullen worden opgenomen in de medezeggenschapsstructuur. De COR verzoekt de kantonrechter te beslissen dat Cendris moet worden gezien als een meerderheidsdeelneming, en dat de ondernemingsraad van Cendris dus op grond van de gemaakte afspraken en/of op grond van art. 33 lid 3 WOR vertegenwoordigd dient te zijn in de COR. De kantonrechter wijst het verzoek toe, het Hof vernietigt die beslissing en wijst het verzoek alsnog af.19 De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af. Dit zijn de kernoverwegingen in het arrest van de Hoge Raad:
‘3.4.3. … Het hof is terecht ervan uitgegaan dat in beginsel een deelneming voor meer dan 50% in het geplaatste kapitaal tot groepsverbondenheid in de evenbedoelde zin zal leiden omdat in dat geval de zeggenschap naar eigen inzicht door de meerderheidsaandeelhouder kan worden bepaald. Het hof heeft eveneens terecht overwogen dat wanneer de aandelen in de vennootschap volgens een onderlinge regeling tot samenwerking worden gehouden, de joint venture in een groep verbonden is met die rechtspersoon die de overwegende zeggenschap heeft. Aldus wordt bereikt dat de uitoefening van medezeggenschapsrechten daar plaats vindt waar in overwegende mate zeggenschap over de joint venture bestaat. Indien geen van de deelnemende partners overwegende zeggenschap in de joint venture heeft dan behoort deze joint venture noch tot de groep van de ene noch tot de groep van de andere partner.
3.4.4. Bij het voorgaande verdient aantekening dat het hof bij de uitleg van het begrip “in een groep verbonden ondernemers” geen aansluiting behoefde te zoeken bij het juridische groepsbegrip van art. 2:24a BW, dan wel bij het economische groepsbegrip van art. 2:24b BW, omdat, zoals hiervoor vermeld, de wetgever een wettelijke omschrijving van het in art. 33 lid 3 WOR bedoelde begrip “in een groep verbonden ondernemers” bewust achterwege heeft gelaten, en ook later geen aanleiding heeft gevonden voor het geven van een nadere omschrijving.
3.4.5. Het voorgaande brengt mee dat het hof terecht niet heeft volstaan met de constatering dat TNT een belang heeft van 51% in Cendris BSC, maar aan de hand van de overige omstandigheden van het geval heeft onderzocht of hier niettemin sprake is van een geval waarin TNT geen overwegende zeggenschap in de joint venture heeft.’.
Bij dit arrest zou ik enige kritische kanttekeningen willen plaatsen, die niet zozeer het uiteindelijke oordeel betreffen dat Cendris niet behoort tot de in een groep met TNT verbonden ondernemers, maar de motivering van dat oordeel:
Op zich is juist dat de wetgever een wettelijke omschrijving van het begrip ‘in een groep verbonden ondernemers’ bewust achterwege heeft gelaten. We zagen dat een omschrijving van het begrip deel uit maakte van het in 1976 ingediende wetsontwerp tot herziening van de Wet op de ondernemingsraden (art. 1 lid 1 en onder g), maar dat de regering uiteindelijk daarvan heeft afgezien ‘mede om verwarring te voorkomen’.20 De verwarring is ontstaan doordat de voorgestelde wettekst een omschrijving bevatte die afweek van die in de Memorie van Toelichting. De omschrijving in art. 1 lid 1 en onder g van het wetsvoorstel sloot aan bij die in art. 2:24a BW (‘kan worden beheerst’), die in de Memorie van Toelichting bij art. 2:24b BW (‘waarvan het centrale beleid in de top wordt bepaald’, een omschrijving die past bij de structuurregeling. Waar in 1971 aansluiting was gezocht bij het groepsbegrip in de structuurregeling, derhalve bij het begrip groep zoals dat in 1988 in art. 2:24b BW terecht is gekomen, is het schrappen ‘om verwarring te voorkomen’ wellicht ingegeven door de vrees dat voor de Wet op de ondernemingsraden een ander groepsbegrip zou gaan gelden dan in de structuurregeling. Het enkele schrappen van art. 1 lid 1 en onder g WOR staat er dan ook niet aan in de weg aansluiting te zoeken bij art. 2:24b BW.
Anders dan de Hoge Raad in 3.4.4. overweegt, heeft de wetgever na 1976 wel degelijk een nadere omschrijving van de ‘in een groep verbonden ondernemers’ gegeven. In de Memorie van Toelichting bij het op 9 juni 1988 ingediende wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op de ondernemingsraden en de Arbeidsomstandighedenwet valt immers te lezen: ‘In de praktijk is er sprake van in een groep verbonden ondernemers, indien naar de rechtsvorm zelfstandige ondernemers zijn onderworpen aan een gemeenschappelijke leiding, dan wel één van hen die leiding over de andere uitoefent of kan uitoefenen.’.21 Dat die omschrijving werd gegeven met betrekking tot art. 3 lid 3 WOR in plaats van art. 33 lid 3 WOR acht ik voor de vraag die de Hoge Raad te beantwoorden had niet relevant. Wel relevant daarentegen is dat de wetgever zich met deze beschrijving afwendt van art. 2:24b BW, nu voor groepsverbondenheid niet langer de daadwerkelijke uitoefening van zeggenschap (‘effective control’), maar de mogelijkheid zeggenschap uit te oefenen (‘power to control’) bepalend is.
In de Memorie van Toelichting op het in 1976 ingediende wetsvoorstel tot herziening van de Wet op de ondernemingsraden lezen we, nota bene als toelichting op de omschrijving in art. 1 lid 1 en onder g van het ontwerp, met betrekking tot de positie van een vennootschap die voor gelijke delen een joint venture is van twee andere vennootschappen nog het volgende: ‘Aangezien het beleid van deze joint venture wordt bepaald door de beide moedervennootschappen, moet zij geacht worden met beide in een groep verbonden te zijn.’.22 In de Memorie van Toelichting bij het op 9 juni 1988 ingediende wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op de ondernemingsraden en de Arbeidsomstandighedenwet komt de wetgever nadrukkelijk en met zoveel woorden op dat eerder ingenomen standpunt terug: ‘Worden de aandelen in een vennootschap volgens een onderlinge regeling tot samenwerking gehouden door twee andere rechtspersonen, dan is de vennootschap – een joint venture – in een groep verbonden met de rechtspersoon die de overwegende zeggenschap heeft. Heeft geen der deelnemende rechtspersonen overwegende zeggenschap, hetgeen het geval kan zijn wanneer twee rechtspersonen ieder voor 50% deelnemen in de joint venture, dan behoort die joint venture noch tot de groep van de ene, noch tot die van de andere rechtspersoon. Anders werd hierover nog geoordeeld in de memorie van toelichting bij het wetsontwerp tot herziening van de Wet op de ondernemingsraden (zitting 1975-1976, 13 954, nr. 3, blz. 35).’.23 Zowel A-G Timmerman als de Hoge Raad lijkt deze passage uit de wetsgeschiedenis, die zozeer op maat is toegesneden voor de vraag die te beantwoorden was, over het hoofd te hebben gezien.
Wat daarvan zij, de passage onderschrijft het uiteindelijke oordeel van de Hoge Raad dat overwegende zeggenschap bepalend is voor het antwoord op de vraag of de joint venture met een van beide partners in een groep verbonden is. In iets andere bewoordingen zijn daarbij twee varianten denkbaar:
een meerderheid van stemrechten in de algemene vergadering van aandeelhouders (potentiële zeggenschap) volstaat voor groepsverbondenheid, tenzij met die meerderheid geen doorslaggevende zeggenschap kan worden uitgeoefend; en
met een minderheid van de stemrechten in de algemene vergadering van aandeelhouders kan volstaan worden om te kunnen spreken van groepsverbondenheid, maar dan dienen de betreffende ondernemers anderszins daadwerkelijk aan gemeenschappelijke leiding onderworpen te zijn.