Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/4.2.2
4.2.2 Coase en de Coase Theorem
F.G.K. Overkleeft, datum 28-05-2017
- Datum
28-05-2017
- Auteur
F.G.K. Overkleeft
- JCDI
JCDI:ADS387026:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Illustratief is het voorwoord van Easterbrook/Fischel 1991, p. viii: “In particular, we like all other contemporary scholars in corporate organization owe a great debt to R.H. Coase, who first pointed out the similarity (and differences) between corporations and markets. (…) Without him the economic study of corporate law might lie ahead; to him, we have dedicated this book.”
R.H. Coase, ‘The Problem of Social Cost’, Journal of Law & Economics 1960, p. 1-44.
Harcourt 2011, p. 122-123, tevens verwijzend naar R.A. Posner, Frontiers of Legal Theory, Cambridge (Mass.): Harvard University Press 2001, p. 6 (“The proposal of what might grandly be called the economic theory of law builds on a pioneering article by Ronald Coase”).
Harcourt 2011, p. 127, verwijzend naar een citaat van Coase dat Hayek zeer invloedrijk was geweest op zijn intellectuele ontwikkeling, opgetekend in E.W. Kitsch, ‘The Fire of Truth:a Remembrance of Law and Economics at Chicago 1932-1970’, Journal of Law & Economics 1983, p. 217 (“Hayek was terribly important at the London School of Economics in ways that perhaps people wouldn’t realize.”).
Coase 1960, p. 8.
Ibid, p. 15.
Harcourt 2011, p. 124.
Coase 1960, p. 15.
Ibid.
Ibid, p. 15-18.
Ibid, p. 19-28.
Ibid, p. 41: “A tax system which was confined to a tax on the producer for damage caused would tend to lead to unduly high costs being incurred for the prevention of damage. Of course this could be avoided it if were possible to base the tax, not on the damage caused, but on the fall in the value of production (…). But to do so would require a detailed knowledge of individual preferences and I am unable to imagine how the data needed for such a taxation system could be assembled.”
De Brits-Amerikaanse econoom Coase wordt binnen de Chicago School gezien als de grondlegger van de moderne law & economics-discipline.1 Zijn artikel ‘The Problem of Social Cost’ uit 19602 wordt door velen aangemerkt als het beginpunt voor de ontwikkeling van de economische analyse van het recht,3 al moet hierbij meteen worden opgemerkt dat Calabresi (Yale University) enkele maanden later – onafhankelijk van Coase – een in vele opzichten even oorspronkelijk en invloedrijk artikel publiceerde. G. Calabresi, ‘Some Thoughts on Risk Distributions and the Law of Torts’, Yale L.J. 1961, p. 499-553. Ten tijde van het verschijnen van dit artikel was Coase, die in de jaren ’30 nog een collega van Hayek was geweest aan de London School of Economics en die naar eigen zeggen ook in belangrijke mate door Hayek was beïnvloed,4 nog verbonden aan de University of Virginia, maar hij zou in 1964 een aanstelling aan de University of Chicago Law School aanvaarden. Vanuit deze positie zou Coase via seminars en latere publicaties van grote invloed zijn op de volgende generatie rechtseconomen, onder wie de jurist Posner en de econoom Becker. Coase kan daarom één van de stamvaders van law & economics worden genoemd.
Coase’s artikel ‘The Problem of Social Cost’ behelsde in de eerste plaats een rechtseconomische analyse van aansprakelijkheid. Centraal stond de vraag op welke wijze aansprakelijkheidsregelingen gebruikt konden worden om schadeveroorzakend gedrag af te wenden. Een vernieuwend inzicht van Coase was dat de relatie tussen de schadeveroorzaker en gelaedeerden een wederzijdse was: het opleggen van aansprakelijkheid aan A voor de schade die A aan B zou kunnen veroorzaken betekende in economische termen immers dat daarmee aan A schade werd toegebracht. In plaats van de traditionele benadering om schadeveroorzakend gedrag van A tegen te gaan met aansprakelijkheid stelde Coase een serie onderhandelingen en markttransacties tussen A en B voor om tot een voor beide partijen optimale situatie te komen. Hij werkte dit uit aan de hand van een voorbeeld van een veehouder A en boer B met aangrenzende percelen, waarbij veehouder A bij uitbreiding van zijn veestapel meer inkomsten kan genereren, maar anderzijds ook meer schade aan boer B zou kunnen veroorzaken doordat zijn vee de gewassen op het perceel van boer B zou kunnen beschadigen. Coase stelde voor dat veehouder A en boer B via markttransacties tot een optimaal evenwicht in hun onderlinge verhouding zouden kunnen komen, bijvoorbeeld doordat boer B een bepaald bedrag aan veehouder A zou betalen om zijn veestapel niet of slechts in beperkte mate uit te breiden. Zo zou veehouder A gecompenseerd worden voor zijn misgelopen inkomsten terwijl boer B de bescherming van zijn gewassen zeker kon stellen.
Op zichzelf beschouwd was het veronderstellen van markttransacties tussen partijen om in geval van conflicterende belangen tot een wederzijds aanvaardbare oplossing te komen vanuit economisch oogpunt niet onconventioneel. De grote stap in de analyse van Coase was de stelling dat via onderhandelingen en markttransacties tussen partijen een optimaal resultaat in de onderlinge verhouding kon worden bereikt ongeacht de juridische uitgangspositie. In zijn voorbeeld van veehouder A en boer B zou volgens Coase de beginverdeling van rechten, plichten en aanspraken tussen A en B geen verschil maken voor het uiteindelijke onderhandelingsresultaat. Een recht zou volgens Coase uiteindelijk altijd bij de partij uitkomen die daar de meeste waarde aan hecht en daar dus het meeste voor wil betalen. De beginverdeling van rechten was in de visie van Coase relevant voor het vaststellen van de richting (van A naar B of omgekeerd) en de prijzen van markttransacties, maar niet voor de vraag of deze transacties plaats zouden vinden. In de woorden van Coase: “It is necessary to know whether the damaging business is liable or not for damage caused since without the establishment of this initial delimination of rights there can be no market transactions to transfer and recombine them. But the ultimate result (which maximises the value of production) is independent of the legal position if the pricing system is assumed to work without cost.”5 en “It is always possible to modify by transactions on the market the initial legal delimination of rights. And, of course, if such market transactions are costless, such a rearrangement of rights will always take place if it would lead to an increase in the value of production.”6 Deze stelling zou later worden aangeduid als de ‘Coase Theorem’.7
Uit de bovenstaande citaten wordt duidelijk dat Coase één belangrijke assumptie aan zijn model ten grondslag had gelegd: een volstrekt efficiënt werkend mechanisme van prijsvorming in die zin dat er aan de markttransacties zelf geen kosten (‘transaction costs’) zijn verbonden. Coase noemde dit zelf een “very unrealistic assumption”8 Voor hem was duidelijk dat de door hem voorziene markttransacties om verscheidene redenen juist niet kostenneutraal waren: “In order to carry out a market transaction it is necessary to discover who it is that one wishes to deal with, to inform people that one wishes to deal and on what terms, to conduct negotiations leading up to a bargain, to draw up the contract, to undertake the inspection needed to make sure that the terms of the contract are being observed, and so on. These operations are often extremely costly, sufficiently costly at any rate to prevent many transactions that would be carried out in a world in which the pricing system worked without cost.”9 Coase stelde dat in de situatie dat markttransacties niet kostenneutraal waren de beginverdeling van rechten en plichten tussen partijen wel relevant was. Ook stelde hij dat het bestaan van transactiekosten aan het bereiken van de optimale situatie via markttransacties tussen partijen in de weg zou kunnen staan.
Om dit probleem op te lossen was het volgens Coase noodzakelijk om de werking van het marktmechanisme tussen private partijen bij te sturen, bijvoorbeeld via regulering van overheidswege, om zo alsnog de optimale, althans zo goed mogelijke, verdeling van rechten en plichten tussen partijen te bereiken. Aan de afweging in welke mate bijsturing van het marktmechanisme gewenst was en aan de keuze voor het meest geschikte instrument voor een dergelijke bijsturing zou in de visie van Coase voor elk afzonderlijk ingrijpen in het marktmechanisme een gedegen empirisch onderzoek over de werking van het marktmechanisme en de effecten van die bijsturing ten grondslag moeten liggen.10 Deze benadering zou volgens Coase niet alleen door de wetgever, maar ook door rechters moeten worden gevolgd bij het vaststellen van de verdeling van rechten en plichten.11 Ook bij het gebruik van belastingen om bepaald gedrag te stimuleren dan wel tegen te gaan was volgens Coase een analyse van de economische effecten vereist, waarbij hij meteen opmerkte dat de berekening van de te heffen belastingen om het marktmechanisme op efficiënte wijze bij te sturen vanwege het ontbreken van de benodigde data een vrijwel onmogelijke opgave zou zijn.12 Met deze overwegingen gaf Coase een universeel kader voor de rechtseconomische analyse van verschillende vormen van (overheids)ingrijpen in marktmechanismen. Hiermee was het fundament voor de verdere ontwikkeling van de law & economics-stroming in de wetenschap gelegd.