Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van toetsing van wetgeving (SteR nr. 1) 2010/II.3.3.4
II.3.3.4 Splitsbaarheid van wettelijke voorschriften
Joost Sillen, datum 01-07-2010
- Datum
01-07-2010
- Auteur
Joost Sillen
- JCDI
JCDI:ADS583690:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Paragraaf 3.3.2.2.
BVerfG 12 november 1958, 8 E 274 (Preisgesetz), 300-301.
Idem, p. 301 (de verdeling van het citaat in alinea’s is van mij, JS). Skouris 1973, p. 30-39 en p. 75-89 schrijft uitgebreid over dit arrest.
BVerfG 10 juli 1958, 8 E 71 (Anbau von Weinreben), 72-73.
Idem, p. 79. Een ander voorbeeld is BVerfG 30 mei 1956, 5 E 25 (Apothekenstoppgesetz), 34.
Bijv. BVerfG 12 november 1958, 8 E 274 (Preisgesetz), 301-302; BVerfG 16 juni 1959, 9 E 305 (Kriegsfolgelasten I), 333-334; BVerfG 17 november 1959, 10 E 200 (Friedensrichter); BVerfG 13 april 1978, 48 E 127 (Wehrpflichtnovelle), 177; BVerfG 19 oktober 1982, 61 E 149 (Staatshaftung), 206-208; BVerfG 7 mei 1998, 98 E 83, 105.
Bijv. BVerfG 17 november 1959, 10 E 200 (Friedensrichter), 220. Ook bij toetsing aan het gelijkheidsbeginsel (art. 3 GG) hecht het Hof belang aan de bedoeling van de wetgever. Bijv. BVerfG 21 juli 1955, 4 E 219 (Junktimklausel), 250. Zie Skouris 1973, p. 41-45.
Art. 75 GG. Het artikel is per 1 september 2006 vervallen.
BVerfG 27 juli 2004, 111 E 126 (Juniorprofessur), 257-270.
Idem, p. 273.
Hiervóór bleek, dat het Hof zich thans bevoegd acht onrechtmatige toepassingen van een overigens rechtmatig voorschrift af te splitsen.1 Of het Hof ook steeds tot splitsing overgaat als het vaststelt, dat niet een toepassingsgeval, maar een deel van een voorschrift onrechtmatig is, is daar echter niet besproken.
De vraag of onrechtmatige delen van wettelijke voorschriften van de rest van het voorschrift kunnen worden afgesplitst, beantwoordt het Hof in beginsel bevestigend.2 Slechts in bijzondere omstandigheden wijkt het van dat beginsel van splitsbaarheid af:
‘Die Nichtigkeit einzelner Vorschriften hat grundsätzlich nicht die Nichtigkeit auch der übrigen Bestimmungen des Gesetzes zur Folge. Aus der Nichtigkeit einzelner Vorschriften folgt vielmehr die Nichtigkeit des ganzen Gesetzes nur dann, wenn sich aus dem objektiven Sinn des Gesetzes ergibt, daß die übrigen mit der Verfassung zu vereinbarenden Bestimmungen keine selbständige Bedeutung haben [...];
ferner dann, wenn die verfassungswidrige Vorschrift Teil einer Gesamtregelung ist, die ihren Sinn und ihre Rechtfertigung verlöre, nähme man einen ihrer Bestandteile heraus [...], wenn also die nichtige Vorschrift mit den übrigen Bestimmungen so verflochten ist, daß sie eine untrennbare Einheit bilden, die nicht in ihre einzelnen Bestandteile zerlegt werden kann.’3
Een onrechtmatig deel van een voorschrift kan niet van de rest van het voorschrift worden afgesplitst – en heeft dus de nietigheid van het gehele voorschrift tot gevolg – als de rest van het voorschrift (1) geen ‘zelfstandige betekenis’ heeft of als het (2) zonder het onrechtmatige deel zijn ‘betekenis en rechtvaardiging’ verliest.
Onsplitsbaarheid op grond van het eerste criterium neemt het Hof niet vaak aan. Een zeldzaam voorbeeld is het geval waarin het de rechtmatigheid beoordeelt van een voorschrift dat het aanplanten van een wijngaard vergunningsplichtig maakt. Het voorschrift bevat vijf artikelen. Deze bepalen achtereenvolgens, dat het aanplanten van een wijngaard vergunningsplichtig is; op welke gronden de vergunning kan worden geweigerd; dat aan de vergunning voorwaarden kunnen worden verbonden; welke druiven geplant mogen worden en, ten slotte, dat overtreding van het voorschrift strafbaar is.4 Het Hof oordeelt het eerste artikel – dat de vergunningsplicht instelt – onrechtmatig. Omdat toepassing van de andere vier bepalingen van het voorschrift pas mogelijk is als het eerste artikel rechtmatig is, verklaart het Hof het hele voorschrift nietig.5
Veel vaker neemt het Hof de onsplitsbaarheid aan op grond van het tweede criterium: door de onrechtmatigheid van een deel van het voorschrift verliest de rest van het voorschrift zijn ‘betekenis en rechtvaardiging’.6 Voor de beantwoording van de vraag of daarvan sprake is, acht het Hof de bedoeling van de wetgever doorslaggevend.7
Een voorbeeld van een geval waarin het Hof dat criterium toepast, is het Juniorprofessur-Urteil. De bondswetgever wil met een wijziging van het Hochschulrahmengesetz de personeels- en bezoldigingsstructuur van de universiteiten hervormen. Het belangrijkste element van die hervorming is de invoering van het ambt van Juniorprofessur. Het Hof oordeelt echter, dat de wetgever zijn raamwetgevende bevoegdheid – de bevoegdheid tot het geven van algemene regels die door landswetgeving moeten worden uitgewerkt8 – te buiten is gegaan door de invoering van deze Professur.9 De regeling laat de deelstaten te weinig vrijheid. Omdat invoering van de Juniorprofessur het centrale element is in de hervorming – zij is daarvan volgens het Hof het ‘Kernbestand’ – verklaart het de hele wijzigingswet nietig:
‘Mit der Nichtigkeit der Vorschriften über die Juniorprofessur kann das Hauptziel der Hochschulreform nicht mehr erreicht werden [...]. Eine Fortgeltung einzelner Vorschriften kommt angesichts des einheitlichen gesetzgeberischen Reformkonzepts nicht in Betracht. Es liegt vielmehr vollständig in der Hand des verantwortlichen Bundesgesetzgebers, das Hochschulrahmengesetz unter Einhaltung der verfassungsrechtlichen Vorgaben zur Erreichung seiner Zielvorstellungen umzugestalten. Die Gesamtnichtigkeit vermeidet, dass das Gesetz mit einem vom Bundesgesetzgeber nicht gewollten Inhalt in Kraft gesetzt wird.’10