Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/1.6
1.6 Terminologie
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685405:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het gaat dus niet om de meer psychologische kant van vertrouwen die aan de orde is in Kuipers 2021 en Desmet 2012. In het onderzoek van Kuipers gaat het om vertrouwen als psychologische staat bestaande uit de intentie om kwetsbaarheid te accepteren op basis van positieve verwachtingen over de intenties of het gedrag van de ander (p. 20).
Zie nader par. 3.5.
Zoals zal blijken, ziet mijn kritiek ten aanzien van dit punt met name op het bestuursrecht, waar mijns inziens ten onrechte de toetsing onvoldoende ziet op de toetsing van ‘gerechtvaardigd vertrouwen’, maar te snel vastloopt in een formeel toegepast stappenplan.
Cramwinckel 2022, par. 2.2.4.
Zie bijv. M. Scheltema 2018, ‘de burger zoals die echt bestaat’.
Damen 2018b.
In mijn onderzoek maak ik veel gebruik van begrippen die zonder duidelijke definitie of nadere afbakening tot verwarring kunnen leiden. Daarom definieer ik hier de door mij gebezigde begrippen (te herkennen aan ‘is’) en geef ik voor zover van toepassing aan hoe ik die begrippen in mijn onderzoek afbaken (te herkennen aan ‘ik’ of ‘dit onderzoek’).
‘Overheid’ hanteer ik als algemene term, waarmee zowel een bestuursorgaan als een publiekrechtelijke rechtspersoon kan worden aangeduid. Indien nodig, maak ik een onderscheid tussen het bestuursorgaan en de publiekrechtelijke rechtspersoon. Nu het juist vanuit het perspectief van de burger gaat om ‘de overheid’, problematiseer ik dit begrip niet.
Het in dit onderzoek gehanteerde begrip ‘vertrouwen’ ziet op een verwachting dat de overheid op een bepaalde manier zal handelen ofwel de verwachting dat door de overheid verstrekte informatie juist is en het gedrag daarop kan worden afgestemd.1 Als neutrale term gebruik ik ook wel ‘verwachting’.
Indien een burger mag rekenen op nakoming van of zijn handelen mag afstemmen op ‘vertrouwen’, is sprake van ‘gerechtvaardigd vertrouwen’.
Van ‘honorering van een beroep’ of een ‘succesvol beroep’ op het (bestuursrechtelijke) vertrouwensbeginsel is sprake als het bezwaar bij een bestuursorgaan of beroep bij de bestuursrechter slaagt en leidt tot honorering of nakoming van het gerechtvaardigd vertrouwen.
Indien een burger of belanghebbende nakoming van gerechtvaardigd vertrouwen verlangt, wil hij dat een overheid de door haar gedane uitlating honoreert. Een veroordeling van de overheid tot het betalen van schadevergoeding kwalificeer ik niet als honorering of nakoming.
‘Vertrouwensschending’ en ‘vertrouwensbreuk’ hanteer ik als algemene begrippen voor een schending van het gegeven woord ofwel informatie die ten onrechte het vertrouwen wekt dat zij juist en volledig is.
De term ‘waarheidsplicht’ hanteer ik voor een op een overheid in een concrete situatie rustende plicht tot het verstrekken van juiste en volledige informatie, voor de schending waarvan zij schadeplichtig is. Deze term is mogelijk verwarrend, nu het niet gaat om een verbod om te liegen, maar om een gebod tot het verstrekken van juiste en volledige informatie door een concrete verplichting die op de overheid rust tot zorgvuldige informatieverstrekking. Nu ik hetzelfde bedoel als eerder Jansen,2 kies ik er voor om dezelfde terminologie te gebruiken en niet een nieuwe term te introduceren.
Met nakomingsverplichting bedoel ik de verbintenis die voortvloeit uit ofwel een bevoegdhedenovereenkomst, ofwel een toezegging. Ik gebruik die term om deze verplichting te onderscheiden van de hierboven genoemde waarheidsplicht en ter onderscheiding van de rechtsbetrekking (namelijk de bevoegdhedenovereenkomst of toezegging) waaruit zij voortvloeit.
‘Binding aan overheidsuitlatingen’ gebruik ik indien het door een overheid gewekte vertrouwen rechtsgevolgen heeft. Dit kan blijken uit de vernietiging van een besluit wegens een schending van het vertrouwensbeginsel, een civielrechtelijke veroordeling van de overheid tot nakoming of een bestuurs- dan wel civielrechtelijke verplichting van de overheid tot schadevergoeding.
‘Fidens’ is een algemeen begrip voor een persoon die vertrouwt op een uitlating van de overheid. Dit kan zowel een natuurlijk persoon als een rechtspersoon zijn. In een civielrechtelijk kader maak ik meer specifiek gebruik van ‘burger’ of ‘private partij’, met wie zowel een natuurlijk als een rechtspersoon kan worden bedoeld. In het bestuursrecht zijn er de begrippen ‘belanghebbende’, ‘betrokkene’ en ‘belastingplichtige’ voor zover het fiscale recht wordt behandeld.
‘Overheidsfunctionaris’ is een verzamelterm voor ambtenaren en leden van bestuursorganen, doch niet de bestuursorganen zelf.
‘Overheidsuitlatingen’ hanteer ik als overkoepelende term voor de drie (bevoegdhedenovereenkomsten, eenzijdige toezeggingen en inlichtingen) in dit onderzoek centraal gestelde uitlatingen.
Met ‘rechtseenheid’ bedoel ik dat er geen onnodige verschillen bestaan in benadering tussen het bestuursrecht en het civiele recht bij het vaststellen van (de gevolgen van) een schending van gerechtvaardigd vertrouwen. Mijn streven naar rechtseenheid heeft alleen zin indien dat streven de noodzakelijke verschillen tussen die rechtsgebieden niet miskent. Die verschillen liggen niet alleen in positiefrechtelijke aspecten zoals de uitspraakbevoegdheden van de verschillende rechters, maar ook in achterliggende noties zoals gelijkwaardigheid van partijen in het civiele recht en de machtspositie van de overheid ten opzichte van de burger in het bestuursrecht. Ik stel slechts voor de verschillen aan te pakken die niet te verklaren zijn vanuit verschillende achterliggende rechtsbeginselen en moedig de rechters aan van elkaar te leren indien dat nuttig kan zijn.
Met rechtsconsistentie bedoel ik dat de bestuursrechter en de civiele rechter bij de beoordeling van beroepen op een schending van gerechtvaardigd vertrouwen een consistent toetsingskader hanteren.
Met ‘effectieve rechtsbescherming’ als doel van dit onderzoek bedoel ik dat het aanwenden van rechtsmiddelen het doel bereikt van de norm waarin de bescherming is vervat. Dat betekent in dit onderzoek dat een burger moet worden beschermd indien hij gerechtvaardigd heeft vertrouwd op een overheidsuitlating en dat vertrouwen wordt geschonden.3 Dit betekent niet dat elke verwachting tot rechtens te honoreren vertrouwen moet leiden.
De term ‘burgerperspectief’ verdient tot slot toelichting. Het is een term die in de bestuursrechtelijke literatuur met graagte wordt gebruikt, maar een duidelijke afbakening of betekenis mist.4 Wel is sprake van het terugkerende element van een realistisch burgerbeeld,5 in plaats van het lange tijd door de overheid gehanteerde beeld van een alerte, argwanende en assertieve burger.6 In dit onderzoek vul ik het burgerperspectief in via een wijziging van de door de bestuursrechter en civiele rechter toegepaste toetsingskaders. Een verbetering van het burgerperspectief bij een schending van gerechtvaardigd vertrouwen, zoek ik in meer rechtseenheid, rechtsconsistentie en rechtsbescherming.