Einde inhoudsopgave
De beursvennootschap, corporate governance en strategie (IVOR nr. 120) 2020/4.5.3
4.5.3 Kenmerkende aspecten en bestaansrecht van het Nederlandse governancemodel
mr. S.B. Garcia Nelen, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. S.B. Garcia Nelen
- JCDI
JCDI:ADS232598:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Het dienen van de belangen van de gezamenlijke stakeholders was het voorgestelde doel in de – thans niet langer breed gevolgde – resultanteleer, zie hierover paragraaf 5.1.2 van dit proefschrift. Zie voor een voorbeeld van een bijdrage waarin wel een model wordt voorgestaan waarin het bestuur verantwoordelijk is voor het dienen van de belangen van alle stakeholders: Palladino & Karlsson 2018.
Zie bijvoorbeeld Jensen 2002: “To the extent that stakeholder theory says that firms should pay attention to all their constituencies, the theory is unassailable. Taken this far stakeholder theory is completely consistent with value maximization or value-seeking behavior, which implies that managers must pay attention to all constituencies that can affect the value of the firm.” Een voorbeeld van een ander governancemodel, waar net zo goed rekening gehouden moet worden met de belangen van stakeholders en andere belangen, is het Verenigd Koninkrijk, waar een ‘enlightened’ shareholdermodel wordt voorgeschreven in artikel 172 van de UK Companies Act 2006: “A director of a company must act in the way he considers, in good faith, would be most likely to promote the success of the company for the benefit of its members as a whole, and in doing so have regard (amongst other matters) to (a) the likely consequences of any decision in the long term, (b) the interests of the company's employees, (c) the need to foster the company's business relationships with suppliers, customers and others, (d) he impact of the company’s operations on the community and the environment, (e) the desirability of the company maintaining a reputation for high standards of business conduct, and (f) he need to act fairly as between members of the company.”
Deze termen zijn strikt genomen niet synoniem, maar liggen in mijn optiek wel in elkaars verlengde. Corporate purpose wordt in internationale literatuur gebruikt om een concretere invulling te geven aan dat waar de vennootschap zich op richt (in Nederland is dat het bestendige succes van de onderneming). Zie over corporate purpose ook paragraaf 5.1.1 van dit proefschrift.
Bower & Paine 2017, p. 52 en 57-60.
Vgl. Hansmann & Kraakman 2000, par. III.D en paragraaf 4.5.4 van dit proefschrift. Hierbij past de kanttekening dat dat bestuur (anders dan in de Angelsaksische traditie) zich dient te richten naar het bevorderen van het bestendige succes van de onderneming. Zie ook: De Brauw, Ondernemingsrecht 2018/11, par. 2.
Zie hierover ook Kamerstukken II 1969/1970, 10 751, nr. 3 (MvT), p. 12.
Discussion paper van McKinsey & Company, ‘Measuring the economic impact of short-termism’, mckinsey.com. Zie ook: Henderson 2020, p. 49 e.v.
Het in de vorige voetnoot genoemde onderzoek van McKinsey ziet op 615 niet-financiële Amerikaanse beursvennootschappen over een periode van 2000 tot 2015 en een beurswaarde van minimaal $5 miljard in ten minste één jaar gedurende die periode. De beursvennootschappen zijn geclassificeerd naar lange- en kortetermijngerichte ondernemingen op grond van een Corporate Horizon Index die rekening houdt met vijf factoren: duur en consistentie van investeringen, kwaliteit van winst (wat wil zeggen dat de winst gebaseerd is op kasstromen en niet op boekhoudkundige keuzes), winstmargegroei, kwartaalgerichtheid en ‘earnings-per-share’-groei. Uit dit onderzoek bleek dat tussen 2001 en 2014 (a) de omzet van langetermijnondernemingen cumulatief gemiddeld 47% meer groeide dan de omzet van andere ondernemingen (en met minder volatiliteit), (b) de winst van langetermijnondernemingen cumulatief gemiddeld 36% meer groeide dan die van andere ondernemingen, (c) langetermijnondernemingen cumulatief gemiddeld bijna 50% meer investeerden in onderzoek en ontwikkeling dan andere ondernemingen, en dat zij deze investeringen bleven verhogen gedurende de financiële crisis terwijl andere ondernemingen deze investeringen terugschroefden, (d) de beurswaarde van langetermijnondernemingen gemiddeld met $ 7 miljard meer groeide dan die van andere ondernemingen, en (e) de uitkeringen aan aandeelhouders door langtermijnondernemingen hoger waren dan die van andere ondernemingen. In de periode van 2001 tot en met 2015 creëerden langetermijnondernemingen gemiddeld 12.000 meer banen dan andere ondernemingen.
In een artikel in The Economist werd enige kritiek geuit op het door McKinsey uitgevoerde onderzoek. Een relevant kritiekpunt is met name dat uit het onderzoek niet duidelijk wordt of kortetermijnondernemingen minder gaan presteren of dat minder presterende ondernemingen zich eerder bedienen van kortetermijnstrategieën (een kip-en-eiprobleem). Zie ‘Corporate short-termism is a frustrating slippery idea’, The Economist, 16 februari 2017. Kanttekeningen bij langetermijngerichtheid worden ook geplaatst in Barzuza & Talley 2019, die menen dat (1) langetermijnprojecten veelal meer dan kortetermijnprojecten onderhevig zijn aan volatiliteit en overschatting door bestuurders en (2) bestuurders geneigd zijn meer dan nodig te investeren in langetermijnprojecten, waarop kortetermijnincentives dan weer een positieve uitwerking zouden kunnen hebben. Bestuurders hebben volgens Barzuza en Talley last van ‘long-term bias’, een voorgenomenheid voor langetermijninvesteringen, zelfs ten opzichte van kortetermijninvesteringen die een superieur rendement opleveren.
Asser/Van Olffen & Rensen 2-IIa 2019/32. Zie ook HR 9 juli 2010, NJ 2010/544, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2010/228, m.nt. M.J. van Ginneken (ASMI), r.o. 4.4.2 en HR 20 april 2018, NJ 2018/331, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2018/142, m.nt. A.F.J.A. Leijten (Boskalis/Fugro), r.o. 3.3.6.
Zie ook: De Brauw, Ondernemingsrecht 2018/11, par. 2.3.1.
Het huidige Nederlandse governancemodel zou ik strikt genomen niet willen kenmerken als een stakeholdermodel. De NV heeft in ieder geval niet het doel om de belangen van stakeholders te dienen.1 Met hun belangen moet wel rekening gehouden worden, maar daarop is de NV niet gericht. In zoverre verschilt het Nederlandse model in mijn optiek, voor wat betreft de mechaniek, ook niet enorm met een governancemodel dat gericht is op het maximaliseren van aandeelhouderswaarde.2 In beide gevallen moet rekening worden gehouden met stakeholders, maar is de vennootschap daarop niet gericht. Hét onderscheidende kenmerk is wat mij betreft de invulling van de corporate purpose, de concretisering van het vennootschapsbelang.3 De vennootschap is in het Nederlandse model gericht op het eigen, gezonde voortbestaan, het bestendige succes en waardecreatie van de onderneming op de lange termijn. Waar de Verenigde Staten een shareholder centered governancemodel kennen, kent Nederland daarmee een company centered model.4
Het bestuur is belast met het bestuur van de vennootschap, waaronder (in beginsel) ook valt het autonoom bepalen en uitvoeren van een duidelijk omlijnde strategie. Het bestuur heeft effectieve middelen om de strategie van de vennootschap uit te zetten en te waarborgen. In die zin kent Nederland tevens een bestuurscentrisch (manager-oriented) bestuursmodel.5 Het bestuur heeft het primaat over de vennootschap en de onderneming. De raad van commissarissen houdt toezicht op en adviseert het bestuur.6 Bij het vervullen van hun taak dienen het bestuur en de raad van commissarissen zorgvuldig om te gaan met de belangen van stakeholders. Dit kan meebrengen dat zij rekening houden met die belangen, maar daarop richten zij zich niet primair. De AV heeft over de uitvoering van de taken van het bestuur en de raad van commissarissen geen zeggenschap, behalve voor zover die berust op concrete bevoegdheden op basis van de wet en statuten. Het bestuur en de raad van commissarissen zijn aan de AV (achteraf) verantwoording verschuldigd en zij mogen de AV (vooraf) in hun besluitvorming betrekken, maar dat laatste is geen verplichting wanneer het gaat om handelingen waartoe het bestuur bevoegd is, tenzij in de wet of statuten anders is bepaald. Dit beschouw ik als de pijlers van het Nederlandse governancemodel.
De focus op langetermijnwaarde dwingt de beursvennootschap om in lijn met een strategisch plan te bouwen aan het bevorderen van het bestendige succes van haar onderneming. Amerikaans onderzoek wijst erop dat deze focus op de lange termijn niet alleen kan bijdragen aan een eerlijkere verdeling van waarde, maar ook een vergroting van de totale waarde voor de onderneming en haar stakeholders, inclusief aandeelhouders.7 Beursvennootschappen met een focus op de lange termijn zouden op de lange termijn gemiddeld meer omzet- en winstgroei, hogere investeringen in onderzoek en ontwikkeling, hogere beurswaarde, meer aandeelhoudersrendement en meer banen realiseren dan ondernemingen met een focus op de korte termijn.8 Hiernaar zou wat mij betreft meer onderzoek gedaan moeten worden, aangezien dergelijke inzichten het bestaansrecht van een governancemodel gericht op de lange termijn verder kunnen onderbouwen.9 Ook kortetermijnbeslissingen (zoals het al dan niet ingaan op een overnamebod) kunnen overigens gevolgen hebben op de lange termijn en het is de taak van het bestuur om ook bij kortetermijnkeuzes steeds na te denken over de gevolgen op de lange termijn.
Het governancemodel is in Nederland uiteraard niet voor elke beursvennootschap gelijk. Voor de specifieke invulling van de corporate governance van een beursvennootschap staat voorop dat iedere vennootschap binnen de grenzen van de wet vrij is haar corporate governance naar eigen inzicht vorm te geven.10 De term ‘corporate governance’ heeft op zichzelf ook geen normerende lading. Iedere vennootschap doet bewust of onbewust aan corporate governance. Over wat men verstaat onder goede corporate governance kunnen de meningen verschillen. In 2004, na publicatie van de Code Tabaksblat, omschreef het kabinet goede corporate governance als volgt:
“…efficiënt toezicht op het bestuur van beursgenoteerde vennootschappen, een evenwichtige verdeling van de invloed tussen het bestuur, de raad van commissarissen en de algemene vergadering van aandeelhouders (goede checks and balances), en een goede verantwoording door het bestuur en de raad van commissarissen met het oog op de continuïteit van de onderneming en een zorgvuldige afweging van de verschillende belangen, waaronder die van de werknemers en andere stakeholders van de vennootschap…”11
Deze beschrijving lijkt mij nog steeds vrij goed te passen in de huidige tijdsgeest, al zou naar huidige inzichten de nadruk minder liggen op continuïteit en meer op het bevorderen van het bestendige succes van de onderneming. Voor het bevorderen van het bestendige succes van de onderneming is continuïteit ook niet altijd vereist.12