Einde inhoudsopgave
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/3.1.1.3
3.1.1.3 Gevolgen kabelarresten
Dr. mr. B.A.M. Janssen, datum 08-12-2010
- Datum
08-12-2010
- Auteur
Dr. mr. B.A.M. Janssen
- JCDI
JCDI:ADS620967:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
ION, VECAI, EnergieNed en Groep Graafrechten, Positron paper «Gevolgen (on)roerend karakter netten», 4 november 2005.
Kamerstukken II 2005/06, 29 834, nr. 11, p. 5.
Kamerstukken 11 2005/06, 29 384, nr. 12, p. 6.
Zie ook Roggenkamp 2004, p. 43.
In het Belgische Burgerlijk Wetboek is vastgelegd dat buizen van een waterleiding onroerende zaken zijn (artikel 523 BBW): Buizen, dienende voor de waterleiding in een huis of op een ander elf, zijn onroerend en maken deel uit van het elf waaraan zij verbonden zijn. In artikel 562 OBW stond een gelijkluidend artikel dat niet is overgenomen in het NBW.
Zie bijvoorbeeld Van den Broek en Bongers 2003; Kortmann 2003b; Seinstra 2004; De Haan 2004; Van Velten 2005.
Arrest Hof Amsterdam, 1 september 2005, NJF 2006, 52.
Wellicht dat hier een parallel is getrokken met artikel 6:174, tweede lid BW waarin de leidingbeheerder, op basis van zijn kwaliteit als leidingbeheerder (en niet zozeer op basis van zijn eigendom), aansprakelijk is voor leidingen, behalve voor zover de leiding zich bevindt in een gebouw of werk en strekt tot toevoer of afvoer ten behoeve van dat gebouw of werk.
Immers de juridische scheiding tussen netbeheerders en productiebedrijven was in Nederland al een feit, zie par. 1.2.1.1.
Zoals artikel 5.6 Tw (oud).
De kabelarresten hebben op twee vraagpunten uitdrukkelijk een antwoord gegeven, namelijk dat ten tijde van het wijzen van de arresten openbare telecommunicatienetten als onroerende zaken moesten worden beschouwd op basis van de criteria van het Portacabin-arrest én dat op grond van de bijzondere bepaling in de Tw de aanbieder van een openbaar telecommunicatienet eigenaar was van het aangelegde net. Hoewel diverse partijen uit de energiesector een oproep1 hebben gedaan (aan de wetgever) om netten (toch) als roerende zaken te bestempelen, was de uitkomst van de kabelarresten ten aanzien van de onroerende status van andere netten, niet zijnde openbare telecommunicatienetten, op zich duidelijk. De wetgever heeft tijdens de parlementaire behandeling van de nieuwe eigendomsregeling expliciet aangegeven dat uit de kabelarresten moet worden afgeleid dat naast telecomnetten ook andere in de grond aangelegde netten op grond van artikel 3:3 BW als onroerende zaken moeten worden beschouwd én op grond van artikel 5:20 BW nagetrokken kunnen worden door de grond, waarin het net is aangelegd. De leden van de PvdA fractie vroegen de minister nog nader in te gaan op het feit dat in het wetsvoorstel tot wijziging van artikel 5:20 BW niet nadrukkelijk gekozen is voor een roerende of onroerende status van netwerken.2 In antwoord hierop stelde de minister:3
`Uit de kabelarresten van de Hoge Raad blijkt dat kabelnetwerken moeten worden aangemerkt als onroerende zaken. Voor andere netwerken zal deze conclusie ook gelden. Tegen deze achtergrond is een nadrukkelijke keuze vóór de status onroerend in dit wetsontwerp overbodig. Dat zou anders zijn als de wetgever, gelet op de uitspraken van de Hoge Raad, er uitdrukkelijk voor zou kiezen netwerken de status van roerende zaken te willen geven. Maar daar wil ik niet voor kiezen.'
Het door de wetgever gehanteerde argument is juist. De Hoge Raad heeft de onroerende status van netten, en in het specifieke geval voor CAI-netten, gebaseerd op het bepaalde in artikel 3:3, eerste lid BW. De legitimatie dat netten een onroerend karakter hebben is in genoemd artikel van het BW dus ook (al) te vinden; een aparte regeling voor netten is niet nodig. Bovendien als uit artikel 3:3, eerste lid BW niet zou volgen dat netten als onroerende zaken moeten worden beschouwd, zou een aparte (nieuwe) regeling in artikel 5:20, tweede lid BW ook niet nodig zijn geweest.4 De wettelijke grondslag voor de onroerende status van netten is dan ook in het BW opgenomen omdat deze impliciet voortvloeit uit het tweede lid van artikel 5:20 BW.5
De vraag wie eigenaar was van bijvoorbeeld een elektriciteitsnet, werd door de kabelarresten niet eenduidig beantwoord. Voor telecomnetten bestond een aparte wettelijke regeling die in andere sectorale regelgeving ontbrak. Daarnaast was niet duidelijk of voor andere netten de verticale natrekking toch zou gelden of dat door middel van horizontale natrekking de eigendomsvraag kon worden beantwoord. In de literatuur werd het signaal gegeven dat ook voor alle andere netten een wettelijke regeling getroffen zou moeten worden omdat de onduidelijkheid hierover juridisch onwenselijk was.6 Een voorbeeld waaruit volgt dat ná de kabelarresten (nog steeds) onduidelijkheid bestond over de eigendom van netten (niet zijnde telecomnetten), is een arrest van het Hof Amsterdam.7 In deze zaak ging het om een schadevergoedingsactie die door de leidingbeheerder was aangespannen tegen de grondroerder die bij werkzaamheden schade had toegebracht aan een elektriciteitskabel. In hoger beroep is door de grondroerder het verweer gevoerd dat de leidingbeheerder geen eigenaar van de kabel zou zijn onder verwijzing naar het Portacabin-arrest en de kabelarresten. Uit voornoemde arresten leidde de grondroerder af dat in alle andere gevallen (dan in het geval van telecommunicatiekabels), kabels wél door verticale natrekking eigendom van de grondeigenaar zou zijn. Het Hof oordeelde dat juist sprake was van het tegendeel. In de kabelarresten vond het Hof steun voor de opvatting dat de onderhavige elektriciteitskabel, die in veel opzichten te vergelijken is met de kabels waarover het ging in de kabelarresten, niet door natrekking eigendom is geworden van de grondeigenaar. Het Hof overwoog verder:
`Immers, net als in de telecommunicatiewetgeving, worden in de elektriciteitswetgeving rechtspersonen, genaamd netbeheerders, belast met de aanleg, instandhouding en/of exploitatie van netwerken, teneinde in het algemeen belang de telecommunicatie of de elektriciteitsvoorziening doelmatig te doen verlopen. Deze taak is in de Elektriciteitswet 1998 onder meer in artikel 16 lid 1 aanhef en sub a en sub c vastgelegd. Met deze taak is bezwaarlijk te verenigen dat de eigendom van een netwerk is verdeeld in stukjes die corresponderen met de verscheidene percelen waarin delen van zo'n netwerk zijn aangelegd.'
In beginsel is niet verrassend dat het Hof in deze zaak tot dezelfde conclusie komt als die van de kabelarresten (doorbreking van de verticale natrekking). De onderbouwing van dit oordeel is wel enigszins opmerkelijk. Het Hof redeneert namelijk op basis van de taakomschrijving van de leidingbeheerder dat de eigendom van een netwerk niet verdeeld kan worden in stukjes die corresponderen met verscheidende percelen. De eigendom vloeit min of meer voort uit de taak van de leidingbeheerder.8 Dit is echter een onlogische redenering omdat het voor uitoefening van deze (wettelijk bepaalde en omschreven) taak helemaal niet uitmaakt of de netbeheerder wel of niet eigenaar is van het net. Ook al is het net eigendom van tientallen verschillende juridische eigenaren, dan nog kan een netbeheerder zijn taak — onafhankelijk van die eigenaren — uitvoeren.9 Het zou logischer zijn geweest als het Hof, bij gebrek aan een specifieke wettelijke regeling inzake de eigendom,10 op basis van de horizontale natrekking geredeneerd zou hebben dat de leidingbeheerder eigenaar was van het (volledige) netwerk. Dit lag immers meer in lijn met de leer en jurisprudentie van het grensoverschrijdend bouwen, althans met de lijn die door diverse schrijvers in de loop van de tijd was verwoord inzake de eigendom van leidingnetten. Dit arrest illustreerde in ieder geval dat de kabelarresten niet dé gewenste helderheid hadden verschaft over de eigendom van netten, niet zijnde telecomnetten, en dat een algemene wettelijke regeling hierin uitkomst zou kunnen bieden. In de hierna volgende paragrafen wordt de nieuwe regeling betreffende de eigendom van netten, alsmede de aanloop naar die nieuwe regeling verder uitgewerkt.