Einde inhoudsopgave
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/3.1.1.1
3.1.1.1 Kabelarresten
Dr. mr. B.A.M. Janssen, datum 08-12-2010
- Datum
08-12-2010
- Auteur
Dr. mr. B.A.M. Janssen
- JCDI
JCDI:ADS622190:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Met noot van Van Velten (2003).
De hier genoemde feiten zijn ontleend aan het arrest met zaaknummer 36.075. De casus in het arrest met zaaknummer 36.076 was gelijksoortig, met dien verstande dat het in deze laatste zaak ging om overdracht van zeven netwerken, inclusief infrastructuur, die door zeven gemeenten bij zeven contracten zijn overgedragen aan de belanghebbende. In de eerste zaak betrof het de overdracht van één netwerk door een Stichting (en niet een gemeente) aan de belanghebbende.
Kortmann 2003b.
1-1R 15 november 1991, NJ 1993, 316.
Conclusie P.J. Waffel, overweging 3.22.
Van den Broek en Bongers 2003, p. 540.
Kortmann 2003b, p. 846.
Van Velten 2003, p. 824.
De Hoge Raad heeft op 6 juni 2003 de kabelarresten1 gewezen. De uitkomst van deze arresten was tweeledig: i) netten zijn onroerende zaken en ii) de eigendom (van in dit geval) telecomnetten behoort toe aan de aanlegger van het net. Deze arresten zijn, samen met de naar aanleiding van deze arresten gestelde Kamervragen, de meest directe aanleiding (geweest) voor de nieuwe regeling betreffende de eigendom van netten. Een bespreking van de kabelarresten kan dan ook niet achterwege blijven. De casus in de arresten was als volgt.
Een stichting exploiteerde een centrale antenne inrichting (CAI) die in gemeentegrond was aangelegd.2 Op 1 januari 1996 worden alle componenten van de CAI infrastructuur (kabels, versterkers, verdeelkasten e.d.) oftewel het kabelnet (economisch) overgedragen. Na overdracht ontvangt de nieuwe eigenaar een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting van de Belastingdienst. De nieuwe eigenaar maakt tegen deze aanslag bezwaar en nadat het bezwaar was afgewezen, werd hoger beroep bij het Hof ' sGravenhage ingesteld, gevolgd door cassatie. Het Hof oordeelde dat het kabelnet mét toestemming in gemeentegrond is aangelegd en dat het kabelnet dient te worden aangemerkt als een werk dat duurzaam met de grond is verbonden in de zin van artikel 3:3 jo. 5:20 BW zodat het kabelnet onroerend is en de gemeente, als juridisch eigenaar van de grond, op basis van de verticale natrekking ook juridisch eigenaar is van het net. Daarnaast zou volgens het Hof de gemeente door middel van horizontale natrekking eveneens eigenaar zijn van de delen van het kabelnet die door particuliere grond lopen, alsook eigenaar zijn van alle onderdelen van de infrastructuur; ook als deze onderdelen (ontvangststations, versterkers etc.) in, op of aan gebouwen van particulieren zijn geplaatst. In cassatie werd bestreden dat het net (juridisch) eigendom is van de gemeente en tevens dat het net onroerend zou zijn. De Hoge Raad overwoog dat bij de beoordeling als uitgangspunt dient te gelden dat het ontvangststation en de versterkers en verdeelkasten een feitelijke en functionele eenheid met het kabelnet vormen. Omdat volgens de Hoge Raad voor beantwoording van de vraag of de infrastructuur roerend dan wel onroerend is én de vraag wie eigenaar is van het net, verschillende maatstaven dienen te worden gehanteerd, worden beide vragen afzonderlijk behandeld. Kortmann3 besteedt in zijn annotatie aandacht aan deze twee — vooraf gemaakte — opmerkingen van de Hoge Raad. Ten aanzien van de opmerking over de feitelijke en functionele eenheid merkt hij op dat het oordeel dat sprake is van één zaak geenszins vanzelfsprekend is en hij verwijst in dit verband naar de richtinggevende uitspraak Depex/curatoren Bergel c.s.4 Met betrekking tot de tweede opmerking dat bij beantwoording van de eigendomsvraag en de vraag of de zaak roerend of onroerend is verschillende maatstaven moeten worden gehanteerd, merkt Kortmann op dat de eigendomsvraag beantwoord moet worden aan de hand van artikel 5:20 BW en de andere vraag op grond van artikel 3:3 BW. De maatstaven van beide artikelen vallen echter samen, met dien verstande dat de aanhef van artikel 5:20 BW met zoveel woorden bepaalt dat de wet anders kan bepalen.
De Hoge Raad overwoog dat het oordeel van het Hof dat een kabelnet een onroerende zaak is (duurzaam met de grond verenigd), niet onbegrijpelijk is, aangenomen dat het kabelnet, gelet op de bedoeling van degene door wie of in wiens opdracht het is aangelegd, naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven en dat dit ook naar buiten kenbaar is. De nieuwe eigenaar bestreed dit laatste evenwel niet, maar betoogde dat de kwalificatie 'onroerend' ernstig afbreuk zou doen aan het recht van de eigenaar van het kabelnet omdat het bij gebreke van een kadastrale aanduiding feitelijk niet overdraagbaar zou zijn. Volgens de Hoge Raad kon dit betoog geen afbreuk doen aan het oordeel van het Hof. Op grond van artikel 2, eerste lid Kadasterbesluit geldt dat percelen en appartementsrechten een eigen kadastrale aanduiding hebben, maar voor onroerende zaken die niet een eigen kadastrale aanduiding hebben dezelfde aanduiding gebruikt wordt als die van het perceel waarin, waarop of waarboven die zaken zich bevinden. In overeenstemming hiermee moet worden aangenomen dat voor de infrastructuur van het kabelnet dezelfde kadastrale aanduiding geldt als die van het perceel/percelen waarin of waarop het zich bevindt. Bij overdracht kan dan ook worden volstaan met vermelding van de kadastrale aanduiding van de percelen waarin het kabelnet is ingegraven en voor zover het gaat om bovengrondse onderdelen van de infrastructuur waarop dit onderdeel zich bevindt. Over de vraag wie eigenaar is van de infrastructuur overwoog de Hoge Raad dat volgens artikel 5.6 Tw de aanleg van kabels door een aanbieder van een openbaar netwerk in en op gronden evenals in en aan gebouwen van anderen geen wijziging brengt in de eigendom van hetgeen is aangelegd. Dit betekent dat de kabels en de overige onderdelen van de infrastructuur niet door middel van natrekking eigendom zouden worden van de eigenaar van de grond, maar van de aanbieder van het openbaar netwerk. De Hoge Raad kwam tot de conclusie dat de Stichting gemachtigd was tot aanleg, instandhouding en exploitatie van het kabelnet. Tevens dat het de infrastructuur had aangelegd, dan wel doen aanleggen en de CAI in eigen beheer exploiteerde, zodat de Stichting was aan te merken als de aanbieder van het openbare kabelnet. Het Hof zou dientengevolge de aanhef van artikel 5:20 BW hebben miskend waardoor de Stichting als eigenaar van het kabelnet beschouwd diende te worden. Gelet op de omstandigheid dat de Stichting dus eigenaar was van een onroerende zaak diende bij overdracht van de economische eigendom van die onroerende zaak aan de nieuwe eigenaar, overdrachtsbelasting te worden afgedragen.
De Hoge Raad heeft in de beoordeling of het kabelnet een onroerende zaak is, de criteria zoals genoemd in het Portacabin-arrest toegepast. De AG concludeerde dat het niet ondenkbaar zou zijn dat de Hoge Raad, net zoals in het Portacabin-arrest, `een aantal nieuwe criteria wil stellen die dan wellicht niet alle in cassatie toegepast kunnen worden doordat het Hof de feiten niet met het oog op die toen nog niet gegeven criteria heeft vastgesteld'.5De Hoge Raad stelde echter geen nieuwe criteria en oordeelde dat het Hof de juiste maatstaf had toegepast bij de beoordeling dat het kabelnet een onroerende zaak was. Volgens Van den Broek en Bongers6 is het opvallend dat de Hoge Raad het laat bij de constatering dat een kabelnet bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven zonder dit nader te motiveren. Kortmann stelt in zijn annotatie dat het hem aannemelijk lijkt dat de uitspraak van de Hoge Raad tot tal van problemen zal leiden. De oorzaak van deze problemen is volgens hem de wijze waarop de Hoge Raad het 'duurzaam met de grond verenigd' invult.7 In de noot bij de arresten concludeert Van Vellen (eveneens) dat er na deze uitspraak ongetwijfeld civielrechtelijk het nodige gerepareerd moet worden ten aanzien van overdrachten die in het verleden hebben plaatsgevonden, en:
`dat is niet zo eenvoudig, omdat de kabels zich meestal in duizenden kadastrale percelen zullen bevinden, waarbij de juiste ligging van de infrastructuur lang niet altijd exact bekend is. (...) Het meest eenvoudige is, als men alsnog tot juridische levering wenst over te gaan, in de meeste gevallen wellicht om alsnog de belangrijkste percelen ('moeder-erven') op de in artikel 3:89 BW voorgeschreven wijze over te dragen aan de exploitant en voor de daarmee verbonden kabels een beroep te doen op horizontale natrekking, artikel 5:20, sub e, BW, laatste zinsnede.'
In het slot van zijn noot schrijft Van Vellen dat het vorenstaande niet geldt voor buizen en leidingen omdat die niet op basis van de Tw zijn gelegd:8
`Voor die ondergrondse werken zal derhalve onverminderd de verticale natrekkingsregel blijven gelden, tenzij een recht van opstal is gevestigd. Het wordt tijd dat de wetgever in het BW alsnog een regeling treft (...).'