Financiële controle in het gemeenterecht
Einde inhoudsopgave
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/5.4.1.3:5.4.1.3 Principiële bezwaren
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/5.4.1.3
5.4.1.3 Principiële bezwaren
Documentgegevens:
dr. W. van der Woude, datum 21-09-2011
- Datum
21-09-2011
- Auteur
dr. W. van der Woude
- Vakgebied(en)
Overheidsfinanciën (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het derde hier te behandelen bezwaar richt zich tegen de juridische functie van de indemniteitsprocedure. Het gaat daarbij om de wenselijkheid van het vellen van een rechtmatigheidsoordeel door een politiek orgaan. Dit juridische oordeel, dat inherent is aan het vaststellen van de jaarrekening, is pas in handen gekomen van de gemeenteraad via de decentralisatie-operatie die de gemeentewet onderging in 1992. Geredeneerd langs lijnen die kunnen worden teruggevoerd tot de in par. 2.2 weergegeven kritiek van Oppenheim, koos de wetgever ervoor de procedure tot vaststelling van de jaarrekening te synchroniseren met die van de vaststelling van de begroting. Dit door argumenten van symmetrie ingegeven standpunt gaat mijns inziens voorbij aan het feit dat de vaststelling van de begroting een ander karakter heeft dan die van de rekening. De begroting is een veel beleidsmatiger, meer politiek document, waarvan de vaststelling logischerwijs toekomt aan een politiek orgaan als de gemeenteraad. Van oudsher is de rekening een instrument van meer juridische aard, waarvan een belangrijk aspect de vaststelling van de rechtmatigheid van overheidsuitgaven is. Tijdens de parlementaire behandeling heeft niemand de vraag gesteld, of het wel zo verstandig was de gemeenteraad een oordeel te laten vellen over de rechtmatigheid van de financiële handelingen en beslissingen van het college van burgemeester en wethouders. Dat is opmerkelijk. Men zou zich namelijk kunnen voorstellen dat in 1992 met het badwater ook een kind is weggegooid.
Bij de totstandkoming van de Wet dualisering gemeentebestuur is dit punt pas echt aan de oppervlakte gekomen.1 Het bijzondere daarvan is dat juist via diezelfde wet het rechtmatigheidsoordeel van de raad niet meer tot rechtstreekse persoonlijke aansprakelijkheid van een wethouder of een burgemeester kan leiden. De voornaamste angel werd daarmee dus al uit deze problematiek getrokken. Niettemin, ook nu nog impliceert het vaststellen van een indemniteitbesluit een juridisch oordeel. De vraag blijft dus gerechtvaardigd of de gemeenteraad wel het meest geschikte orgaan is dit oordeel te vellen. Volgens Broeksteeg is dit niet het geval.2 In praktische zin vergt het vellen van een rechtmatigheidsoordeel volgens hem een specifieke deskundigheid. Waar dit probleem nog enigszins kan worden ondervangen door de betrokkenheid van de accountant, is het tweede probleem dat volgens hem "kan worden betwijfeld of de raad voldoende afstand tot het college heeft om tot een objectief oordeel (...) te kunnen komen".3 Het risico dat politieke oordelen worden betrokken in de vraag of een financiële handeling al dan niet rechtmatig is, is daarmee te groot.