Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid
Einde inhoudsopgave
Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 106) 2017/5.8.3.2:5.8.3.2 Aansprakelijkheid op grond van de Tweede Misbruikwet
Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 106) 2017/5.8.3.2
5.8.3.2 Aansprakelijkheid op grond van de Tweede Misbruikwet
Documentgegevens:
mr. C.E.J.M. Hanegraaf, datum 25-06-2017
- Datum
25-06-2017
- Auteur
mr. C.E.J.M. Hanegraaf
- JCDI
JCDI:ADS306119:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Wezeman 1998, p. 129 e.v.
Zie bijvoorbeeld art. 36 lid 5 sub. c. Invorderingswet 1990; Huizink, GS Rechtspersonen, art. 2:11 BW, aant. 6.6. Zie tevens Van Schilfgaarde 1986, p. 89-90.
Vgl. art. 3 lid 2 Invorderingswet 1990. Raaijmakers 2005, p. 4 wijst in dit kader terecht op de grenzen die zijn gesteld door de “leer van de onaanvaardbare doorkruising”.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De aansprakelijkheid die gebaseerd is op de Tweede Misbruikwet betreft een vorm van wettelijke aansprakelijkheid. In de betreffende wetgeving is een speciale regeling opgenomen voor het geval een lichaam bestuurder is van een ander lichaam.1 Onder “bestuurder” wordt in een dergelijk geval mede verstaan ieder van de bestuurders van het besturende lichaam.2
De vraag rijst of art. 2:11 BW een rol speelt in het kader van de Tweede Misbruikwet. De Invorderingswet 1845 kende tot 1 juni 1990 een gesloten systeem. Niet duidelijk was indertijd of de Ontvanger wel een beroep zou kunnen doen op het Burgerlijk Wetboek. Thans geldt een open invorderingssysteem.3 Ook de Ontvanger kan tegenwoordig een beroep doen op het bepaalde in het Burgerlijk Wetboek. Het in Hoofdstuk VI (Aansprakelijkheid) van de Invorderingswet 1990 opgenomen art. 32 bepaalt uitdrukkelijk dat de bepalingen van dat hoofdstuk – behoudens voor zover anders is vermeld – het bepaalde met betrekking tot de aansprakelijkheid in enige andere wettelijke regeling onverlet laten.
Naar mijn mening dient art. 2:11 BW te gelden als de algemene regel waaraan de speciale bepalingen in het kader van de Tweede Misbruikwet derogeren. Art. 32 Invorderingswet 1990 laat die mogelijkheid mijns inziens open. Dat de Tweede Misbruikwet eigen schakelbepalingen bevat die een ruime werking kennen, staat mijns inziens niet aan toepassing van art. 2:11 BW in de weg indien en voor zover de reikwijdte van art. 2:11 BW groter is dan de reikwijdte van de betreffende schakelbepalingen. Wel geldt dat de betreffende (schakel)bepalingen dermate ruim zijn geformuleerd dat ik vermoed dat hier wellicht gesleuteld wordt aan een theoretisch probleem.4 Van Schilfgaarde lijkt dezelfde mening te zijn toegedaan. Hij merkt namelijk op dat de Tweede Misbruikwet een speciale regeling bevat voor het geval een lichaam bestuurder is van een ander lichaam. Om die reden komt men volgens Van Schilfgaarde niet toe aan art. 2:11 BW.Vgl. Van Schilfgaarde 1986, nr. 58.