Einde inhoudsopgave
Het inzagerecht (BPP nr. IX) 2010/2.3
2.3 Verspreide opmerkingen over art. 843a Rv in parlementaire stukken
Mr. J.R. Sijmonsma, datum 17-05-2010
- Datum
17-05-2010
- Auteur
Mr. J.R. Sijmonsma
- JCDI
JCDI:ADS454003:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Handelingen Eerste Kamer 24 oktober 1989, p. 32 e.v.
Vaak worden gebruikt de woorden 'Angelsaksisch recht' of Angelsaksische rechtssystemen'. Volgens mij bedoelt men dan 'Anglo-Amerikaans recht' of `Common law'.
Het artikel stond in de vierde titel, tweede afdeling, Van makelaars.
Overigens wordt in deze memorie onder nr. 7 nog opgemerkt dat de term 'bescheiden' niet slechts betrekking heeft op papieren stukken. Onder de wettelijke term 'geschrift' of 'schriftelijk' kunnen onder omstandigheden mede de moderne elektronische gegevensdragers begrepen worden geacht. Dit was ook al verdedigd door J. de Boer, De elektronische schriftelijke vorm, NJB 1992, p. 670672. Bij de uitleg van de toen geldende tekst van art. 843a Rv is deze mening van de minister interessant. De in die tijd geldende tekst van art. 843a Rv repte weliswaar over inzage van een `onderhandse akte' maar het lijkt toch een kleine stap om van 'onderhandse akte' via 'geschrift' bij 'bescheid' uit te komen, zodat al vanaf 1 april 1988 een verzoek tot inzage in elektronisch opgeslagen gegevens niet zonder meer kansloos was. Zie nu bijvoorbeeld art. 3:15a BW, regelend de elektronische handtekening.
Wetsvoorstel 25753, Wijziging van Boek 2 van het BW en van enige andere wetten in verband met de verkorting van de bewaartermijn van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers.
Wetsvoorstel 27026, Wijziging van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen en van Titel 7.10 van het BW ter uitvoering van de EG-richtlijn inzake de bewijslast in gevallen van discriminatie op grond van geslacht.
Wetsvoorstel 19529, Vaststelling van titel 7.17 (verzekering) en titel 7.18 (lijfrente) van het nieuwe Burgerlijk Wetboek. De Memorie van Antwoord aan de Eerste Kamer is genummerd B.
Thans art. 7:932 lid 3 BW luidend: 'Indien een door een verzekeraar afgegeven bewijsstuk verloren is gegaan, geeft hij desverlangd tegen vergoeding van de kosten een nieuw bewijsstuk af. Indien het bewijsstuk aan toonder of order is gesteld en bij een verzekering van zaken die door middel van documenten plegen te worden verhandeld, kan de verzekeraar als voorwaarde voor het doen van een uitkering aan de houder van een nieuw bewijsstuk verlangen, dat hem door de houder gedurende de tijd dat de verzekeraar tot betaling kan worden gedwongen, zekerheid wordt gesteld.
Asser/Clausing-Wansink nrs. 143 en 144. De vraag of de eerste zin in art. 7:932 lid 3 BW luidend `Indien een door een verzekeraar afgegeven bewijsstuk verloren is gegaan, geeft hij desverlangd tegen vergoeding van de kosten een nieuw bewijsstuk af' wordt gesteld noch beantwoord.
Uitspraak van 6 oktober 1992, Verkeersrecht 1993, 121.
In zijn brief aan de Tweede Kamer van 30 juni 2008, kamerstuk 22112, nr. 660 merkt de minister van economische zaken tenminste op dat de Europese Commissie nog steeds een versnipperde aanpak (specifieke regels voor mededingingsrecht) voorstaat die ten koste gaat van de interne samenhang van de nationale systemen van burgerlijk procesrecht hetgeen tot onduidelijkheid en complicaties kan leiden.
Kamerstuk 22112, nr. 439, Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie. Zie over de in dit kamerstuk behandelde problematiek omtrent het mededingingsrecht ook 'De mogelijkheden voor civielrechtelijke handhaving van de mededingingsregels in Nederland.' Een inventarisatie in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken, Amsterdam, 3 november 2005, Redactie M.F.I. Haak en I.W. VerLoren van Themaat.
Zie daarover verder W.A.7. van Lierop en E.H. Pijnacker Hordijk, Privaatrechtelijke aspecten van het mededingingsrecht, Preadvies 2007 uitgebracht voor de Vereniging voor Burgerlijk Recht, Kluwer 2007 die op p. 93-95 onder meer schrijven over de bewijsvoering in (mededingingsrechtelijke) schadevergoedingszaken, waarbij zij erop wijzen dat art. 843a Rv daarbij een steeds belangrijker procedureel hulpmiddel wordt.
Voor de volledigheid: de minister steunt optie 3 niet omdat deze te ingrijpend is voor partijen. Het opmaken van een dergelijke lijst is disproportioneel. Optie 4 wordt niet gesteund omdat het opleggen van sancties onredelijk is en omdat dit dan verder zou gaan dan voor andere rechtsgebieden. Optie 5 is volgens de minister al opgenomen in het Nederlandse procesrecht. Hij noemt met name de mogelijkheid van conservatoire beslaglegging waarbij het verlof wordt verleend onder de voorwaarde dat binnen een bepaalde termijn een bodemprocedure wordt ingesteld.
Zie hierover in deze paragraaf de bespreking van Wetsvoorstel 30392 en hoofdstuk 4 waarin het inzagerecht in EU-verband wordt besproken.
Wetsvoorstel 30336, Regels inzake het toezicht op en de handhaving van de voorschriften voor financiële verslaggeving van effectenuitgevende instellingen alsmede tot wijziging van enige wetten (Wet toezicht financiële verslaggeving).
In hoofdstuk 10, waar de geheimhoudingsplicht van art. 843a lid 3 Rv wordt besproken, komt deze problematiek inhoudelijk aan de orde.
Wetsvoorstel 30392, Aanpassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Auteurswet 1912, de Wet op de naburige rechten, de Databankwet, de Handelsnaamwet, de Wet van 28 oktober 1987, houdende regelen inzake de bescherming van oorspronkelijke topografieën van halfgeleider-producten (Stb. 484), de Zaaizaad- en plantgoedwet 2005 en de Landbouwkwaliteitswet ter uitvoering van Richtlijn nr. 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele eigendomsrechten (PbEG L 195). Zie hierover ook par. 4.2.
De afwezigheid van deze beperking is geen toeval. Zie hierover ook hoofdstuk 5, de schets van de Adviescommissie voor het Burgerlijk Procesrecht.
Advies Raad van State en nader rapport, Kamerstukken 30392, nr. 4. Het stuk is vastgesteld op 29 november 2005.
Zie over onder meer dit artikel R.R. Verkerk, Procesrechtelijke aspecten van het wetsvoorstel handhaving intellectuele eigendom, TCR 2006, p. 110-115, F.W.E. Eijsvogels en C. de Meyer, Enkele procesrechtelijke aspecten van handhaving van intellectuele-eigendomsrechten na implementatie van de Handhavingsrichtlijn, Tijdschrift voor Computerrecht 2009, p. 12-20, M. Rieger-Jansen, Twee jaar ervaring met het bewijsbeslag. Een overzicht van de ontwikkelingen in Nederland en een kijkje over de landsgrenzen, AMI 2009, p. 91-96 en G. van der Wal en F. van Schaick, Handhavingsinstrumenten in het intellectuele eigendomsrecht: het op de loer liggende risico van `fishing expeditions' vergt kritische rechterlijke toetsing, IER 2009, afl. 3.
Wetsvoorstel 31358, Wijziging van enige bepalingen van Rv en het BW teneinde naast het in deze bepalingen gestelde vereiste van schriftelijkheid ook ruimte te bieden aan de ontwikkelingen op het gebied van elektronisch verkeer. Zie over dit ontwerp ook H.P.A.J. Martius, Enige opmerkingen aangaande wetsvoorstel 31.358 in het Nederlands Tijdschrift voor Handelsrecht 2008, p. 237251.
Zie ook F. Fernhout, Kunnen ze daar wel Googlen, NJB 2008, p. 1800, die in dat artikel laat zien hoe eenvoudig wettelijke bepalingen bij herziening van wetgeving over het hoofd worden gezien.
Zoals uit par. 2.2.1 al bleek, heeft de wetgever niet alleen in de parlementaire stukken betrekking hebbend op de herzieningen van het inzagerecht van art. 843a Rv over het inzagerecht gesproken. In het hierna volgende zullen in chronologische volgorde de parlementaire stukken de revue passeren waarin gesproken is over art. 843a Rv terwijl dit artikel in het betreffende wetsvoorstel geen onderwerp van wetgeving was. Ik laat hierbij in deze paragraaf buiten beschouwing hetgeen over het inzagerecht is te vinden in Kamerstuk 30951, Herbezinning burgerlijk procesrecht, omdat dit uitvoerig wordt besproken in par. 5.2 van dit boek.
Het in de tijd eerste wetsvoorstel waarin art. 843a Rv werd genoemd, was het ontwerp van boek 6 van het NBW. De wetgever was er wat de verwijzing naar art. 843a Rv betreft al snel bij: voordat dit artikel in werking was getreden verwees de minister er al naar en wel in het stuk nr. 59, ingediend in het vergaderjaar 1979-1980, behorend bij kamerstuk 7729. In dat stuk deelt de minister aan de Eerste Kamer mee dat aan art. 6.1.17 lid 2 (nu art. 6:48 BW, betreffende de kwitantie) niet toegevoegd hoefde te worden dat de schuldenaar in elk geval recht heeft op een afschrift van het bewijsstuk. De reden daarvoor was dat als de schuldenaar uit andere hoofde dan subrogatie een belang heeft waarbij hij aan moet kunnen tonen welke schuld hij precies heeft voldaan, uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij een bewijsstuk moet kunnen vragen. De minister verwees vervolgens zonder nadere toelichting ook naar art. 843a Rv, zoals voorgesteld in het ontwerp bewijsrecht (wetsontwerp nr. 10377).1
Art. 843a Rv is verder tamelijk uitgebreid aan de orde geweest in het in par. 2.2.1 genoemde en kort besproken wetsvoorstel 19574, Wijziging van bepalingen die verband houden met de persoonlijke verschijning van partijen in civiele procedures. In de parlementaire stukken bij dit wetsvoorstel 19574 is namelijk niet alleen over 'in en buiten het geding' in de zin van 843a Rv gesproken. Er is ook het nodige gezegd over de aard en strekking van art. 843a Rv. Zo vergelijkt de minister in de op 15 juni 1989 door de Eerste Kamer ontvangen Memorie van Antwoord op p. 1-2 het bevel dat de rechter op grond van het voorgestelde art. 19a Rv (thans art. 22 Rv) aan een partij kan geven om bepaalde bescheiden over te leggen met art. 843a Rv. Hij zegt daarover dat hij dit bevel niet wil aanduiden met het begrip exhibitieplicht omdat hij dit technische, nergens in de wet gebruikte woord, gereserveerd wil houden voor art. 843a Rv. Er zijn bij het bevel van art. 19a Rv weliswaar mogelijke raakvlakken met het bewijsrecht, maar het accent bij art. 19a Rv ligt duidelijk anders. Naast de exhibitieplicht is er volgens hem een gerechtvaardigde behoefte aan een formalisering van een rechterlijke bevoegdheid om voor het welslagen van een comparitie na antwoord stukken op te vragen. Bij de mondelinge behandeling in de Eerste Kamer houdt het kamerlid Wagemakers op 24 oktober 1989 een lang betoog over een aantal mogelijke raakvlakken tussen het bevel van de rechter aan een partij om stukken over te leggen op de voet van (thans) art. 22 Rv en art. 843a Rv.2 Hij trekt in zijn betoog een aantal conclusies ten aanzien van het in het geding brengen van stukken en wel de volgende:
Een verplichting om afschriften van stukken te verschaffen aan een wederpartij bestaat in beginsel uitsluitend in de in art. 843a en 843b Rv genoemde gevallen;
Het is in beginsel aan iedere procespartij zelf om schriftelijke stukken in het geding te brengen ter onderbouwing en adstructie van haar stellingen en ter bestrijding van die van de wederpartij;
De rechter kan een partij bevelen om stukken in het geding te brengen maar hij mag daarbij niet de feitelijke grondslag van het geding veranderen, ook niet als het de bedoeling van hem is om de eventuele discrepantie tussen materiële en processuele waarheid te verkleinen;
Het ambtshalve bevel van de rechter kan alleen betrekking hebben op stukken die al voldoende bepaald in de processtukken zijn aangeduid.
De minister antwoordt dezelfde dag. Hij is van mening dat de woorden 'bepaalde, op de zaak betrekking hebbende bescheiden' in het voorgestelde art. 19a Rv voldoende duidelijke beperkingen inhouden. Zo is het, gelet op die woorden, niet mogelijk om een bevel te geven om in het algemeen bescheiden over te leggen die op de zaak betrekking hebben. De algemene plicht tot `disclosure' die, aldus de minister, in het Angelsaksische3 rechtssysteem ook wel wordt aangeduid als `fishing expedition', bestaat niet.
In wetsvoorstel 17779, Vaststelling en invoering van de titels 7.7 (Opdracht) en 7.15 (Vaststellingsovereenkomst) van het Nieuwe BW, merkt de minister op p. 17 van zijn op 28 oktober 1991 door de Tweede Kamer ontvangen Memorie van Antwoord op dat het eerste lid van art. 68a lid 1 WvK, bepalend dat de rechter aan makelaars overlegging van hun gehouden aantekeningen betrekking hebbend op door hen gesloten overeenkomsten kan bevelen teneinde de afschriften te vergelijken en toelichting te vorderen, kan vervallen in verband met het bepaalde in art. 843a Rv.4 Die opmerking is merkwaardig: art. 843a Rv geeft de rechter immers niet de ambtshalve bevoegdheid om overlegging te bevelen die het toenmalige art. 68a WvK wel kende, zodat de verwijzing naar art. 843a Rv niet deugdelijk is. De motivering voor de vervallenverklaring van dit art. 68a WvK moet dus maar voor niet geschreven worden gehouden.
In wetsvoorstel 23024, Wijziging van het BW, WvK en enige andere wetten ter zake van het voeren van een administratie, is in Kamerstuk 3, de in het vergaderjaar 1992-1993 ingediende Memorie van Toelichting, de volgende opmerking te vinden:
`Bij dit alles bedenke men dat de betekenis van de bewaarplicht voor het bewijs in burgerlijke zaken beperkt is. Het gaat hier niet om het belang van de bewaarplichtige, maar juist om dat van zijn eventuele tegenpartijen die zelf de stukken die zij als bewijs willen bezigen niet (meer) hebben. Dit betekent dat men terecht komt bij situaties als die van de artt. 147, 843a, 843b Rv, bij bepalingen die in de praktijk van het recht een zeer geringe rol spelen en die ook niet zo mogen worden uitgelegd dat niet alleen een verplichting bestaat om, zo het stuk voor handen is, daarvan inzage of afgifte te geven, maar ook om het stuk met het oog daarop ten behoeve van eventuele tegenpartijen (of andere belanghebbenden) te bewaren.'
Inhoudelijk komt hier op een verscholen wijze een relevant punt voor het hier behandelde onderwerp aan de orde en wel dat de minister van mening is dat een partij die op de voet van art. 843a Rv verplicht kan worden om inzage te geven, niet verplicht is om stukken te bewaren zodat een andere partij dit recht op enig moment kan verwezenlijken. Opmerking verdient verder dat de wetgever ook hier laat zien dat het in de toekomst kijken niet echt zijn sterkste punt is, gelet op de opmerking, dat art. 843a Rv in de praktijk van het recht een zeer geringe rol speelt.5
In de Memorie van Toelichting bij wetsvoorstel 25753,6 stuk nummer 3, merkt de minister in vergaderjaar 1997-1998 op dat de betekenis van de verkorting van de termijn voor de bewaarplicht van verschillende in onder meer Boek 2 BW genoemde stukken voor het bewijs beperkt is. In slechts enkele gevallen wordt in een procedure een beroep gedaan op de artt. 843a en 843b Rv. Uit deze artikelen volgt volgens de minister niet dat een partij gehouden is om stukken voor dit doel (dus het mogelijk maken van het hebben van inzage) te bewaren. Opmerkingen die dus niet afwijken van wat is verteld bij wetsvoorstel 23024.
De wetgever lijkt eerder dan de procespraktijk gecharmeerd te zijn van art. 843a Rv. In een door de Tweede Kamer op 21 augustus 2000 ontvangen nota noemt de minister dit artikel tenminste als één van de bruikbare instrumenten ten behoeve van een werknemer die moet bewijzen dat zijn werkgever discrimineert op grond van geslacht.7 Aan de hand van onder meer art. 843a Rv kan de werknemer van zijn werkgever, zo begrijp ik de minister, inzage vragen in gegevens van de werkgever aan de hand waarvan via statistische berekeningen kan worden bewezen dat de werkgever discrimineert.
Een inhoudelijke toelichting op art. 843a Rv geeft de minister in zijn door de Eerste Kamer op 5 oktober 2004 ontvangen Memorie van Antwoord bij wetsvoorstel 19529.8 In deze memorie reageert hij onder meer op in het NJB 2002, p. 18031804 geuite kritiek van L. Mok. Mok is in dat artikel van mening dat de bepaling van art. 7.17.1.8 lid 39 inhoudende dat de verzekeraar in voorkomende gevallen een verloren gegaan bewijsstuk vervangt, overbodig is gelet op de artt. 843a en 843b Rv. De minister denkt daar anders over. Hij schrijft dat met deze artikelen in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in veel gevallen wel hetzelfde kan worden bereikt als met genoemd lid 3. Een verschil is dat het in lid 3 gaat om een regel van materieel recht tussen partijen in plaats van een 'bijzondere rechtspleging' in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Een ander verschil is dat in het wetsvoorstel rekening wordt gehouden met de bijzondere eisen die op zijn plaats zijn voor handelsverzekeringen als bedoeld in de tweede zin van lid 3.
Helemaal consistent is het allemaal niet: op 21 augustus 2000 wordt in wetsvoorstel 27026 art. 843a Rv nog gepromoot en is er geen sprake van dat de werknemer een 'materieel recht' dient te krijgen, en vier jaar later is alleen de hulp van dit artikel in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet goed genoeg meer voor een verzekerde. Chronologisch bezien laat het zich ook niet goed begrijpen. In 2000 werd in de praktijk nog nauwelijks gebruik gemaakt van art. 843a Rv, maar noemt de minister het zelf. In 2004 werd daarentegen blijkens de jurisprudentie al behoorlijk gebruik gemaakt van art. 843a Rv, maar komt de minister tot de conclusie dat het artikel niet bruikbaar is. Gelet op de tekst en inhoud van art. 843a en 843b Rv denk ik dat de mogelijkheid die het huidige art. 7:932 lid 3 BW biedt ter zake van afgifte van een nieuw bewijsstuk door de verzekeraar indien het afgegeven bewijsstuk verloren is geraakt, best gemist had kunnen worden omdat art. 843a Rv en/of art. 843b Rv hier al in voorzien.
De minister heeft formeel gelijk als hij zegt dat bij opname in het BW de verzekerde een materieel recht heeft. Inhoudelijk zie ik echter geen verschil tussen het bezit van dit recht op grond van het BW en het bezit van dit recht op grond van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Asser/Clausing-Wansink verwijzen in hun commentaar bij art. 7:932, lid 3 BW wat betreft de verhouding tussen de verzekeraar en de polishouder die zijn polis kwijt is, niet naar art. 843a of 843b Rv. Zij merken wel op dat derden een gerechtvaardigd belang kunnen hebben bij inzage in, dan wel het verkrijgen van een afschrift van de polis. Grondslag voor een vordering tot het verkrijgen van een afschrift of inzage in een dergelijk geval is dan volgens hen art. 843a Rv.10 Overigens was de Raad van toezicht op het schadeverzekeringsbedrijf al in 1992 van oordeel dat de eigenaresse van een in brand gestoken gebouw, van de AVP-verzekeraar van de brandstichter de van toepassing zijnde verzekeringsvoorwaarden diende te ontvangen.11 De Raad vond de weigering van de verzekeraar om de van toepassing zijnde voorwaarden aan de eigenaresse te zenden, niet in overeenstemming met de goede naam van het schadeverzekeringsbedrijf.
Mijn inziens voegt de eerste zin van art. 7:932 lid 3 BW niets toe aan de mogelijkheid die art. 843a Rv wat dit betreft biedt. De zin kan dan ook geschrapt worden. Een behoorlijke rechtvaardiging voor deze dubbele wetgeving is er niet, zeker niet waar het kennelijk de bedoeling van de wetgever is om versnippering te voorkomen.12
De minister van economische zaken is kritisch over de mogelijkheden die art. 843a Rv biedt in Kamerstuk 22112.13 Bij brief van 28 april 2006 reageert hij op het Groenboek Schadevorderingen wegens schending van de communautaire antitrust-regels van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 19 december 2005.
Par. 2.1 van dit Groenboek gaat over de toegang tot bewijsmateriaal bij het vermoeden van schending van mededingingsregels en stelt als vraag A aan de orde of er bijzondere voorschriften moeten zijn inzake de openbaarmaking van schriftelijke bewijzen in civiele schadeprocedures in het kader van de artt. 81 en 82 van het Verdrag. Het Groenboek noemt enkele opties bij deze vraag en wel de volgende.
Documenten moeten openbaar worden gemaakt zodra een partij de relevante feiten van de zaak omstandig heeft uiteengezet en het redelijkerwijze beschikbare bewijsmateriaal heeft overgelegd tot staving van haar stellingen (fact pleading). Openbaarmaking moet worden beperkt tot relevante en redelijkerwijze geïdentificeerde individuele documenten en moet door een rechter worden bevolen.
Onder voorbehoud van fact pleading, moet -op bevel van een rechter- verplichte openbaarmaking van categorieën documenten tussen partijen mogelijk zijn.
Onder voorbehoud van fact pleading, rust op elke partij de verplichting de andere partijen in het geding een lijst te verstrekken van relevante documenten die in haar bezit zijn en voor haar toegankelijk zijn.
Het opleggen van sancties ingeval bewijsmateriaal wordt vernietigd om de onder de opties 1 tot en met 3 beschreven openbaarmaking te waarborgen.
De verplichting relevant bewijsmateriaal te bewaren. Overeenkomstig dit voorschrift kan een rechter nog voor het begin van een civiele procedure bevelen dat bewijsmateriaal dat relevant is voor de daaropvolgende procedure wordt bewaard. De partij die om een dergelijk rechterlijk bevel verzoekt, moet evenwel het redelijkerwijze beschikbare bewijsmateriaal overleggen om te staven dat er op het eerste gezicht sprake is van een inbreuk.
In Nederland geeft, aldus de minister, art. 843a Rv voor het Nederlandse procesrecht aan binnen welke grenzen de rechter personen kan verplichten tot het verschaffen van inzage in stukken. Volgens hem bestaat er nog discussie over de vraag of art. 843a Rv in de praktijk voldoende ruimte biedt voor het vergaren van bewijsmateriaal, terwijl de rechter verder op grond van art. 162 Rv in de loop van het geding op verzoek of ambtshalve aan partijen openlegging van boeken, bescheiden of geschriften kan bevelen.
Optie 1 beschrijft volgens de minister de huidige gang van zaken, zoals die momenteel in Nederland bestaat.14 De in het Groenboek gesignaleerde problemen rond bewijsgaring kunnen echter niet altijd binnen het kader van art. 843a Rv voldoende worden opgelost.
De minister vermeldt niet welke problemen rond de bewijsgaring onvoldoende binnen het kader van art. 843a Rv kunnen worden opgelost. Ik neem aan dat hij in elk geval denkt dat art. 843a Rv alleen een recht tot inzage geeft aan die personen die samen de partijen zijn in een rechtsbetrekking. Concreter: het lijkt erop dat de minister van mening is dat indien er een overeenkomst tussen partij A en partij B bestaat, partij A geen inzage kan vorderen in stukken die zich onder C bevinden maar die van belang zijn voor de rechtsverhouding tussen A en B. De rechter kan op grond van dit artikel ambtshalve geen bevel tot inzage gelasten. Waar hij verder de voorkeur geeft voor optie 2 zal de minister waarschijnlijk ook voor ogen hebben gestaan dat art. 843a Rv, gelet op de woorden 'bepaalde bescheiden' geen mogelijkheid lijkt te bieden tot inzage in categorieën documenten.
De minister steunt optie 2 waarbij hij met name vermeldt dat een rechter een partij zou moeten kunnen bevelen om categorieën van documenten openbaar te maken. De documenten moeten wel met enige nauwkeurigheid zijn aan te duiden. Wat precies het verschil is tussen de woorden 'bepaalde bescheiden' in art. 843a Rv en de woorden 'de documenten moeten wel met enige nauwkeurigheid zijn aan te duiden' legt de minister niet uit. Dit is merkwaardig omdat hij verder opmerkt dat als de mogelijkheid bestaat dat een vermeende overtreder verplicht kan worden veel informatie vrij te geven, dit kan leiden tot het vissen naar (inzage in) stukken, een volgens hem ongewenste ontwikkeling.15
In haar Witboek betreffende schadevergoedingsacties wegens schending van de communautaire mededingingsregels van 2 april 2008 blijft de Europese Commissie bij haar standpunt dat op dit terrein het nodige dient te gebeuren omdat slachtoffers van schendingen van de communautaire mededingingsregels meerdere miljarden euro per jaar schade zouden lijden. Wat de toegang tot bewijsmateriaal betreft wenst zij verzekering van een minimale openbaarmaking tussen procespartijen van bewijsmateriaal waarbij zij wil voortbouwen op de benadering van Richtlijn 2004/48/EG inzake intellectuele eigendomsrechten.16
Enige angst bij de minister voor art. 843a Rv blijkt uit de door de Tweede Kamer op 4 mei 2006 ontvangen nota van wijziging bij wetsvoorstel 30336.17 Elke medewerker van de Autoriteiten Financiële Markten (AFM) heeft namelijk een geheimhoudingsplicht behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht. Volgens de minister is art. 843a Rv een dergelijk wettelijk voorschrift.18 Het moet echter voorkomen worden dat bepaalde door de AFM ontvangen gegevens door medewerkers van de AFM in een procedure op voet van art. 843a Rv tegen hen, verstrekt moeten worden. In genoemde nota stelt de minister dat naar zijn mening art. 843a Rv niet moet kunnen worden ingeroepen tegen de AFM en haar medewerkers. Aldus bepaalt art. 2 lid 2 van de Wet toezicht financiële verslaggeving thans dat de AFM verplicht is tot geheimhouding, en zijn de AFM en haar medewerkers niet gehouden te voldoen aan een vordering als bedoeld in art. 843a Rv.
In de parlementaire stukken van wetsvoorstel 3039219 is bij het onderwerp 'handhaving van intellectuele eigendomsrechten' ook het nodige over art. 843a Rv gezegd terwijl het geen onderwerp van wetgeving was.
In het aan de Raad van State aangeboden ontwerp luidde art. 1019a Rv als volgt:
1. Artikel 843a, eerste tot en met derde lid, is van overeenkomstige toepassing in het geval van inbreuk op een recht van intellectuele eigendom.
2. Naast de in artikel 843a, eerste lid, genoemde inzage, afschrift of uittreksel van bescheiden kan ook overlegging gevorderd worden van andere zaken.
3. De rechter wijst de vordering af indien de bescherming van vertrouwelijke informatie niet is gewaarborgd.
In lid 2 van het voorstel wordt het recht op inzage bij handhaving van intellectuele eigendomsrechten sterk uitgebreid in vergelijking tot de mogelijkheden van art. 843a Rv. Naast de mogelijkheid van inzage, afschrift of uittreksel van bescheiden zoals genoemd in art. 843a Rv, biedt het voorstel zoals aan de Raad van State aangeboden ook de mogelijkheid om overlegging van 'andere zaken' te vorderen. Dit is een belangrijke uitbreiding die zeker bewijsrechtelijk grote voordelen met zich kan brengen, onder andere omdat er geen beperking wordt gegeven naar de aard en de soort van de zaken. Opvallend in het voorstel is ook de afwezigheid van een regel inhoudende dat een partij alleen verplicht is om die zaken af te geven die zij in bezit heeft. Een partij kan dus worden gedwongen om bewijsmateriaal over te leggen dat zich niet in haar macht bevindt.20 Het dwangmiddel bij uitstek om een partij zover te krijgen, lijkt mij de dwangsom te zijn.
De Raad van State was over de voorgestelde tekst van art. 1019a Rv niet enthousiast.21 De Raad merkt allereerst op dat uit de toelichting blijkt dat het uitgangspunt is dat de algemeen geldende regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing blijven. Gelet op dat uitgangspunt is lid 1 overbodig en zou dus geformuleerd moeten worden dat lid 4 van art. 843a Rv niet van toepassing is. De Raad merkt ook op dat de woorden 'andere zaken' in lid 2 een ruimere bevoegdheid geven dan art. 6 van Richtlijn 2004/48/EG bepaalt. De Raad adviseert om de mogelijkheid van lid 2 wel te beperken tot 'bewijsmateriaal dat zich in de macht van de wederpartij bevindt.De Raad van State stelt verder dat in art. 843a Rv weliswaar wordt gesproken over 'degene die deze bescheiden te zijner beschikking heeft of onder zijn berusting heeft' maar deze beperking dient duidelijker uit het wetsontwerp te blijken. Ten slotte is, aldus de Raad, de tekst van lid 3 te strikt geformuleerd. Indien de tekst letterlijk wordt genomen, moet de hele vordering van een partij worden afgewezen indien van die vordering slechts een deeltje betrekking heeft op vertrouwelijke informatie waarvan bescherming niet gewaarborgd zou kunnen worden.
De minister accepteert de kritiek van de Raad en past het wetsontwerp aanzienlijk aan.
Een belangrijk uitgangspunt bij het uiteindelijk aan de Tweede Kamer aangeboden ontwerp is dat bij procedures op grond van art. 1019a Rv e.v. art. 843a Rv ook van toepassing is. De woorden `specialis' en `generalis' worden niet gebruikt, maar de bedoeling van de wetgever lijkt duidelijk: in een procedure op grond van art. 1019a e.v. Rv is art. 843a Rv in zijn geheel van toepassing, tenzij art. 1019a e.v. Rv een expliciet andere regel geven.
In de Memorie van Toelichting, stuk nr. 3, licht de minister toe dat in het eerste lid van art. 1019a Rv voor alle duidelijkheid wordt aangegeven dat een verbintenis uit onrechtmatige daad wegens inbreuk op een recht van intellectuele eigendom een rechtsbetrekking is als bedoeld in art. 843a Rv. Hoewel de parlementaire geschiedenis van art. 843a Rv dit al vermeldt, is deze stelling, aldus de Toelichting, in de literatuur niet algemeen aanvaard en in de jurisprudentie nog niet expliciet uitgesproken.
Een belangrijke aanvulling op art. 843a Rv is volgens de minister lid 2 van art. 1019a Rv omdat krachtens dit lid ook overlegging kan worden gevorderd van ander bewijsmateriaal dan de in art. 843a lid 1 Rv genoemde 'bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking'. De minister noemt met name cd's, kledingstukken, speelgoed en parfumerieartikelen. De kosten van een en ander mogen op grond van art. 14 van de Richtlijn niet worden afgewikkeld op voet van art. 843a Rv. Art. 1019h Rv bepaalt de wijze waarop de kosten wel afgewikkeld behoren te worden.
Lid 3 van art. 1019a Rv regelt de bescherming van vertrouwelijke informatie als grond voor afwijzing van de vordering. Dit lid gaat, aldus de minister, verder dan art. 843a Rv welk artikel in lid 3 alleen geheimhouders beschermt tegen gegevensverstrekking. Volgens de minister heeft lid 4 van art. 843a Rv, en dan betreft het hier de woorden 'gewichtige redenen', meer een materieelrechtelijke betekenis, die voortvloeit uit de omstandigheid dat art. 843a Rv binnen en buiten het geding van toepassing is terwijl de Richtlijn daarentegen het formele procesrecht betreft, waarbij beter een weigeringsgrond voor de rechter past dan een bevoegdheid voor gedaagde. Een wat merkwaardige overweging. Het lijkt mij namelijk aan een partij om het verweer te voeren dat een gewichtige reden als bijvoorbeeld onvolkomen bescherming van vertrouwelijkheid met zich brengt dat de vordering, of onderdelen daarvan, moet worden afgewezen (zie daarover hoofdstuk 15). Ik zie dan ook niet in dat lid 3 van art. 1019a Rv tot andere resultaten kan leiden dan toetsing aan de woorden 'gewichtige redenen' in lid 4 van art. 843a Rv.
De minister had verder in eerste instantie lid 3 van art. 1019a Rv zo ruim geformuleerd dat de volledige vordering moest worden afgewezen 'indien de bescherming van vertrouwelijke informatie niet werd gewaarborgd'. Deze ruime formulering paste niet in de bedoeling van Richtlijn 2004/48/EG en het woord `indien' is dan ook vervangen door 'voor zover'. Hiermee is duidelijk gemaakt dat in één en dezelfde procedure bepaalde onderdelen van de vordering kunnen worden afgewezen terwijl andere onderdelen van die vordering kunnen worden toegewezen.
Er worden verder geen opmerkingen gemaakt die betrekking hebben op art. 843a Rv en in Staatsblad 2007, 108 wordt vervolgens de 'Wet van 8 maart 2007 tot aanpassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Auteurswet 1912, de Wet op de naburige rechten, de Databankwet, de Handelsnaamwet, de Wet van 28 oktober 1987, houdende regelen inzake de bescherming van oorspronkelijke topografieën van halfgeleiderproducten (Stb. 484), de Zaaizaad- en plantgoed-wet 2005 en de Landbouwkwaliteitswet ter uitvoering van Richtlijn nr. 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele eigendomsrechten (PbEG L 195)' geplaatst.
Sinds 1 mei 2007, de dag dat deze Wet van 8 maart 2007 in werking is getreden, luidt art. 1019a Rv als volgt.22
1. Een verbintenis uit onrechtmatige daad wegens inbreuk op een recht van intellectuele eigendom geldt als een rechtsbetrekking als bedoeld in artikel 843a.
2. In de procedure op de voet van artikel 843a kan ook overlegging gevorderd worden van ander bewijsmateriaal dat zich in de macht van de wederpartij bevindt.
3. De rechter wijst de vordering af voor zover de bescherming van vertrouwelijke informatie niet is gewaarborgd. Artikel 843a, vierde lid, is niet van toepassing.
Ten slotte komt art. 843a Rv ter sprake in wetsvoorstel 31358 betreffende het elektronisch verkeer.23 In zijn Memorie van Toelichting schrijft de minister dat art. 843a Rv ook geldt ten aanzien van op gegevensdragers aangebrachte gegevens. Indien bijvoorbeeld een elektronische akte is kwijtgeraakt omdat een computer onklaar is geraakt of een bestand verloren is geraakt, kan op grond van dit artikel een nieuw bewijsstuk worden gevraagd. Hetzelfde geldt volgens de minister ook voor de in art. 7:932 lid 3 BW bedoelde afgifte van een verloren polis.
Indien de minister Mok had gevolgd in zijn hiervoor gegeven commentaar ter zake dit lid 3 bij wetsontwerp 19529 B, had de minister deze opmerking niet hoeven maken. Zuinig wetgeven loont.24