Regres bij concernfinanciering
Einde inhoudsopgave
Regres bij concernfinanciering (VDHI nr. 156) 2019/3.2.4.2:3.2.4.2 Hanzevast
Regres bij concernfinanciering (VDHI nr. 156) 2019/3.2.4.2
3.2.4.2 Hanzevast
Documentgegevens:
mr. drs. C.H.A. van Oostrum, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. C.H.A. van Oostrum
- JCDI
JCDI:ADS589732:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Verbintenissenrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Deze zaak kent verschillende procesrondes, maar die worden hier niet uiteengezet. Centraal in deze bespreking staat de positie van moedervennootschap Hanzevast Beleggingen BV (hierna: Hanzevast Beleggingen) en haar verhouding ten opzichte van dochter Hanzevast Beleggingen III BV (hierna: Hanzevast III) en derde GS4.
In de Hanzevast-zaak is de (lege) project-vennootschap Hanzevast Beleggingen III een instrumentele dochter. Moeder-bestuurder en 100% aandeelhouder van Hanzevast III is Hanzevast Beleggingen. Hanzevast III sluit met GS4 een koopovereenkomst voor kantoorruimte. Hanzevast Beleggingen heeft inzake de koopovereenkomst de onderhandelingen met GS4 gevoerd. Hanzevast Beleggingen is de economische koper. Partijen spreken af dat Hanzevast Beleggingen, Hanzevast III voorziet van financiële middelen om de koopsom te kunnen voldoen op het moment van levering van de kantoorruimte. Tot levering komt het evenwel niet. Partijen krijgen onenigheid over de kosten van het meerwerk aan de kantoorruimte. Daarom gaat Hanzevast III over tot het ontbinden van de koopovereenkomst. GS4 vordert vervolgens schadevergoeding van Hanzevast Beleggingen.
Hanzevast Beleggingen wordt in haar hoedanigheid als moeder-bestuurder van Hanzevast III door GS4 aangesproken op grond van bestuurdersaansprakelijkheid. In de literatuur is echter betoogd dat het wellicht logischer was om Hanzevast Beleggingen aan te spreken op grond van haar aandeelhouderschap in Hanzevast III, dus als moeder-aandeelhouder.1
Het aanspreken van Hanzevast Beleggingen als aandeelhouder kan worden gebaseerd op het niet nakomen van de zorgplicht van de moeder-aandeelhouder jegens een bij de dochtervennootschap betrokken derde. Het schenden van deze zorgplicht kan, via een onrechtmatige daadsactie, leiden tot doorbraak van aansprakelijkheid. De gedachte is dat de moeder-aandeelhouder een onrechtmatige gedraging begaat jegens de bij de dochter betrokken derde, waardoor de moeder zelf aansprakelijk is. De onrechtmatige gedraging bestaat hierin dat Hanzevast Beleggingen de schijn van kredietwaardigheid van Hanzevast III heeft opgewekt en hiermee een rechtsplicht, c.q. zorgplicht, creëert om deze voorstelling van zaken ook te realiseren.2
Hanzevast III wordt gebruikt als een instrumentele dochter waarbij haar belang wordt gezien als ondergeschikt aan het concernbelang. Hanzevast III is feitelijk niet in staat om zelfstandig te overleven. De moedervennootschap heeft Hanzevast III ook niet als zodanig geëquipeerd. Derden jegens wie Hanzevast III verplichtingen aangaat, zijn voor de vervulling van deze verplichtingen afhankelijk van door de moeder te geven garanties. Kenmerkend is dat de hele gang van zaken voortkomt uit de door de concernleiding opgezette structuur van het concern. Dat in de gegeven omstandigheden de moedervennootschap jegens de wederpartijen van Hanzevast III een zekere zorgplicht toekomt, is niet vreemd. De vraag hierbij is wanneer deze zorgplicht voor de moeder in het leven wordt geroepen. Het lijkt mij te verdedigen dat het in de praktijk gebruiken van een voor derden riskante concernstructuur een zorgplicht voor de moeder met zich meebrengt. Zij is immers ultimo verantwoordelijk voor de aard en de structuur van het concern en inherente risico’s die daaruit voortvloeien voor buitenstaanders.3