Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/I.3.3.4.2
I.3.3.4.2 Auflage
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS624606:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor wat er onder Zuwendung wordt verstaan: subparagraaf 3.3.3 ‘Abs. II: inhoud’.
Zie subparagraaf 3.3.3 ‘Abs. II: Inhoud’.
Zie subparagraaf 3.3.4.1 ‘Vermächtnis’ onder A. ‘Person des Vermächtnisnehmers’.
Het zou ook zo kunnen zijn dat meerdere instellingen dit doel gelijk nastreven of dat de instelling die erflater op het moment van testeren op het oog heeft, ten tijde van erflaters overlijden niet meer bestaat.
Zie over de last als uitzondering op § 2065 II BGB: Sens 1990, p. 58-59; Wagner 1997, p. 53-54; Frey 1999, p. 26-27; Halding-Hoppenheit 2003, p. 78 e.v.
In beginsel is § 2065 II BGB niet op de last van toepassing. Er is immers geen sprake van een Zuwendung.1Drittbestimmung bij de last zou dan ook onbeteugeld mogelijk moeten zijn, ware het niet dat § 2192 BGB hiervoor een flagrant stokje steekt. Dit artikel bepaalt namelijk, zoals ik reeds in paragraaf 3.3.3 aanstipte, dat § 2065 BGB ook op de last van toepassing is.2 Hetgeen in het kader van Drittbestimmung met zich brengt dat, wanneer een last een verkrijging inhoudt, de erflater de inhoud van de last niet onvolledig kan uiten in de zin dat een ander bepaalt wie de bevoordeelde is en wat diegene ontvangt. § 2192 BGB bepaalt nochtans ook dat § § 2154 t/m 2156 BGB op de last van overeenkomstige toepassing zijn. Binnen de door deze artikelen gegeven grenzen is het zodoende mogelijk om een ander een invulling te laten geven ten aanzien van hetgeen wordt verkregen (indien de last tot een verkrijging leidt). In § 2192 BGB wordt § 2151 BGB (het legaat met keuzemogelijkheid ten aanzien van de legataris)3 echter niet van overeenkomstige toepassing verklaard. Voor wilsdelegatie ten aanzien van degene die verkrijgt (het subject van de verkrijging), lijkt het dan ook einde oefening. Niettemin wordt hier de dans toch ontsprongen door het bepaalde in § 2193 BGB, dat geldt als een uitzondering op § 2065 II (jo. 2192) BGB:
‘I. Der Erblasser kann bei der Anordnung einer Auflage, deren Zweck er bestimmt hat, die Bestimmung der Person, an welche die Leistung erfolgen soll, dem Beschwerten oder einem Dritten überlassen.
II. Steht die Bestimmung dem Beschwerten zu, so kann ihm, wenn er zur Vollziehung der Auflage rechtskräftig verurteilt ist, von dem Kläger eine angemessene Frist zur Vollziehung bestimmt werden; nach dem Ablauf der Frist ist der Kläger berechtigt, die Bestimmung zu treffen, wenn nicht die Vollziehung rechtzeitig erfolgt.
III. Steht die Bestimmung einem Dritten zu, so erfolgt sie durch Erklärung gegenüber dem Beschwerten. Kann der Dritte die Bestimmung nicht treffen, so geht das Bestimmungsrecht auf den Beschwerten über. Die Vorschrift des § 2151 Abs. 3 Satz 2 findet entsprechende Anwendung; zu den Beteiligten im Sinne dieser Vorschrift gehören der Beschwerte und diejenigen, welche die Vollziehung der Auflage zu verlangen berechtigt sind (curs. NB).’
Het is mogelijk om de lastbevoordeelde(n) geheel naar eigen goeddunken te laten aanwijzen door degene op wie de last rust of door een derde, voorzover erflater reeds zelf het doel van de last heeft bepaald. Hierbij is het, in tegenstelling tot het legaat, niet nodig dat uit een door erflater afgebakende groep van personen kan worden gekozen. Met de last heeft erflater dan ook een geschikt middel in handen om geheel op maat te bevoordelen. Een erflater die een geldbedrag wil laten toekomen aan de genezing van Alzheimer, maar ten tijde van het testeren nog niet kan beoordelen welke instelling dit doel nastreeft,4 kan ervoor kiezen om de bevoordeling te laten plaatsvinden in de vorm van een last. Ten tijde van het overlijden kan degene op wie de last rust of een derde dan de instelling (of instellingen) kiezen die zich voor de overwinning van de ziekte sterk maakt (maken). Hierbij is het zelfs mogelijk dat erflater conform het bepaalde in § 2156 BGB aan de bezwaarde of derde de bevoegdheid geeft om ook de omvang van de prestatie te bepalen.5 Beseft dient evenwel te worden dat van de prestatie geen nakoming kan worden gevorderd.
Met de last is op delegatiegebied dus meer mogelijk dan met het legaat. Het lijkt erop dat het soepele bepaaldheidsvereiste van het legaat voor de last nog soepeler is. Erflater hoeft immers niet een bepaalde groep van personen te noemen waaruit de verkrijger door de derde gekozen kan worden (dat geldt op grond van het bepaalde in § 2151 BGB wel voor het legaat), maar kan volstaan met het bepalen van enkel het doel (vgl. § 2156 BGB dat evenwel ziet op de omvang van het legaat).