Ambtshalve toepassing van EU-recht
Einde inhoudsopgave
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/2.13.3:2.13.3 Invloed artikel 6 EVRM
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/2.13.3
2.13.3 Invloed artikel 6 EVRM
Documentgegevens:
Mr. A.G.F. Ancery, datum 01-08-2012
- Datum
01-08-2012
- Auteur
Mr. A.G.F. Ancery
- JCDI
JCDI:ADS298608:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
73
In de taakverdeling tussen de civiele rechter en partijen kan de invloed van artikel 6 EVRM worden herkend. Met name het beginsel van hoor en wederhoor speelt een grote rol in het civiele proces. Zo mag de rechter niet meer of anders toewijzen dan gevorderd. Als dat anders zou zijn, wordt de gedaagde partij geraakt in haar verdedigingsrecht. Immers, een partij dient te weten waartegen zij zich dient te verweren, opdat het partijdebat tot volle wasdom kan komen. Een dergelijk debat waarborgt mede dat partijen in voldoende mate hun standpunten naar voren kunnen brengen. Uiteraard speelt daarnaast het onpartijdigheidsbeginsel een rol. Het is niet aan de rechter om te beslissen op basis waarvan hij de zaak moet afdoen, omdat hij dan met de partijen meeprocedeert. De binding van de rechter aan de vordering resp. grieven en de feiten die daaraan ten grondslag worden gelegd, kan worden verklaard vanuit de gedachte dat partijen moeten weten waartegen zij zich dienen te verweren en dat zij er in beginsel niet van uit behoeven te gaan dat er andere aspecten in de procedure zullen worden betrokken.
Vanzelfsprekend kan een uitvoerig partijdebat ook worden gegarandeerd bij een actieve rechter. Immers, terugkoppeling naar partijen met de mogelijkheid tot het uitlaten over de ambtshalve opgeworpen punten zou de frictie met het beginsel van hoor en wederhoor wegnemen. Dat zou de procedure echter wel (sterk) verlengen.
In geval van rechtsgevolgen die niet ter vrije beschikking van partijen staan, is de rechter niet gebonden aan de feiten die partijen aan hun vordering of verweer ten grondslag leggen. Niettemin kan hij niet meer feiten gebruiken, dan de feiten die zich in het dossier bevinden. Dat verdraagt zich overigens wel met artikel 6 EVRM. Het komt niet in strijd met de rechtszekerheid, omdat partijen kunnen weten dat er in geval van rechtsgevolgen die niet ter vrije beschikking van henzelf staan, zal worden gekeken naar feiten die zich in het dossier bevinden, maar niet expliciet aan de vordering of het verweer ten grondslag liggen. Zij moeten wel voldoende gelegenheid krijgen om het debat te voeren over die rechtsgevolgen. Uiteindelijk komt het dus ook hier (weer) aan op het beginsel van hoor en wederhoor. In de verhouding tussen de civiele rechter en de procespartijen vormt dat beginsel de ondergrens van artikel 6 EVRM.