Betrouwbaar getuigenbewijs
Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/3.3.3:3.3.3 Verklaringen als bron van argumentatie
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/3.3.3
3.3.3 Verklaringen als bron van argumentatie
Documentgegevens:
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Een argumentatieschema is een stereotiep patroon van redeneren dat wordt gekenmerkt door zijn specifieke vormen van premissen en conclusies.
Walton 2008, p. 37.
Walton 2008, p. 37.
Walton 2008, p. 60.
Walton 2008, p. 60.
Walton 2008, p. 38.
Hahn, Oaksford & Harris 2013, p. 20.
Hahn, Oaksford & Harris 2013, p. 20. Zie ook de recensie van Pardo 2007, p. 7, die stelt dat ‘the analysis provides little normative guidance of how particular cases ought to be decided’.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Naast aandacht voor getuigenverklaringen als kenbron van de werkelijkheid is er in de argumentatietheorie ook aandacht voor getuigenverklaringen als bron van argumentatie. In zijn boek Witness Testimony Evidence: argumentation, artificial intellegence and law karakteriseert Walton het beroep op een getuigenverklaring als een bijzondere vorm van argumentatie. Deze argumentatie wordt gekenmerkt door zijn eigen structuur en vereisten (in de vorm van kritische vragen) waaraan moet zijn voldaan wil de argumentatie steekhoudend zijn. Walton heeft getracht om een argumentatieschema te ontwerpen voor getuigenverklaringen.1 De argumentatie is gebaseerd op het eerdergenoemde concept position to know. Een argumentatie vanuit de position to know verloopt langs de volgende lijnen en heeft de vorm van een modus ponens.
‘Major premise: Source a is in a position to know about things in a certain subject domain S containing proposition A.
Minor premise: a asserts that A is true (false).
Conclusion: Therefore A is true (false).’2
Een dergelijke vorm van argumentatie is volgens Walton defeasible. Dat wil zeggen dat wanneer een ander een dergelijke vorm hanteert deze redenering ter discussie kan worden gesteld door het stellen van kritische vragen.3 Het argumentatieschema voor getuigenverklaringen met daarbij behorende kritische vragen, ziet er volgens Walton als volgt uit.
‘Argument from witness testimony
Position to know premise: Witness W is in a position to know whether A is true or not.
Truth-telling premise: Witness W is telling the truth (as W knows it).
Statement premise: Witness W states A is true (false).
Conclusion: Therefore (defeasibly) A is true (false).
Five critical questions matching the argument from witness testimony
Internal consistency question: Is what the witness said internally consistent?
Factual consistency question: Is what the witness said consistent with the known facts of the case (based on the evidence apart from what the witness testified to)?
Trustworthiness question: Is the witness reliable as a source?
Plausibility question: How plausible is the statement A asserted by the witness?
Exception if what the witness says is implausible’.4
De hiervoor genoemde vragen zijn niet de enige volgens Walton maar wel de belangrijkste. Elke vraag heeft subvragen. Walton noemt in dit verband als subvraag van de Trustworthiness question nog de Bias question: ’Is there some kind of bias that can be attributed to the account given by the witness?’5 De functie van de vragen zijn volgens Walton daarin gelegen dat als een van de vragen wordt gesteld door de toehoorder, de bewijswaarde van de bewering tijdelijk vervalt totdat de vraag bevredigend is beantwoord waarna de bewijswaarde is hersteld.6
Het doel van een dergelijk schema is om een kader te bieden om informatie die normaliter buiten het bereik van de formele logica valt, mee te nemen in een formeel model waarbij de conclusie rationeel kan worden afgeleid vanuit de premissen.7 Het maakt tevens inzichtelijk hoe de manier van redeneren op basis van getuigenverklaringen verloopt en waar het bij getuigenverklaringen om gaat. Echter, het model geeft geen antwoord op de vraag hoe sterk de argumentatie moet zijn en onder welke omstandigheden kritische vragen afdoende zijn gepareerd. Het is dan ook de vraag of het model kan fungeren als normatief kader voor het beslissen in strafzaken.8